De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VORM EN DE INHOUD VAN HET HOOGLIED III

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VORM EN DE INHOUD VAN HET HOOGLIED III

11 minuten leestijd

Wanneer ik in dit artikel moet overgaan tot het uiteenzetten van eigen standpunt inzake het Hooglied, ben ik genoodzaakt eerst enkele algemene opmerkingen te maken. Het is niet de bedoeling over de prediking als zodanig te schrijven. Dat is reeds enige tijd geleden in dit blad geschied. Over de prediking van het Oude Testament inzonderheid, wil ik graag op enkele punten wijzen, die naar het mij voorkomt, in de gereformeerde gezindheid in Nederland al te veel verwaarloosd worden. Ditzelfde euvel komt men ook in de gemeenten tegen en of nu de gemeenten de predikanten aansteken tot dit kwaad, of de predikanten de gemeenten op een doolpad hebben gebracht, kan ik gevoegelijk laten rusten. Het is genoeg, te constateren dat het gereformeerd protestantisme ten onzent niet best weg weet met het Oude Testament en inmiddels praat en theologiseert over dat zelfde Oude Testament, dat men er van schrikt. Dit geldt ook uiteraard het Hooglied, en daarom dan de algemene opmerkingen, waarop ik zinspeelde.

Het Oude Testament is ook openbaring van God in Christus, zo hebben we in het vorige artikel horen beweren. Met evenveel recht kan iemand hetzelfde zeggen van het Nieuwe Testament. Wanneer men van beide Bijbeldelen hetzelfde kan zeggen, zal het duidelijk zijn, dat men het eigenlijke van ieder onderdeel niet heeft genoemd. Tegenover de critiek op het O. Testament is het te begrijpen, dat men zich van gereformeerde zijde verweert en het openbaringskarakter van het O. Testament naar voren schuift en tegelijk het Christocentrische van het Oude Testament onderstreept. Dat is allemaal schoon en waar en goed. En toch moet men dan oppassen om niet het verschil tussen het Oude en Nieuwe Testament uit te wissen, want als men dat doet, is men niet Nieuw Testamentisch meer. De Hebreënbrief begint niet voor niets met te zeggen : God voortijds vele malen en op velerlei wijzen tot de vaderen gesproken hebbende, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon. Er is dus verschil. Dat men dit verschil niet overdrijven mag, zal ieder in de gereformeerde gezindheid erkennen, dat men dit verschil niet verdoezelen mag, wordt maar al te veel uit het oog verloren.

Als het gaat over de wijze van verklaren van het Hooglied, zal men onder ons niet zo licht denken aan louter wereldse liederen. Veeleer zal men een geestelijke werkelijkheid vermoeden, die dit geschrift ons wil mededelen, hoe men de afleiding uit de tekst tot de toepassing dan ook wil bewerken. Over die methode gaat het mij niet allereerst. Ik zoek naar een vorm, waaraan ik de verschillende methoden kan toetsen. Hoe men ook keert of wendt, typologisch, allegoristisch, analogisch enz., men komt toch altijd weer uit bij Christus en de kerk, of Christus en de ziel, al naar gelang men min of meer gevoelt voor de mystiek. Is men mystiek aangelegd, dan zal men de bruid als de ziel beschouwen, is men meer objectief aangelegd, dan zal men liever spreken van de gemeente. Overigens is dat slechts een verschil van tellen, want de gemeente bestaat uit individuele zielen. De gemeente beleeft iets, wanneer de individuele leden der gemeente dat beleven. Dit is dus meer een verschil van zien en tellen, dan een innerlijk versqhil van methode.

't Gaat mij dan ook niet in de eerste plaats om de betekenis van de bruid, maar om de bruidegom. Men komt dan toch telkens weer terecht bij een goddelijk persoon. Dat ervaart zelfs de critische school, die stelt, dat het Hooglied oorspronkelijk betrekking had op heidense godheden en later is omgewerkt en aangepast aan Israels Godsgeloof.

De bruidegom is dus een gewoon mens evenals de bruid, maar achter deze tekening verrijst een beeld van de bruidegom, die meer is dan gewoon mens. Volgt men de allegorische methode, dan ziet men de aardse bruidegom en bruid niet meer, alleen maar de goddelijke bruidegom en de geestelijke bruid, die een groep mensen vertegenwoordigt. Volgt men de typologische methode dan ziet men aards en geestelijk beeld tegelijk. Volgt men de methode van prof. Aalders en prof. Van der Meiden, dan straalt de heeriijkheid van de goddelijke bruidegom door in de aardse liefdesverhouding van bruidegom en bruid. Maar hoe dan ook (de verschillen zijn kleiner dan ze wel lijken), de bruidegom is er niet alleen in zijn aardse gedaante als minnaar van de bruid, er staat een goddelijk persoon achter.

