MEDITATIE
IK ZAL VAN HET BESLUIT VERHALEN. PSALM 2 VERS 7a.
Psalm 2, waarde lezers, valt uiteen in 4 groepen van elk 3 verzen. De eerste 3 verzen tekenen ons een tafereel op de aarde : de gevallen Adamskinderen heffen in hun opstand tegen God en Zijn Gezalfde de leuze aan : , , laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen". Zelfs de vorsten doen daaraan mee. Zo woelen de volken als een bewogen zee haar slik en schuim op. Ja, 't rumoer der volken, het gedruis der aarde, de wereld, zoals ze reilt en zeilt, in haar Godvergetenheid, afval, ijdelheid en goddeloosheid —, ze levert ons op een woelige chaos, vol dreiging, vol brutaliteit en goddeloosheid.
Het tweede drietal verzen verplaatst ons in de hemel. We worden hier bepaald bij de macht Gods, die het laatste woord heeft. Hij laat veel toe, een tijd lang, doch uiteindelijk zal Hij overwinnen. Hij heeft niet voor niets een Koning aangesteld; deze zal heersen en overwinnen. Hij laat de vijanden maar wat begaan in de rustige wetenschap, dat Hij straks zal triompheren. Die in de hemel woont, , , lacht" om hun waan: Hij weet wat er van dat alles worden zal. Het zal op eeuwige ondergang uitlopen, als Hij maar even Zijn hand zal opheffen in Zijn grimmigheid, als Hij maar even 'n enkel woord in Zijn toorn zal spreken.
Vers 7—9 komt nu Iemand een geheim verklappen, waarom de afloop zo zal zijn. We mogen horen van een Besluit, 'n afspraak tussen Vader en Zoon, toen God Zijn Zoon, van eeuwigheid gegenereerd, in een eeuwig heden, aanstelde, om in Sion, het uitverkoren volk, de wereld te behouden, als het erfdeel der genade, en de vijanden, die weigeren de knie te buigen, als een pottenbakkersvat te verpletteren.
De laatste 3 verzen komen vermanen tot bekering en bemoedigen met het aanbod der genade : om verstandiglijk te handelen, bijtijds de wijste weg te kiezen: „kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, dient de Heere. laat u tuchtigen, ook gij, o Richters der aarde". Zo schittert ook in deze Psalm, vol gericht, nog door de glans der genade.
, , Ik zal van het besluit verhalen".
In dit woord worden we teruggeleid, mijn lezers, in de nooit begonnen eeuwigheid. God handelt als een wijs architect. Deze gaat toch ook zó maar niet de stenen op elkaar stapelen, onder het werk pas bedenkend hoe het te doen ? Hij heeft bestek en tekening eerst klaar gemaakt. Eerst uitdenken en besluiten — daarna pas uitvoeren. Zo ook heeft God van alles wat op deze wereld , , in de tijd" geschiedt, eerst het besluit genomen. Al die besluiten tesamen noemfen we , , de Raad Gods". En het besluit, om en hoe verloren zondaren te redden, noemt men theologisch , , de Raad des Vredes" of , , het Verbond der Verlossing" We moeten hier zeker oppassen, dat we niet menselijk van God gaan denken, vooral niet God , , ongerijmde dingen" toedichten. Dit toch is de grote moeilijkheid. In God is alles een volmaakte eenheid, en ook een eeuwige eenheid, en wij moeten de besluiten na elkaar plaatsen, voor ons besef soms vol tegensteliingen. Dit is ook de oorzaak van de strijd tussen de bovenvaldrijvers en benedenvaldrijvers. Met de vaderen van de Dordtse Synode zijn we geneigd, menselijk en eerbiediglijk, zonder de ere Gods tekort te doen en zonder ons ethisch gevoel te kwetsen (alsof God , , de Auteur der zonde" zou zijn !) het zó te stellen: eerst het besluit, een wereld, o.a. met mensen te scheppen: daarna, dat die mensheid zou vallen ; en dan dat besluit, om zondaren uit dat verloren Adamskroost te redden.
Dat laatste besluit, waarde lezers, deze , , Raad des Vredes", dat is de oorsprong, begin, drijfkracht en waarborg van alle heil. Letten we op de genade, de inhoud en de vastheid daarvan.
