De Dordtse leerregels
Hoofdstuk I. Artikel 6. Dat God sommigen inde tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voor uit Zijn eeuwig besluit. „Want Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekende'. (Hand 15 VS. 18), en „Hij werkt alle dingen naar d Raad Zijns willens". (Efeze 1 vs. 11).
Hebben wij in het vorige stuk een overzicht over de gehele inhoud van artikel 6 gegeven, nu moeten we de afzonderlijke onderdelen en vooral de bestredene onder de ogen nemen. Hier immers beginnen voor velen de bezwaren tegen de Dordtse Leerregels. Die twee woorden , , eeuwig besluit" brengt menigeen in 't geweer. Wij kunnen in deze serie artikelen onmogelijk op dit hele vraagstuk ingaan, maar de hoofdzaken willen we toch noemen. Het is tegenwoordig wel in veel kringen een toegegeven zaak, dat het geloof een gave, Gods is. Dat hebben trouwens de Remonstranten vroeger ook beleden. In hun artikel 3 stelden zij : , , Dat de mens het zaligmakend geloof niet heeft van zichzelf, noch uit kracht van zijn vrije wil, alzo hij in de staat der afwijzing en der zonde niets doet, dat waarlijk goed is (gelijk inzonderheid is het zaligmakend geloof) uit en van zichzelven kan denken, willen of doen, maar dat het nodig is, dat hij van God in Christus, door Zijn Heilige Geest, wordt herboren of vernieuwd, in zijn verstand, affectie of wil en alle krachten, opdat hij het ware goed terecht moge verstaan, bedenken, willen en volbrengen".
Men zou haast denken, dat het niet gereformeerder kan. Toch verwierpen deze Remonstranten de leer der uitverkiezing. Want hoe hoog zij ook de genade roemen, het is helpende genade. Zij is niet onwederstandelijk. De mens heeft de laatste beslissing in handen. We zien dat duidelijk in artikel 4 van de Remonstranten: , , Dat de genade is het begin, de voortgang en de volbrenging alles goeds, ook zo ver, dat de wedergeboren mens zelfs zonder deze voorgaande of toekomende, opwekkende, volgende en medewerkende genade, noch het goede denken, willen of doen kan, noch enige tentatiën ten kwade weerstaan, zodat alle goede daden of te werkingen, die men bedenken kan, aan de genade God in Christus moeten toe . geschreven worden; maar wat de manier van de werking der genade zelve aangaat, die is niet onwederstandelijk".
Ik vraag mij bij zulke geloofsformuleringen af, aan wie God deze helpende genade schenkt? Doet Hij dit aan mensen, die het zich waardig hebben gemaakt, of doet Hij dit aan alle mensen ? Maar genoeg, het zij nu duidelijk, dat de Remonstranten, en dat geldt ook voor die van 1956, leren dat het geloof een gave Gods is.
Aan wie schenkt God deze genade? Daarop krijgt men zelden een antwoord. Men komt er immers niet graag voor uit, dat men de laatste grondslag van 's mensen zaligheid in de mens wil leggen.
Maar de gereformeerde belijdenis komt wèl recht voor haar gevoelen uit.
Dat God sommigen met het geloof begiftigt, komt voort uit Zijn eeuwig besluit. De zaken staan dus zó. Er is een gevallen mensheid. Al de leden daarvan, ook al horen zij het evangelie, blijven ongelovig staan tegenover Christus uit en van zichzelf. Maar nu schenkt God aan sommigen uit deze ongelovigen het geloof in Christus. Aan wie ? Aan hen, die Hij daartoe heeft verkoren. Wanneer heeft God hen daartoe verkoren ? Voordat Hij deze wereld schiep, dus in de eeuwigheid. Dit wordt in deze tijd bestreden. Men wil het zó voorstellen, dat God niet met het geloof begiftigt, die in dat eeuwig besluit zijn verloren, maar die Hij tijdens hun leven verkiest. Het is niet zo, dat de zondaar reeds uitverkoren is voordat hij wordt geboren. Neen, God doet hem eerst geboren worden en dan verkiest Hij hem of laat hem liggen of verkiest hem vandaag en verwerpt hem morgen, en zo maar door. Men noemt dit laatste : verkiezing als daad. Een heel eigenaardige naam, want de eeuwige verkiezing is niet minder een daad Gods. Doch goed, Adam had in het paradijs de gave van de juiste naamgeving, doch wij zijn die door de val zeker ook verloren.
Hoe spreekt de Heilige Schrift over deze dingen?