Nu gaat het om de vraag: wie is deze goddelijke persoon ?

Christus, zeggen de meesten. Immers het Oude Testament is Godsopenbaring in Christus ! Zo spreekt de Geref. Kerk (Aalders) en de Chr. Geref. Kerk (v. d. Meiden). De overige groeperingen in de Geref. gezindheid schrijven geen wetenschappelijke werken en zullen dus, wanneer er nog gestudeerd wordt, wel gebruik maken van deze bronnen.

Wel heeft prof. Van der Meiden waarschuwend de vinger op: ge moet niet vergeten, dat uw tekst in het O. Testament staat, maar hij zegt er achter: het Hooglied behoort ook tot de heilsopenbaring des Heeren in Christus. Op een andere plaats merkt hij op: Verder mag niet uit het oog worden verloren, dat het Hooglied aparte zin had in de dagen, waarin het geschreven werd.... Wie echter zijn verklaring nagaat, bemerkt er niet veel van in de toepassing der verklaarde verzen, dat hij met het Oude Testament bezig is. Dat is zeer jammer. Ditzelfde geldt ook van de Kanttekeningen op de Statenvertaling, hoe hoog we die overigens moeten waarderen.

Nu zal er niemand zijn, die ontkent, , dat in het O. Testament de gelovigen niet Christus hebben gekend, zoals wij onder het Nieuwe Verbond. Wanneer wij spreken van Christus, denken we aan de persoon van Jezus, God en mens in één persoon. Zó hebben de vaderen in het O. Testament Hem niet gekend. Door het geloof hebben zij Hem gezien, die beloofd was, en zij hebben zich verheugd, naar het woord van onze Zaligmaker. Maar Hij heeft óok gezegd : Zij hebben begeerd Mijn dag te zien en zij hebben hem niet gezien. Daarom zei ik zo even, dat er bezwaar tegen is als men zonder meer van het O. Testament zegt: het is openbaring van God in Christus. Dit, zo merkten we op, kan ook van het N. Testament gezegd worden, en dan is het ten volle waar. Het O. Testament is openbaring van God in de Zoon, in het Woord, dat in de volheid des tijds vlees zou worden. Wanneer wij dus het Hooglied lezen en bij de bruidegom aan een goddelijke persoon denken, dan zien wij de persoon van Christus voor ons, anders, rijker, heerlijker dan de gelovige van het O. Testament die goddelijke persoon kon kennen. God heeft over ons iets beters besloten. Wie dit uit het oog verliest, gaat de heiligen van het oude verbond op één lijn stellen wat geestelijke ervaring betreft met de gelovigen van het nieuwe verbond. Men laat David dezelfde bewustzijnsinhoud hebben als Petrus, zet rustig Jacob op dezelfde hoogte als Paulus en bemerkt dan nog niet, dat er iets verkeerd gaat.

Ook van de schrijver van het Hooglied, wie dat dan ook geweest is, geldt wat Petrus zegt van de profetische schrijvers van het O. Testament, n.l. dat zij meer ons dan zich zelf bediend hebben. Calvijn waarschuwt er voor, dat we dit zo ver mogen trekken, alsof zij de tafel gedekt hadden, opdat wij eten zouden, maar wijst terdege op het verschil in bediening tussen de profeten en ons.

Het O.T. is de belofte, het N.T. de vervulling. Nu kan men de belofte helderder verklaren, wanneer men de vervulling heeft verkregen dan daarvoor. Bij de Joden ontbreekt dan ook een christelijke allegorese over het Hooglied, wat vanzelfsprekend is. Maar de Oude Kerk in de eerste eeuwen ging het Hooglied betrekken op Christus, wat wederom zeer begrijpelijk is. De manier, waarop de kerkvaders echter te werk gingen met het Hooglied was fout. Maar deze fout stond niet op zich zelf, doch hing samen met een misverstaan van het Oude Testament, dat de hele kerk doordrong. Daarom keerde men terug tot een altaar en priesters, enz. Met uitzondering van een korte tijd in de dagen der Reformatie kan men zeggen, dat het O.T. zelden recht gewaardeerd is in de christelijke kerk. Zonder enig bezwaar zei men: de bruidegom is Christus, of de bruidegom is type van Christus, maar dat laatste bleek in verklaring en toepassing op hetzelfde neer te komen.