Wat heeft dat Engelenlied heerlijk geklonken, waarde lezers, dat zong van welbehagen-in de mensen, de gevallen zondaren. Dat mag nooit een vanzelfsprekende zaak voor u worden, noch minder gewoonweg een recht. Het zal altijd een wonder moeten blijven ; een wonder worden óf reeds zijn voor u, o wegloper uit het Paradijs, deserteur en rebel, die van God afweek, met de bedoeling om nooit meer naar God terug te keren. Behoefden we niet te sterven, was er geen leed, we zouden God nimmer nodig hebben. Nu nog zoeken we Hem om , , de broden" en , , de tekenen", zoeken Hem als hemelzoekers.
Niet in gevallen Engelen een welbehagen ! God laat ze in hun zonde voortwoelen, in hun val liggen. Naar Zijn recht gaat Hij hen voorbij met Zijn genade-bemoeiingen. O, als Hij dat óok met u en mij doet, waarde lezers, als Hij ons overgeeft aan het goeddunken van ons hart —, dan is het verloren. Daarom, o wonder van Gods vrije souvereine genade, dat Hij naar zondaren omzag, in Zichzelf bewogen, door Zijn deugden aangespoord. Gedachten des vredes, terwijl Hij gedachten van toom over ons mocht koesteren. Wat is de mens, o God, dat Gij hem acht en gunsten wil bewijzen? Het is om te „duzelen", zei 'n vrouwtje op de Veluwe, als ze dat mocht inleven, dat God, met voorbijgang van anderen, in de nooit begonnen eeuwigheid, al op haar had neergezien. Wat is het, dat Gij hebt omgezien naar 'ri dode hond, als ik ben. Dat Ge hem zocht, , , die naar u niet en vroeg", zong Da Costa. Ja, ongezocht, ongekocht, heeft God het initiatief genomen. Uit Hem en door Hem en tot Hem is óók het werk der zaliging.
Wij hebben geen deputatie tot God gezonden, smekend om redding: wij waren er zelfs nog niet. Vóór de val had God de remedie al klaar.
Maar zondaren redden — dat is een moeilijk werk, waarde lezer. Dat is , , een schuldige onschuldig verklaren". En, God zegt dat Hij een rechter, die dat doet, een gruwel acht. Hoe zal de grote Rechter der ganse aarde dat „probleem" oplossen : schuldigen vrijspreken en tóch een heilig, eerlijk God blijven? De heiligheid Gods heeft een afkeer van de zonde : zij kan de zonde niet aanschouwen, die dwaasheid, die brutaliteit. De gerechtigheid Gods laat het niet bij afkeer en weerzin tegen de zonde, zonder daadwerkelijk op te treden, neen, zij treedt op als werkende energie in God, die straffende en wrekende reactie in God, die niet alles door de vingers ziet, alles maar , , blauw blauw" laat, zoals de kinderen, zeggen, neen, , , die niet horen wil, moet voelen", de gerechtigheid houdt aan op straf.
Het is , , niet eender" wat we doen en zeggen, zo spreekt ook het natuurlijk zedelijk besef. En de H. Schrift leert ons dat God geen ledig toeschouwer is. De mens, die zondigt, die zal sterven. Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in hetgeen in het boek der Wet staat, om dat te doen.
God is nu bovendien, ook nog als waarachtig God, die Waarmaker is van Zijn woorden, zowel de beloften als de bedreigingen, verplicht de zonde te straffen. Hij zou een Leugenaar worden, een ijdele Woordbedreiger, een God, waar we geen staat op kunnen maken, als Hij de zonde niet strafte. Dan zou de slang in het Paradijs gelijk hebben gehad : , , 't is niet waar, dat ge de dood zult sterven, als ge van deze vrucht eet; integendeel, ge zult juist een stap omhoog gaan, ge zult als God zijn". En, waarde lezer, zoudt ge dat willen, dat God een Leugenaar zou zijn ? Als ge iets gevoelt voor de ere Gods, dan zegt ge : , , Neen, al moet ik er zelf bij ondergaan".
