De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE LIEFDE VAN DE VADER TOT DE ZOON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE LIEFDE VAN DE VADER TOT DE ZOON

8 minuten leestijd

Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het wederom neme. Joh. 10 : 17.

In het voorafgaande gedeelte heeft de Heere Jezus gehandeld over Zijn herderschap. Dat herderschap is een uniek herderschap. Want de schapen worden tot één kudde bij één vergaderd, doordat de Herder sterft en wederom verrijst uit de doden.

Dat bij één vergaderen van de schapen tot één kudde is de opdracht van de Vader aan de Zoon : „Deze móet Ik ook toebrengen".

Onder dat „Goddelijk moeten" heeft de Zoon zich gesteld en dat heeft Hem bezorgd de liefde des Vaders.

Daarvan legt Hij getuigenis af In dit 17e vers van Johannes : „Daarom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het wederom neme".

De liefde van de Vader tot de Zoon, waarover Christus hier spreekt, is een liefde, die uitgaat tot de Zoon op grond van Zijn werk. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er zonder dat werk geen liefdebetrekking zou zijn tussen de Vader en de Zoon. Want daar is een Persoonsliefde in het Wezen Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daar heeft toch een stem van de hemel geklonken : , , Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb".

Maar daarover handelt de Christus niet in dit 17e vers.

Hij spreekt hier over de liefde van de Vader tot Hem, als Middelaar. Als Middelaar zal Hij volbrengen wat nodig is om zich een Kerk, ten eeuwigen leven uitverkoren, te kunnen vergaderen door Zijn Woord en Geest.

Die liefde van de Vader tot de Zoon, op grond van Zijn werk, is eveneens een liefde, die van eeuwigheid is.

Want Hij heeft zichzelf in de eeuwigheid aan de Vader als Borg voor Zijn Kerk aangeboden.

Waar die Kerk nog in vijandschap tegen God, dat is ook tegen de Zoon, leefde, daar stelde Hij zich al garant bij de Vader voor die zo in vijandschap levende Kerk.

Zó'n grote liefde had Hij voor een zondig volk.

Ja maar, meer nog, zo'n grote zorg had Hij voor de eer des Vaders.

Want 't gaat in het verlossende werk van Christus ten hoogste om de eer des Vaders. Dat alles ziet de Vader, wanneer de Zoon zich als Borg garant stelt en daarom heeft de Vader Hem lief.

De Vader ziet de Zoon ook getrouw Zijn beloften houden en Zijn opdracht zelfs zover vervullen, dat Hij er Zijn leven voor over heeft. Dit alles bezorgt de Zoon de liefde van de Vader.

De Vader ziet met welgevallen de Zoon Zich geheel en al geven aan Zijn roeping. Daar is bij dat werk van Christus geen sprake van dwang, Neen, dat werk van Christus is een vrijwillig werk. Hij is een gewillige Borg voor Zijn volk. Dat maakt Hem juist zo beminnelijk voor de Vader. Dat maakt Hem echter ook zo beminnelijk voor Zijn volk.

Een vraag, mijn lezer: Is Hij u al beminnelijk geworden in dat vrijwillig werk ? Dat is zo nodig voor een getroost leven en straks voor een zalig sterven.

Het verzoeningswerk van Christus is een vrijwillig werk. Daarvan getuigen de woorden: , , Omdat Ik Mijn leven afleg". Hij is er niet toe gedwongen geweest. De enige beweegreden er van is alleen te zoeken in de zorg, die Hij had voor het heil van hen, die de Vader van eeuwigheid aan Zijn zorg heeft toevertrouwd.

Dat heil van Zijn volk ging Hem meer ter harte dan Zijn eigen leven. Zo stort Hij vrijwillig Zijn leven uit in de dood. Hij kon dat ook, omdat Hij er de kracht toe had. Aldus staat aan Zijn vrijwilligheid geen onvermogen in de weg.

Hij, het eeuwige Gods-Woord, heeft ons vlees en bloed aangenomen. Dat is een daad van Hem zelf geweest. Die daad heeft Hij verricht, opdat Hij straks de daad van Zijn Zelf offerande zou kunnen verrichten: , , En Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen". (Markus 10 VS. 45).

Christus is een bereidwillige Borg ; maar Hij is ook een getrouwe Borg.

Hij is elk ogenblik bereid om te sterven voor het werk, dat Hem door de Vader is opgedragen. Zijn werk wordt elk moment gedragen door de volle inzet van Zijn leven.

De Vader heeft Hem in dat alles lief. Waar de eerste Adam niet bereidwillig was om getrouw het werk, door God hem opgedragen, te volvoeren, daar heeft de Vader in Zijn Zoon iemand gevonden, die in bereidwillige trouw Zijn leven veil heeft voor het werk, Hem door de Vader opgelegd.

Dat werk behelst in zijn volle omvang de realisering van het doel, dat de Heere zich gesteld heeft in Zijn Raad met Zijn schepping : De verheerlijking van Zijn Naam. De Heere volvoert Zijn Raad, ondanks de zonde.

Maar daarvoor is noodzakelijk, vanwege die zonde, dat Christus, als het vlees geworden Woord Gods, Zijn leven uitstort in de dood.

