MEDITATIE
„........EN HIJ GENAS ALLEN DIE KWALIJK GESTELD WAREN”.
De gevolgen der zonde kunnen het leven van de mens op aarde schrikkelijk versomberen. Wat kan de dood van één onzer geliefden ons niet moedeloos, ja, soms radeloos maken. Wat kan een langdurige, slepende ziekte ons niet zwaarmoedig, ja soms verbitterd maken. Wat kan een ziekte als die der krankzinnigheid niet telkens de tranen in..onze ogen brengen.
Ook in de dagen van de Heere Christus werd gezucht onder de gevolgen der zonde. Als men hoort van Zijn wonderbaarlijke macht, dan stroomt men van alle zijden toe om van Hem geholpen te worden.
Allen willen wel bevrijd worden van de last der plagen en genezen worden van de kwalen, waaraan zij lijden. Dit is menselijk en volkomen begrijpelijk. Daar mogen we niets kwaads van zeggen, noch denken. Als we niet ziek zijn en niet gebukt gaan onder de soms ondragelijke last hiervan, is het gemakkelijk spreken en oordelen. Zij gevoelden hun nood en begeerden één ding : Beter te mogen worden.
En zie, nu doet de gelegenheid zich voor, wie zou deze niet willen benutten?
Het is al laat, als de zieken tot de Heere Christus worden gebracht. We lezen in het Evangelie van Marcus, dat de Sabbat voorbij was, daar de zon reeds was ondergegaan. Nu mogen zij tot Hem gaan, nu is het voor hen de gelegen tijd.
Is dit ook zo voor de Heere Christus? De dag is voor Hem zeer vermoeiend geweest en Hij zal ongetwijfeld verlangd hebben naar rust. Toch wijst Hij hen niet af, maar is tot hulp gereed. Ligt hierin niet een stille vermaning voor Zijn discipelen, toen en nu, om tot hulp gereed te zijn, ondanks het ongelegen uur? Dit leide ons tot zelfonderzoek, waar we, het kan niet anders, alleen maar schuld uit opdoen.
Ligt hierin ook niet een troost voor hulpzoekenden, al komen ze als de dag bijna ter kimme is. „Wie tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen". Dit brenge ons tot de grootste ootmoed, waar wij geneigd zijn op onze „gelegen tijd" te wachten.
Wie zijn het nu, die tot Hem komen ?
U zult zeggen: , , Dat is duidelijk, dat zijn degenen, die kwalijk gesteld zijn".
Inderdaad, maar er is eerst nog wat anders van hen te zeggen. Het zijn lieden uit Kapernaüm en omgeving, en van Kapernaüm zegt Christus in Matth. 11 VS. 23 : , , En gij, Kapernaüm, dat tot de hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden ; want zo in Sodom die krachten waren geschied. die in u geschied zijn, het zou tot op de huidige dag gebleven zijn".
Wij zijn geneigd ons verwonderd af te vragen : „Had de Heere Christus zich niet beter te ruste kunnen begeven. Hij wist toch, wat er in de mens was en kende het pover resultaat van Zijn krachtige werken in Kapernaüm? "
Toch wijst Christus hen niet af. Ook hierin ligt een stille vermaning voor Zijn discipelen van toen en nu. Wat zijn we niet gauw geneigd tot slappe handen en trage knieën, als we povere resultaten vermoeden, nog niet eens weten!
Wederom, ligt hierin een troost, dat de grote Medicijnmeester Zijn werk voortzet, ondanks de weinig belovende plaats Zijner arbeid. Toch ligt hier ook een ernstige bedreiging in ; hoeveel te zwaarder zal hun oordeel zijn. Zij hebben immers ondervonden hoe groot de barmhartigheid Gods is, dat Christus hen allen genas. Het was met hen niet zó, dat zij niet geloofden in Zijn macht, hun komen tot Hem getuigde ervan. Het was niet daar, dat Christus geen wonderen kon doen vanwege hun ongeloof.
Oh neen, zij hadden oog voor Zijn macht en hebben zij Zijn bereidwilligheid mogen ondervindeia.
, , Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren".
Ondanks deze krachten bekeerden zij zich niet en aanvaardden zij Hem niet als de Christus der Schriften, Die gekomen was om zondaren zalig te maken. Het wonderteken der genezing was voor hen genoeg; ze waren bevrijd van datgene, waaronder zij zuchtten. Van de oorzaak der kwalen hadden zij geen last en hadden daarom de Heere ook niet meer nodig.