Met eerbied gesproken. God mag ook , , niet zeggen wat Hij wil". God mag niet liegen. God kan niet liegen. Dat , , moeten" is trouwens een , , allergenegenst willen", zegt Hellenbroek. Er is een Arabisch spreekwoord: , , als het woord de omheining der tanden ontvloden is, is dat woord Heer en Meester over ons".
Ja, hebben we eenmaal iets gezegd of beloofd, dan zijn we moreel verplicht dit woord na te komen.
Om Zijn heiligheid. Zijn gerechtigheid. Zijn waarachtigheid wil, moet en zal God de zonden straffen.
Maar, hoe zal dan de gevallen zondaar, die de schuld dagelijks groter maakt, zalig worden ? En toch. God wil dat naast Engelenstem ook mensentong Hem eeuwig zal verheerlijken in 't Hallel, het lied van Mozes en het Lam Gods, om eeuwig te zingen van Gods goedertierenheên. En nu heeft God , , het plan uitgedacht", o diepte der wijsheid en kennisse Gods, o reddende zondaarsliefde, om de schuld door een Ander te laten betalen. De schuld móét betaald, de straf móét geleden, de gerechtigheid móét voldaan worden. Doch nu geeft Hij Zijn Zoon, de ééngeboren Schootzoon, in onze plaats over aan het recht, dat z'n loop moet hebben. , , Mijn Zoon, wilt Gij betalen de schuld der zondaren? Dan kan Ik heilig blijven en toch genadig zijn. Eis van Mij : Ik wil de uitverkoren en straks verloste zondaren U geven als Uw eigendom. , , Als Ge Uw ziel tot een schuldoffer gesteld zult hebben, zult Ge zaad zien". Ze zullen Uw onderdanen zijn. Ge zult er Koning over zijn. Ik zal U met heerlijkheid kronen na de diepe vernedering tijdens het werk der verzoening op aarde, en de Bruidsgemeente zal eeuwig de Uwe zijn. Toen heeft de Zoon aanvaard, waarde lezer, . tot ere des Vaders en tot redding van een wereld, verloren in schuld, de verwerving des heils op Zich te nemen, in de volheid des tijds, om g[eboren te worden in de kribbe en gekruisigd op Golgotha. Dit was de handslag van Vader en Zoon. Bij deze , , onderhandeling", zoals de vaderen zeiden, is het verbond der verlossing beklonken. , , Zie, Ik kom ; Mijn liefde en ijver brandt". En de Vader zwoer een eed bij Zichzelve: niet voor de Zoon nodig, maar opdat wij, ongelovige, twijfelzieke, onwaardigen, 't later vernemende, te vaster zouden geloven dat het God heilige ernst is, zondaren te verlossen. De Zoon zou lijden en sterven, als de schuldbetaler en de hitte van Gods gramschap' blussen.
, , Neem Mij dan, doch laat dezen henengaan!" — en God de Vader zou de Zijnen, de uitverkorenen, de gegevenen des Vaders, het bundelke der levenden, vrijspreken van schuld en straf en schenken het eeuwige leven. Ja, zo begrijpen we, dat de redding van de zondaar, voor ons enkel loutere genade, tussen Vader en Zoon een zaak van recht is.
, , Vader, Ik wil niet dat deze in de verderfenis nederdale ; Ik heb verzoening voor hem, voor haar gevonden!" Sion zal door recht verlost worden. De Vader heeft verkoren. De Zoon nam op zich als Borg te betalen en de Heilige Geest zou toepassen en de weldaden uitdelen. Ziedaar het overleg, nu niet om „mensen te maken", doch om zondaren te verlossen. Overal in de Bijbel, waar sprake is van Christus als de Dienstknecht des Heeren, die een opdracht heeft te vervullen, èn waar Hem een loon en heerlijkheid in uitzicht wordt gesteld, wordt op deze zaken gedoeld.