Maar dat niet alléén.

Want een Christus in het graf, zou ons nog geen nut doen. Hij moet daarom over dat graf ook triumpheren.

Alleen zó zal daar, naar het doel van Gods Raad, een mensheid gevonden worden, die de Heere dag en nacht dienen zal in het prijzen vaij Zijn Naam.

Daarom spreekt Christus hier niet alleen over Zijn dood, maar spreekt Hij hier ook over Zijn opstanding: , , opdat Ik het wederom neme".

Daarin komt juist tot uiting, dat dal inzetten van Zijn eigen leven door Jezus een gans bijzonder karakter draagt.

Hij sterft niet als een martelaar.

Integendeel, Hij gaat de dood in om het leven en de onverderfelijkheid aan het licht te brengen in Zijn verrijzenis Uit de doden.

Hij zal triumpheren over dood en graf, opdat Hij met een verheerlijkt lichaam zal opstaan. Het getuigt alles van Zijn heerschappij : , , Ik heb macht het af te leggen en heb macht het wederom te nemen".

Zo draagt dit herderschap van Christus wel een bijzonder karakter.

Hij is een Herder, die sterft ten behoeve van Zijn schapen, maar die ook opstaat uit de doden ten behoeve van Zijn schapen. Door Zijn opstanding uit de doden kan Hij de enige Herder zijn en blijven.

Als die uit de doden opgestane Herder verricht Hij thans Zijn Kerkvergaderend werk.

Dat Kerkyergaderend werk rust op de grondslag van Zijn verzoenend werk.

Wie in het geloof tot dat volkomen werk van Christus ingaat, kan verzekerd zijn van het bemind te zijn door de Vader. Want Christus predikt, dat de Vader Hem vanwege dat werk liefheeft.

Hij heeft een welgevallen aan het werk van de Zoon.

Zo dan, wie op dit werk steunt, behoeft niet te vrezen, dat de Vader op hem toornt. Dit: , , Daarom heeft Mij de Vader lief" verzekert Gods kind, dat door het geloof één plant is geworden met Christus in Zijn dood en Zijn wederopstanding, dat de Vader in liefde op hem neerziet in Zijn Christus. Welk een bemoedigende boodschap ligt dan toch in dit getuigenis van Christus. Voor die mens, die in bekommernis leeft over het missen van de liefde Gods door zijn zonde.

Voor zulk een bekommerd zondaar is dit getuigenis een prikkel om in het geloof de toevlucht te nemen en tot de Heere Jezus, als de Gekruiste en de Opgestane.

In de geloofsvereniging met Hem mag daar weer zijn een delen in de liefde des Vaders.

Wat wij kwijt zijn geraakt door de eerste Adam, krijgen wij terug in deze tweede Adam, Christus.

Het bekommerd hart vraagt: , , Hoe vind ik een genadig God voor mijn ziel".

Voor het vragende hart is deze boodschap van de Christus, als de tweede Adam: , , Daarom heeft mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg, opdat Ik het wederom neme", een wonderlijke aanbeveling van de goedheid Gods jegens hem.

Deze boodschap moet zulk een verontrust en in de bekommernis vragend mens geheel voeren tot verwondering, dat de Heere zelf een weg ontstoken heeft tot Zijn liefdehart in de gave van Zijn Christus.

Die gave des Vaders, Christus, heeft vrijwillig van Zijn leven afstand gedaan, opdat Hij de gunst en de liefde des Vaders verwerven zou.

En dat niet voor zichzelf, maar voor een volk, dat er door wederbarend werk des Geestes naar leert dorsten.

In hem, als de tweede Adam, is de liefde Gods weer teruggekeerd.

Die gave Christus, heeft dat afgelegde leven ook wederom genomen, in de triomfering over dood en graf, opdat Hij een bekommerd en verontrust volk ook metterdaad zou kunnen doen delen in die door Hem verworven gunst en liefde des Vaders.

Daarom, om dat werk, heeft de Vader Hem lief.

Derhalve mag Gods kind, dat in het vertrouwen des geloofs op Hem leunt en steunt er op rekenen, dat hij om der wille van dat Borgwerk van Christus aangenaam is bij God.

Hoe noodzakelijk is het dan, dat wij Hem kennen en bezitten door het geloof. Want Hem te kennen en te bezitten is delen in de vrucht van Zijn verdienstewerk.

Welke vrucht is-het wederom genieten van de gunst des Vaders.

Dat geloof is voorzeker gave Gods.

Maar deze Christus, Die door de Vader bemind is om Zijn werk, heeft toegezegd : , , Alwat gij de Vader zult bidden in Mijn naam, dat zal Hij u geven".

Daaronder valt ook de gave van het geloof. O, ja, dat ontvangen het geloof betekent het verliezen van het eigen leven.

Want het geloof, dat op deze Christus steunt en leunt, maakt arm in zichzelf.

Doch in die armmaking worden wij rijk gemaakt door het genieten van de gunst en de liefde Gods in Christus, onze Heere, de Geliefde  Gods !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE LIEFDE VAN DE VADER TOT DE ZOON

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's