HET MINDERHEDENVRAAGSTUK
Dat er een minderheden-vraagstuk is in de huidige kerkelijke situatie zal niemand ontkennen, en dat de leiding zich daarmede heeft bezig te houden, is een vanzelfsprekende zaak, maar dat zij het zo doet, zoals zij het doet, in allerminst vanzelfsprekend.
Het minderheden-vraagstuk is ouder dan de nieuwe kerkorde, tot op zekere hoogte ook ouder dan de organisatie van 1816, doch deze heeft er nooit iets aan gedaan, heeft het daardoor sterk bestendigd en het karakter der organisatie van 1816 gaf aan de minderheden zelfs zekere bescherming.
Deze organisatie toch was uit politieke bedoelingen geboren en was naar het voorbeeld van politiek bestel gevormd. De ontwikkeling van het staatkundig leven sedert de Franse Revolutie heeft voorts tot een toestand geleid, waarin het volk in grotere en kleinere groepen, met verschillende politieke aspiraties uiteenviel en waarin de minderheden derhalve een doodgewoon verschijnsel zijn. De moderne democratie heeft ook de hoogmoed gebroken van de liberale machthebbers, die het even gewoon vonden om minderheden te negeren.
In de politiek zijn alzo grote en kleine partijen, die ieder met een eigen politiek program naast elkander staan. Ieder op zich zelf is gewoonlijk niet bij machte dit program sociaal en politiek te verwezenlijken, zodat men in combinatie met andere partijen probeert daarvan toch zoveel mogelijk te bereiken.
Voor zover deze staatkundige ontwikkeling de vrucht is van de beginselen der Franse Revolutie, en dat is zij voor een belangrijk deel, kunnen wij daarvan weinig goeds verwachten. Wie kan trouwens verwachting hebben van beginselen, wier toepassing en doorwerking het volksleven uitèènrukken en in partijen scheuren ?
Hierin wordt een individualisme openbaar, dat geen andere levensdrang kan laten gelden als de zucht tot zelfbehoud, en mitsdien egoïsten moet kweken, voor wie naastenliefde een leuze van dwaze vroomheid is.
Het behoeft dan ook niemand te verwonderen, dat opkomst en doorwerking van deze beginselen zich in een tijd aandienen, die wordt gekenmerkt door toenemend verval van het overgeleverd geloof en van het kerkelijke leven. Reeds gedurende lange tijd had een rationalistische geest de strijd aangebonden tegen de reformatorische belijdenis. Zijn critiek tegen de leer der praedestinatie, reeds vóór de Dordtse Synode vernomen en door haar besluiten veroordeeld, zette zich aanvankelijk voorzichtig, doch allengs meer open en vrijpostig voort om eindelijk in steeds duidelijker taal zich tegen de orthodoxe belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heiligt Schrift te verzetten.
Het heeft niet aan verdedigers van de confessie ontbroken, maar ook deze waren veeltijds niet vrij van het rationalisme, dat zij bestreden, en zij waren ook onderling weer verdeeld. Met de verachtering van het gereformeerde leven slonken ook de sociale kracht en de onderlinge saambinding, zodat de partijschap de overhand nam in de kerk en dientengevolge ook in het volksleven.
Voeg daarbij nog de opvatting, welke onder de organisatie van 1816 over de handhaving van de leer werd gehuldigd, zodat van leertucht geen sprake was, dan kan men begrijpen, dat — hoewel men zeer wel wist, dat met , , de leer" de leer der confessionele en liturgische formulieren werd bedoeld —niemand op het stuk der leer lastig gevallen zou worden. In geest en hoofdzaak met de confessie instemmen scheen in het algemeen voor orthodox te kunnen gelden en de weg te banen tot een saamwonen van richtingen, die al naar de plaatselijke situatie meerderheid of minderheid konden zijn.
Deze toestand heeft derhalve een lange wordingsgeschiedenis, welke zich ten dele reeds onder het oude kerkelijke regiem, dus vóór de Franse revolutie, heeft voltrokken. De bevoorrechte positie der gereformeerde kerken hier te lande, is haar vooral in deze aangelegenheid niet onverdeeld nuttig en bevorderlijk, aan haar geestelijke welstand geweest. Haar oorspronkelijk recht om in generale synode te vergaderen ingeboet hebbende, verviel het kerkelijk leven in zeven provinciale kerken, die te rekenen hadden met de provinciale overheden, welke niet zelden de kerkelijke tucht verijdelden en zich met de kerkelijke zaken bemoeiden op een wijze, welke de waardigheid der kerk negeerde en moest schaden.
Mocht de organisatie van 1816 ter wille van de politieke eenheid en om het provincialisme te helpen overwinnen de eenheid der kerk zoeken en kon dit althans naar buiten worden bevorderd, dezelfde overwegingen, die daartoe hebben geleid, moesten er toe bijdragen, dat zoveel mogelijk zou worden voorkomen de leervrijheid te beperken. Men durfde de vrijmaking van kerk en staat, naar de befaamde leuze destijds, niet aan zonder de in zich zelf verdeelde kerk eerst in de banden van een, naar politiek model gevormde, organisatie te sluiten.
Met de voorbereiding en aanvaarding van de nieuwe kerorde heeft de Ned. Hervormde Kerk haar eigen recht hernomen en de haar opgelegde organisatie van 1816 afgelegd.
