De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

11 minuten leestijd

Prof. Van Niftrik over de oecumeniciteit — dr. Van Itterzon en het I.K.O.R. — Voorcensuur? — De „zwakken" en de „sterken" in de nieuwjaarspreek van ds. H. A. Visser.

Bij het Boekencentrum in Den Haag is een bijzonder interessant boek verschenen : „Panorama der Wereldkerk". Ik zeg dit, daar ik zelf het nog niet gelezen heb, op gezag van prof. G. C. van Niftrik, die er verrukt over schreef in het , , Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk" d.d. 12 Jan. '56.

Het artikel is pakkend geschreven en, zoals gewoonlijk bij prof. v. N., af en toe met een zekere „esprit" en humor. Zo b.v. wanneer over „Enigheid des geloofs" gezegd wordt : „een blad, dat, hoewel het elke veertien dagen eerder een welsprekend getuigenis van de verscheurdheid der Christelijke Kerk dan getuigenis van ware enigheid is, nochthans op weg is naar de 10.000 abonné's", terwijl er dan tussen haakjes op volgt: , , Zo diep leeft in de huidige Christenheid het verlangen naar meerdere eenheid". Ik laat alle feiten, hier genoemd, natuurlijk voor rekening van de schrijver, maar doelde op vorm en wijze van zeggen.

Het artikel geeft o.m. zes betekenissen van het woord „oecumenisch", zulks ontleend aan dr. W. A. Visser 't Hooft, in een rede uit het jaar 1954. Voor die opsomming — ze is te uitvoering om hier in te voegen — ben ik de schrijver erkentelijk. Het heeft mijn kennis over „oecumenisch" , , oecumeniciteit" en welke nuanceringen dit begrip moge hebben, weer wat opgefrist. „Oecumenisch" is een modewoord op kerkelijk gebied geworden en wordt voor velerlei zaken gebezigd, welke er op de klank af enige verwantschap mee schijnen te hebben, maar deze in wezen niet bezitten, althans niet in de thans gangbare zin.

Te Lelystad in Oostelijk Flevoland, is een kerkgebouw gesticht én in gebruik genomen, dat voor alle kerkgroepen als vergaderplaats zal dienen. Van dit feit las ik in de N.R. Crt. van 18 Jan. j.l. En vervolgens : „Hierbij hebben de Nederlandse kerkgenootschappen 'n mooi beeld van oecumenische samenwerking gegeven: alle kerkelijke gezindheden huizen daar namelijk onder één dak".

Nu is de thans geldende betekenis, volgens mijn bovenvermelde bron : „uitdrukking van het weten omtrent christelijke eenheid en van het verlangen daarnaar". Aan deze norm gemeten, is er in Flevostad nog niet de echte oecumeniciteit. Voorlopig kan het gebeuren daar nog ressorteren onder wat omstreeks het midden der 19e eeuw onder „oecumenisch" werd verstaan : , , de'verhouding tussen meerdere kerken of tussen christenen van verschillende confessie betreffende". Maar ja, het een kan in het ander overgaan. Jaren geleden moesten ergens in Nederland door reparatie aan het Hervormd kerkgebouw, de diensten dier gemeente in de Geref. kerk gehouden worden. Zo waren er één of meer Zondagen in dit kerkgebouw 4 diensten. Een broeder uit de Geref. kerk bezocht ze alle, aan elk die het horen wilde verkondigend : , , de muren van Jericho zijn gevallen!" Nadat het reparatiewerk klaar was ging hij echter weer naar de Geref. kerk, hoewel hij toch af en toe bij de Hervormden nog wel eens kerkte. Hier was iets van de oecumeniciteit in de thans geldende opvatting. En dat binnen de locale grenzen. Men zegt wel eens, dat het buiten de plaatselijke of over de landsgrenzen gemakkelijker gaat oecumenische verlangens uit te leven. Van wijlen prof. dr. K, Schilder heeft prof. C. Veenhof eens geschreven : „Het is de echte Schilder, die in Duitsland in een Lutherse kerk het Avondmaal knielend ontving en het heerlijk vond met zijn Lutherse broeders daar gemeenschap te oefenen". (Uit art. van prof. v. N.).

Ware oecumeniciteit vindt haar drang in , , de gemeenschap der heiligen", waarvan de gemeenschap aan Christus en al Zijne weldaden wel het voornaamste stuk is, al is wat de Catechismus er verder van belijdt niet van mindere waardij. En dan komen sympathieën voor de „Wereldraad van kerken" of de I.C.C.C. wel op het tweede of derde plan.

Het is dan ook juist, als prof. Van Niftrik opmerkt in zijn artikel: „De Gereformeerde kerken zouden verontwaardigd reageren, wanneer wij zouden zeggen, dat die kerken door gebrek aan oecumenische gezindheid voortgaan te weigeren zich bij de Wereldraad van kerken aan te sluiten en er blijkbaar ook niet toe kunnen komen zich aan te sluiten bij de I. C. C. C, de Internationale Raad van Christelijke Kerken, een Raad die zich gaarne aandient als een federatie van bijbelgetrouwe kerken".

Het I.K.O.R. heeft de laatste weken nogal van zich doen spreken en in het middelpunt der belangstelling gestaan. Eerst was daar het rumoer rondom ds. Lugtigheid uit Den Haag. Een en ander is natuurlijk onze lezers wel bekend. Oorzaak schijnt geweest te zijn, dat de preken van ds. L. te sterk de tekenen vertoonden van het , , banaliseringsproces", dat volgens C. Rijnsdorp , , in 't taalgebruik vooral sedert de tweede wereldoorlog ook in de kerk duidelijk merkbaar is". (, , Bezinning", blz. 255).