Wanneer we ons afvragen, hoe de Joden het Hooglied verklaarden kan ons dat misschien op een beter spoor helpen. Zij verstonden het van de Heere en Israël. Nu doet men de Israëlitische -godsdienst geen recht wedervaren, wanneer men zegt: dat was een voortspinnen op het gegeven van Hosea, .die de band van God en Israël bij een huwelijk vergelijkt. Deze gedachte was er in Israël en de profeten spraken haar uit. Bij de nieuwe R.K. theologen komt ook bij de verklaring van het Hooglied deze vorm van allegorie voor : de bruidegom is de Heere, de bruid is Israël. Ik geloof niet dat dit juist is, wel dat hierin een juist element zit verscholen.

De gelovige Israëliet heeft vertrouwd op Gods genade in Hem, die komen zou. En dan valt alle nadruk op de woorden : Gods genade en minder nadruk op: Hem, die komen zou. Dat kon in de schaduw niet anders. Laten we niet vergeten, dat er maar één Jes. 53 in het O.T. voorkomt en dat eeuwen na David en Salomo. Zeker spraken de offers hun taal, maar daarbij was de plaatsvervanging minder algemeen dan men thans tegen het Schriftgetuigenis in, gemakkelijk aanneemt.

Wanneer het ging om geloofsgemeenschap met God dan was dat in de Beloofde, bijna zou ik zeggen: dan was dat op grond van de belofte, want dat had grote nadruk. Men lette in dat verband op de omschrijving van het geloof der vaderen, zoals Hebr. 11 dat geeft. Dit heeft betekenis voor de verklaring van het Hooglied, zowel als voor het gehele O.T. God heeft gemeenschap met menden, dat wil het Hooglied zeggen. En de Nieuw Testamentische gelovige zegt: ja, in Christus ! Daarvan hebben ook de vaderen iets gezien, hoeveel is door ons niet uit te maken.

Wanneer ik de resultaten van deze opmerkingen samenvat, betekent dat voor de verklaring van het Hooglied het volgende:

1. Men moet vasthouden aan een historische achtergrond van dit lied: Salomo, de Sulamietische.

2. Men moet vast houden aan een geestelijke betekenis, die dit heeft: God en Zijn volk. God heeft Zijn. volk lief en het volk heeft God lief.

3. Hierdoor worden de aardse huwelijksverhoudingen beïnvloed, wanneer geleefd wordt uit het geloof in die God, die liefheeft (die liefde is, zegt het N.T.).

4. Daarnaast moet worden gelet op wat hierin ontbrak aan de vaderen, en wat ons in Christus geschonken is.

God in Christus in het O.T. is nauwelijks gedifferentieerd. God in Christus in het N.T. is duidelijk onderscheiden: God was in Christus de wereld met zich zelf verzoenende.

Wie in gesprek en prediking verzuimt zich rekenschap te geven van dit verschil in bedeling, doet onrecht aan het getuigenis van het O.T. zowel als van het N.T. Wordt hiermede wél rekening gehouden, dan wordt de rijkdom der gemeente van het N.T. voorgesteld en dan komt ook aan de dag, dat die gemeente niet leeft (in het algemeen gesproken) op de hoogte van het in Christus verworven heil. Dan kan het gebeuren, dat het Hooglied ons als christelijke kerk beschaamt maakt, doordat de liefde van de vaderen in de schaduw vuriger was dan de liefde van ons in het licht. Wie zo te werk gaat, verliest ook niet uit het oog, dat er in de Schrift plaats is voor de geloofservaring van de gelovige, zodat er dus ook in ons leven plaats moet zijn voor die ervaring en niet minder in de prediking.

Met één kort voorbeeld wil ik dit betoog besluiten. Hij kusse mij met de kussen zijns monds. Wie dit in het O.T. hoort, staat verbaasd over de nabijheid, die God aan een zondaar verleent! God buigt zich neer over Zijn kinderen, als een bruidegom over zijn bruid. Wie dat doorleefde, kent het zielvervullende geluk van gemeenschap met de Allerhoogste. Dan gaat daarnaar ook het verlangen uit. Maar in het N.T. blijkt het hoe God de mogelijkheid tot die gemeenschap baande. Het is Christus, die de kerk omhelst en Hij kust, omdat Hij stierf. Hierin ligt een volheid van geloofsoefening, zodat de toepassing niet behoeft te ontbreken. Dat er hiernaast plaats is voor toepassing op het aardse huwelijksleven verhoogt de mogelijkheid voor een prediking uit het Hooglied, die belijnd-bijbels, onderwerpelijk en practisch kan zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VORM EN DE INHOUD VAN HET HOOGLIED III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's