, , Ik zal van het besluit verhalen". Ja, zo kunnen we hoopvol voorwaarts gaan, , ook in het nieuwe jaar. Wat de toekomst overigens ook brengen moge, één ding staat vast: , , het welbehagen Gods" in Christus zal gelukkiglijk voortgaan. God realiseert Zijn Raad, ook de Raad der vredes. Hij zal vrede maken in zondaarsharten op aarde, Gode tot eer, en ons tot zaligheid. Dit verbond zal niet gebroken worden. Vader, Zoon en Heilige Geest, zijn het gedrieën volkomen eens in dit stuk. Boven staat de zaak der te redden kerk vast! Ik weet, hoe het vast gebouw van Uw gunstbewijzen, in eeuwigheid zal rijzen!
Het werkverbond, waar Adam moest zorgen voor de voorwaarden en eisen, is gebroken. Hij bezweek voor de verleiding, bracht er niets van terecht. Uit het vlees, door de werken der Wet, zal geen mens behouden worden. Krachteloos, verloren, schuldig.
In dit verbond heeft God de verplichtingen op Christus gelegd en die is getrouw bevonden. Hij werd geperst, om met die doop gedoopt te worden. Hij heeft de beker — het was immers nodig — tot op de bodem geledigd. Hij heeft volbracht wat Hij toezegde en moest doen. , , Het is volbracht". Betaald tot de laatste penning toe. Doch nu zullen de zegeningen van dit Verbond ook wis en zeker ten deel vallen allen, , , die Hem liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn". Een schat van zegeningen zal hun ten deel vallen, deze gewisse weldadigheden Davids. Er zal er niet één verloren gaan. Geen klauw zal er achterblijven. Ze worden in de kracht Gods bewaard. Nu mag de hel vrij woeden. Vallen — ja, dat kan. Struikelen — helaas, maar al te vaak, doch zij zullen binnengaan van Oost en West, van Noord en Zuid. Juda zal verlost worden van dien, die sterker is dan hij. Door U, door U alleen ! Houdt moed, godvruchte schaar. Uw hart zal vrolijk leven. De Opperste Leidsman en Voleinder des geloofs staat er borg voor.
Voor wie Is deze zaligheid nu ? , hoor ik u vragen. Voor allen, die de zaligheid buiten zichzelf zoeken, iri de van God gestelde Borg en Middelaar Jezus Christus, die door verdiensten en toepassing een volkomen Zaligmaker is. Ach, dat ge dan dat ijdele, roemen op deugden en plichten moogt afleren. Dat ge een arm zondaar moogt worden. Dan zal God op u nederzien. Die in het stof ligt neergebogen, wordt door Hem weer opgericht. Geen tranen, gebeden, enz., als leunsel en steunsel. Die éne offerande van Christus alléén, naar de beloften van het Evangelie.
Voor allen, die het recht Gods hebben leren billijken en hun vloekwaardigheid erkennen. Die , .behoren" bij God: die blijken , , der goddelijke natuur" weer deelachtig te zijn geworden. Die durven niet zó maar, met een humanistisch praatje, van vertrouwen te spreken in „de liefde Gods", die flauwe, lauwe, onverschilligheid Gods ten opzichte van goed en kwaad veeleer is te noemen. Zonder Christus is God een veterend vuur ! De heidenen beseffen nog, dat er een , , offer", hoe foutief ook opgevat, nodig is om de breuk tussen God en mens te herstellen. De , , moderne" heiden kent de heilige Majesteit Gods niet, noch de zonde, als 't moedwillig schudden aan de pilaren van Gods troon. Ni Dieu, ni maitre, de revolutie-geest, reeds uit het Paradijs. Maar waar de Heilige Geest Godskennis en zelfkennis werkte, is er voldoening nodig en die is niet door ons te voldoen, doch door een Ander, Jezus Christus, de schuldovernem: ende en uitdelgende Borg. Die gaat bewonderen het besluit Gods in de vrederaad.
Voor allen, die zo tot zuivere wederliefde gedrongen worden, om, niet in een knechtelijke geest, om loon, doch als kinderen Hem te dienen in liefdedienst, die nooit zal verdrieten.
Die de drieënige God eren — geen halve Zaligmaker., zoals de Remonstranten — en eeuwig begeren groot te maken, voor 't smaken Zijner zaligheên.
Doch, die de zonde licht, verzoening niet nodig, Christus overbodig achten, die onberouwvol in de wereld volharden, zij zullen , , buiten" blijven, waar wening is en knersing der tanden.
J, Lekkerkerker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's