Misschien mag ik op deze vraag antwoorden met teksten uit het antwoord, dat Calvijn op deze vraag heeft gegeven. In de eerste uitgave van zijn Institutie, dus in 1536, schrijft hij kort over de uitverkiezing. De eerste tekst, die Calvijn daar naar voren brengt is Efeze 1 VS. 4. In de weerlegging der dwalingen, gevoegd achter hoofdstuk I der Leerregels, wordt dezelfde tekst genoemd. Daar is het grote punt van de eeuwige verkiezing klaar uitgesproken met de woorden: „Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld". M.i. is met deze tekst alles in beginsel beslist. De apostel zegt niet: Gelijk Hij alle mensen uitverkoren heeft, maar hij spreekt van ons, d. w.z. de gemeente des Heeren. Het woord uifverkoren wijst aan, dat er een volheid is, waaruit verkoren wordt. Het is niet een menigte in zijn geheel. Het is uit een menigte. Het Woordenboek zegt: „De keuze geschiedt uit een volheid, die ter beschikking staat". Dat geldt ook voor de uitverkiezing. , , De keuze uit een andersoortige volheid blijft in het gezichtsveld, al wordt het niet altijd uitgesproken". Nog een opmerking uit het Woordenboek met betrekking tot Efeze 1 vs. 4: , , Dit is de enige plaats in het N.T., waar uitverkiezen zo nadrukkelijk met het accent van de eeuwigheid wordt voorzien".
Ik mag dus wel aannemen, dat deze tekst een stevige grondslag is voor de uitspraak van de Leerregels : , , Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit". Nu zegt men tegenwoordig graag dat God de vrijheid heeft om dit eeuwig besluit te veranderen. Men wil immers een veranderlijke uitverkiezing. Die vandaag uitverkoren is , kan morgen wel verworpen worden en dan overmorgen weer uitverkoren, enz.
Bedenken deze wonderlijke theologen wel, dat dan heel de kracht van Efeze 1 va. 4 en alle dergelijke plaatsen weg is ? „Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in Christus, want Hij hééft ons uitverkoren in Hem voor de grondlegging der wereld". Dat staat er. Maar als nu de uitverkiezing morgen ongedaan gemaakt kan worden, wat dan ? Als ik deze tekst lees, klinkt het mij in de oren als een juichkreet, omdat de zaligheid zó vast ligt. Dr. Woelderink heeft in zijn boekje over „De Uitverkiezing" vooral propaganda willen maken voor de verkiezing als daad. Hij schrijft op blz. 53 : , , Doordat de verkiezing, het uitkiezen en uitnemen, dat altijd in het uitkiezen besloten ligt, in het Nieuwe Testament gedurig als daad van God gezien wordt, is de keerzijde der verkiezing niet alleen de verwerping, maar kan de verkiezing ook in een verwerping veranderen, zoals de verwerping in verkiezing kan worden gewijzigd".
Als het zó met God staat, dat Hij iedere dag veranderen kan ten opzichte van de mens, kan men dan niet beter angstig in een hoekje gaan zitten, in bange vrees voor die veranderlijke God?
Ja maar, zal iemand zeggen. God zal niet veranderen, als gij maar niet verandert. Helaas, ik verander wel tienmaal per dag. Moet mijn trouw, mijn geloof, mijn blijven bij God en Zijn geboden, moet dat mijn verkiezing bewaren? Dan is het voor eeuwig verloren voor mij. Want willen die wonderlijke theologen toch als zij hoog opgeven van de genade Gods, doch Hem voorstellen als een veranderlijk God, die elke dag kan laten varen wat Zijn hand begon ?
Gelukkig spreekt de Schrift anders. Daar lezen wij in Rom. 11 : 29 dat de genadegiften en de roeping Gods onberouwelijk zijn. Uit Romeinen 8 weten we dat de roeping de uitwerking is van Gods verkiezing. Gods verkiezing, Gods roeping en Gods genadagven tot zaligheid, die daaruit voortvloeien zijn onberouwelijk. Dat is wat anders dan een verkiezing, die verwerping wordt.