Och, zijn wij van nature niet van ditzelfde geslacht?
Ons leven wordt menigmaal verdonkerd en versomberd door de gevolgen der zonde, maar is er wel verdriet en smart "Vanwege de oorzaak ?
De Heere betoont Zijn almacht en bereidwilligheid, daar Hij hen geneest van hun kwalen. Zijn discipelen van toen en nu worden hierdoor vermaand niet onverschillig te staan tegenover de lichamelijke noden van de mens. De zieken behoeven hun gebed en gave de zorg voor zieken is een bij uitstek Christelijke taak. De zieken worden getroost, wijl Hij door Zijn Goddelijke kracht ook de gevolgen der zonde bestrijdt. De Heere vergeet het geroep der ellendigen niet. Hij heeft het leven der mensen niet geleid, maar geleden. Daarom kent Hij de last, die de mens zich door de zonde opgelegd heeft.
Groot is echter Zijn toorn, als de blinde en dwaze mens de krachten niet ziet, waarmede Hij krachtiglijk bewijst de Zoon van God te zijn, Die niet alleen de gevolgen der zonde bestrijdt, maar ook de oorzaak. Daarom draagt Hij de Naam van Zaligmaker, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden. Mattheüs wijst in het volgende vers er opi, dat Hij de Schriften vervult.
Zie, dat verstaan de lieden uit Kapernaüm ten enenmale niet.
Verstaat gij er iets van, die dit leest? Hoe hebben wij persoonlijk Christus leren kennen? Zijn we niet allen geneigd de zekerheid des geloofs afhankelijk te, stellen van een wonderteken ? Nu, wonderen heeft men in Kapernaüm in ruime mate gezien en toch heeft het hen niet op de knieën gebracht voor Christus. Zij waren en bleven blind voor het Middelaarswerk van de Borg.
Zijt gij er óok nog blind voor ? Och, sla u dan vooral niet op de borst, dat u beter bent dan zoveel oppervlakkige Christenen, die Christus „zomaar" aanr nemen, want het is een kwalijke toestand, waarin ge verkeert, die niet verbetert, zolang ge, u aan anderen spiegelt. Christus verwijt het Kapernaüm, dat het zich niet bekeerd heeft, ondanks de weldaden, aan haar bewezen. Hij genas daar allen, die kwalijk gesteld waren. Met hoeveel weldaden zijt gij omringd geworden ? Gij, die van uzelf geen enkele verdienste kunt laten gelden?
Misschien wordt het u benauwd in het gemoed, daar ge het moet erkennen dat ge wel zucht onder de noden en zorgen van het leven, maar niet verstaat hetgeen de dichter zingt:
„Want mijn hoofd is als bedolven in de golven van mijn ongerechtighêen".
Is het zó kwalijk met u gesteld ? Wil dan niet met de lieden van Kapernaüm blijven staan bij het wonderteken der genezing. Laat het u mogen brengen bij Hem, Die de Schriften vervult.
Zeg niet: het is al zo laat. Zeg niet: het zal toch niet baten. Christus wees hen niet af, zou Hij u dan wèl afwijzen ? Waarom ? Wie maakt u dat wijs ? Gods Woord zegt u dit niet. Mattheüs spreekt door de Geest en de Geest stelt de Zaligmaker voor in Zijn liefelijkheid en Zijn begeerlijkheid, opdat Hij, als de 'Beminnenswaardige, uw liefde zou opwekken en Hij door u verkozen zou worden boven alle schatten der wereld.
Verwacht het dan niet van een wonderteken ; ge zoudt er nog een grond van maken. Het is Zijn Geest, Die u kan onderwijzen in de rechte kennis van uw onmacht en onwil, van uw zonde en ongerechtigheid, en Hij doet dit door het levende Woord, opdat Hij u door het geloof de Christus lone in Zijn Macht en Majesteit, maar ook in Zijn, misschien wonderlijk gezegd, ongelooflijke Bereidwilligheid.
Zie, al pakken de wolken dan zich samen en wordt uw leven verdonkerd en versomberd door de gevolgen der zonde, dan kunt ge met Psalm 23 zeggen : , , A1 ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen ; want Gij zijt met mij ; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1956
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1956
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's