En zozeer is men overtuigd geweest, dat zij beoordeeld naar de situatie, waarin zij verkeerde en nog verkeert, en gemeten aan de eis door Schrift en Belijdenis aan de openbaring van Christus' Lichaam gesteld, nauwelijks nog kerk kan heten. De voormannen der reorganisatie hebben immers gesproken van herontdekking der kerk en tot leuze verheven, dat de kerk weer kerk zou worden, dat zij weer kerk zou zijn..
Doch geen wederkeer tot de belijdenis en de kerkordelijke beginselen der reformatorische vaderen werd geleerd en geprezen als de weg tot genezing.
Wat het eerste betreft stuitte men af op de tegenstand en afkeer van de belijdenis der vaderen, zowel openlijk als verborgen bij verschillende niet-confessionele richtingen. Het langdurig naast elkander leven van zo velen, die het geloof der kerk, zoals zij dat belijdt, niet delen, sommige hoofdstukken der leer negeren of eigenmachtig anders leren, heeft van de kerk iets gemaakt, wat slechts een misvorming kan heten en met haar wezen niet overeenkomt.
Dit maakt sanering van het kerkelijk leven wel uiterst nodig èn — moeilijk. Wie zou dit ontkennen. Het vraagt geduld, wijsheid, zelfbeheersing en bovenal geloof en verbiedt overhaasting en rigoreus optreden.
Het is echter een grondfout van de mannen, die er voor verantwoordelijk zijn, dat men begonnen is met aan de richtingen kerkelijke erkenning te schenken, ze zelfs weg te doezelen onder. het mom van , , modaliteiten" en , , minderheden" te erkennen, ja met het oog op „bepaalde" minderheden, kerkelijke bepalingen voor te stellen, om ze kerkelijke rechten te geven.
Zoals allerlei neven-organisaties van raden en commissies de presbyteriale orde der kerk doorbreken en grotendeels te niet maken, en zoals de kerkelijke regering in deze raden en commissies wordt verdeeld in velerlei schier zelfstandige departementen — alweer naar politiek model! — zo wordt ook het echt kerkelijke van de enigheid des geloofs naar de Schriften, opgeofferd aan een geest des tijds, een beginsel, dat zich zelf veroordeelt, omdat het zijn eigen vergankelijkheid in zich draagt, wat de geest des tijds heden leert, wordt morgen omgekeerd.
Minderheden! Hier zijn de gereformeerden, daar de midden-orthodoxen, ginds de vrijzinnigen aan de macht en elders vormen zij een minderheid.
Een behandeling van het minderheden-vraagstuk op voet van gelijkheid, zoals ook in deze Herderlijke brief van de Provinciale Kerkvergadering van Zuid-Holland wordt ondersteld, is goed kerkordelijk beoordeeld, onjuist. Vandaar, dat zij haar toevlucht neemt tot het kerkelijk gesprek, zonder de confessie daarbij als grondslag en kerkelijke norm aan te leggen.
Zulk een gesprek kan uit de aard der zaak niets uitwerken en alleen tot de telkens wederkerende ontdekking voeren, dat ieder zijn geloof behoudt, of zijn eigen opvatting handhaaft.
Een vermaning om zulk een gesprek te voeren „in gehoorzaamheid aan de Waarheid — dat is gehoorzaamheid aan Jezus Christus" — en , , dat dit altijd leidt tot broederliefde" is hoe goed bedoeld, toch ontoereikend, omdat die gehoorzaamheid en die liefde er niet zijn zonder waarachtig geloof in de Christus, n.l. de Christus der Schriften.
Wat wil de Provinciale Kerkvergadering van Zuid-Holland zeggen, als zij spreekt over , , het beeld van Christus ons in de bijbel getoond, " als het minderheden-vraagstuk, waarmee zij bezig is, zelf bewijst, dat velen de belijdenis der kerk aangaande de Heilige Schrift verwerpen, althans daarmede niet instemmen ?
Wat bedoelt de Provinciale Kerkvergadering met , , de tundamenten van het belijden" en wat kan dit betekenen, als men minderheden erkent, die krachtens hun eigen opvattingen èn tegenover de Schrift, èn tegenover zeer voorname stukken der belijdenis : denk aan de leer der praedesinatie, afwijzend en afwijkend staan ?
De dreiging met een aanklacht bij de commissies voor het opzicht aan het adres van hem, die hulpdiensten verleent, is op zich zelf niet zo misplaatst. Er zijn predikanten, die in een gemeente, waar zij niet thuis horen, , , diensten" houden, zelfs in gemeenten, die naar de belijdenis begeren te leven. Dit is ordeverstoring en dat mag ook niet worden toegestaan volgens de beginselen van gereformeerd kerkrecht.
Maar, zoals het door deze Provinciale Kerkvergadering wordt voorgesteld, kan deze maatregel tot grote willekeur aanleiding geven, omdat men geen onderscheid maakt tussen legitieme leden der kerk en hen, die op zulk een waardering geen recht kunnen laten gelden. aangezien zij van de belijdenis op fundamentele stukken afwijken.
Men diende ook een legitiem kerkelijk streven om naar de belijdenis kerkelijk te leven te onderscheiden van strevingen, die een andere kerk en een ander geloof wensen.
Omdat men de belijdenis in de behandeling van het , , minderheden-vraagstuk" niet laat functioneren, heeft het ook weing zin om te spreken van een , , gewettigde verscheidenheid binnen het kader van artikel X". Wat valt wel en wat valt niet binnen het kader van artikel X?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's