Waarom zou ook God de Heere veranderen? Hij heeft Zijn Kerk uitverkoren , , voor de grondlegging der wereld". De H. Schrift spreekt ook van , , vanaf de grondlegging der wereld". Daarmee wordt de eeuwigheid van de Raad Gods uitgedrukt, die gereed lang toen de wereld gechapen werd en die in de tijd van het einde wordt gerealiseerd. In Matth. 25:34 lezen we van , , het Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld". Wat de theologen van de veranderlijkheid Gods met deze tekst moeten beginnen weet ik niet. God is veranderlijk. Die Hij vandaag verkiest, zou Hij morgen kunnen verwerpen. Het gedrag der mensen geeft hier de doorslag. En wat is er van de mens te verwachten ? Als wij een veranderlijke God hebben, en als de mens de doorslaggevende factor is, dan kon er aan het eind der tijden wel eens niet één schaap zijn. Hoe kan de Heere Jezus dan zeggen, dat er schapen zullen zijn tot wie gezegd zal worden : U is het bereid van voor de gronlegging der wereld ? Als er geen voornemen Gods is, dat eeuwig vast staat, wat staat er dan wel vast ? Maar het staat vast. En Gods Raad lag vast, toen de grondlegging der wereld begon. Deze Raad zal bestaan en niet veranderd worden en God zal al Zijn welbehagen doen. Ook in Openb. 13 : 8 vinden we gesproken over „vanaf de grondlegging der wereld". En allen die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lams dat geslacht is, van de grondlegging der wereld". In dezelfde geest Openb. 17:8: „en die op de aarde wonen zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld)"
Men heeft wel eens ontkend, dat er voor de verwerping een tekst in de Schrift zou te vinden zijn. Dat zou alleen gevolgtrekking zijn uit het feit der uitverkiezing. Dan zou ik toch de aandacht willen vestigen op deze teksten uit Openbaring. Daar wordt gesproken van „sommigen", die het beest zullen aanbidden. Wie zullen het doen? Zij, wier namen niet staan geschreven in het boek des levens. Wanneer zijn die namen daar niet in geschreven. Vóór de grondlegging der wereld niet. Deze zijn dus niet begiftigd met het geloof, omdat zij in dat boek Gods, dat van eeuwigheid bij God is niet geschreven stonden. De Leerregels zijn in de eerste zin van artikel 6 geheel conform de Heilige Schrift. Weliswaar heeft men wel eens voorgesteld om Openb. 13:8 zo uit te leggen, dat het Lam geslacht zou zijn van voor de grondlegging der wereld, maar Greydanus schrijft : de woorden van de grondlegging der wereld, behoren blijkens 17 : 8 bij geschreven en niet bij geslacht. Toen : bij de eerste aanvang der wereld stonden deze namen reeds in het boek. Zij zijn er dus van eeuwigheid in geschreven". Dit laatste geldt natuurlijk voor de uitverkorenen. Aangezien er een bange tijd zal komen, ligt in dt geschreven staan in het boek des Levens hun vastigheid. Wie de uitverkiezing als een vast voornemen Gods ontkend heeft helemaal geen vastigheid meer. Hadom tekent bij Openb. 13 : 8 aan: „van de grondlegging der wereld hoort bij geschreven. Praedestinatie". Het is zo wel duidelijk. Maar nu de formule nog uit Efeze 1 : 4. Daar staat niet vanaf, maar vóór de grondlegging. Dit gaat zo mogelijk nog verder terug. , , Want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging der wereld" zegt de Zoon tot de Vader in Joh. 17 : 24. In 1 Petrus 1 : 20 lezen we dat de Christus „voorgekend is geweest voor de grondlegging der wereld". Het lijkt mij toe dat de eerste zin van artikel 6 goed stevig in de Heilige Schrift gegrond staat. Daar wordt van geen verandering in het boek des levens in deze teksten gesproken en voorts staat nergens in de Schrift, dat er ooit iets in dat Boek veranderd is.
Heeft de mens dan misschien invloed op de verkiezing? Is het om een voorgezien geloof of voor geziene standvastigheid of goede werken ? Het is een oude interpretatie van de praedestinatiegedachte. Men kan ze reeds bij Justinus, Tertullianus en vooral bij Origenes vinden. God zou vooruitgezien hebben, welk lot de mens zou verdienen en volgens dit vooruitzien heeft Hij hun toekomst bepaald. Deze leer was in de Middeleeuwen en in de Reformatietijd bij de Roomsen zeer bemind, Efeze 1 : 4 spreekt hier echter duidelijke taal. Gods kinderen zijn niet van eeuwigheid uitverkoren, omdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn, doch opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde. En dan is er ook nog Col. 1 : 12. Dankende God de Vader Die ons bekwaam gemaakt heelt om deel te hebl)en aan het erfdeel der heiligen in het licht. God zag hen niet te voren als bekwamen. Ditzelfde spreekt 2 Tim. 1 : 9 duidelijk uit: , , Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping ; niet naar onze werken maar naai Zijn eigen voornemen en genade, ., die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen". De Leerregels zeggen: „Dat God sommigen met het geloof begiftigt komt voort uit Zijn eeuwig besluit". Hier hebt ge nog eens een klaar bewijs. De krachtdadige roeping brengt het geloof mee. Deze begiftiging met het geloof, waarnaar geschiedt deze ? Niet naar onze werken, doch naar het voornemen Gods. Wanneer is dat voornemen gevat? Vóór de tijden der eeuwen. Als de tijden der eeuwen bedoelen de hele wereldtijd, is de genade, die vloeit uit dat voornemen reeds gegeven voor de wereldtijd. Men komt met dat vóór altijd in de eeuwigheid terecht. De begiftiging met het geloof vloeit uit het eeuwig besluit. Dit is nu wel aangetoond en hopen we verder uit de Schrift aan te tonen.
Schrift aan te tonen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1956
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1956
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's