We kunnen er verder het zwijgen toe doen. Er heeft trouwens al iets van in ons blad gestaan. De hele historie heet nu op een misverstand te berusten. Men kan ook hier dan wel spreken van een „afschuwelijk misverstand"., afschuwelijk vooral voor ds. L., die, naar hij zelf zich uitliet, er een moeilijke tijd door had gehad. Tenminste iets dergelijks stond — ik meen in , , Trouw" — te lezen. En dan is er de geruchtmakende affaire van de preek, waarmede ds. H. A. Visser Nieuwjaarszondag de Rotterdamse jeugd in de Koninginnekerk meende te moeten stichten, de preek over „De sterken en de zwakken", waaraan hij Rom. 15 VS. 1 had ten grondslag gelegd. Zelf heb ik de preek niet gelezen. Ik doe ook geen moeite om ze te lezen. Het lust mij niet, omdat ik al meerdere van hem las en het genre mij niet ligt. Maar het „Hervormd weekblad De Gereformeerde Kerk" van 19 Jan. j.l. had er een groot deel van zijn kolommen aan gewijd.

Er was daarin een , , Ingezonden" met het opschrift : „Gevaarlijke voorlichting" van de heer L. Schipper, uit Alphen aan de Rijn, met daaronder een „Naschrift" van de eindredacteur. Maar daarvóór stond een scherp artikel van dr. G. P. van Itterzon uit 's Gravenhage onder het opschrift: „Het I.K.O.R. De sterken en de zwakken".

Plaatsruimte laat niet toe het in zijn geheel over te nemen Ik raad wel ieder, die dat no. onder zijn bereik kan krijgen, aan het te lezen. Het is het waard om zijn waardige bestrijding, zijn onverbloemde afkeuring van dergelijke prediking en zijn grote bewogenheid over onze kerk, waarin zulk een preek kon worden gehouden, die er bij de jongeren, in die dienst en aan de radio luisterend, grif in is gegaan.

Maar nu ter zake. Dr. v. I. neemt de preek in haar geheel onder de loupe en geeft vrij lange citaten. In tegenstelling van de heer Schipper, die tijdens de preek aantekeningen maakte en daarvan in zijn , , Ingezonden" enkele markante doorgaf, heeft dr. v. I. de preek wel gedrukt voor zich gehad. Nu had dr. v. I. in het no. van 12 Jan., waar hij de zaak van ds. L. (hij schreef ds. X) be­sprak, gerept van een „voorcensuur", welke door het I.K.O.R. op ds. X. was toegepast" en op het bedenkelijke daarvan gewezen, bedenkelijk juist hierom, omdat de kerk als zodanig zich nog van censuur onthoudt, doch een instantie als het I.K.O.R. zulks wèl deed en alzo zich toeëigende, wat taak der kerk is.

Na deze oriëntering betreffende wat dr. V. I. schreef over de kwestie ds. L. (X), volgt nu iets uit zijn artikel inzake de preek van ds. V.

Eén vraag houdt ons intussen in dit verband wel bezig. Hoe zou het komen, dat de ene radioprediker onder radiocensuur staat en regelmatig een voorcensuur moet ondergaan, terwijl een andere dominee aan deze voorcensuur ontkomt ? Beiden zijn ze progressief ; daar kan het niet in zitten. Beiden beogen zij de doorbraak; dat kan dus niet de reden zijn. Beiden hebben zij het oor van luisterend Nederland; al weer geen motief om onderscheid te maken. Beiden zeggen zij van tijd tot tijd gewaagde dingen; beiden zijn bij begaafd; beiden zijn zij van rechtzinnig en huize, enz. Neen, in die censuuur en voorcensuur ontbreekt nog het nodige licht.

Na deze passus volgt een weergave van de inhoud der prediking, waarna dr. V 1. opmerkt :

Ook al zou dr. V. de zwakken niet nader hebben getypeerd, dan had hij het in zijn glasheldere preek reeds overduidelijk gezegd. En wie 't vervelend vindt om bij de zwakken te worden gerekend en bij de zielige kneusjes te worden ingedeeld, weet nu het klare recept: de vrijzinnigen niet mijden; niet stemmen op een Christelijke partij; breken met het lidmaatschap van Christelijke organisaties; niet meer meedoen met allerlei Christelijke jeugd- en ontspanningsverenigingen ; lid worden van wereldse en z.g.n. neutrale organisaties ; voetballen, tennissen, zwemmen en de bioscoop bezoeken op Zondag; reizen en fietstochten maken op Zondag; op Zondag heerlijk uitrusten op onze manier en in onze stijl; dansen; naar het cabaret.

Tegenover dit alles stelt hij dan wat de Catechismus o.m. leert over de wet en het stuk der dankbaarheid en houdt ds. V. met name Zondag 38 voor, opmerkend, dat de Catechismus behoort tot de belijdenis der kerk, waartoe ook ds. V. behoort. Voorts stelt hij hem de vraag, of hij in Amsterdam reeds alle „zwakken" tot „sterken" gemaakt heeft en hoe het in die stad staat met de avonddiensten. Letterlijk schrijft hij :

Maar is ds. V. er werkelijk zo vast van overtuigd, dat dit alles op rekening van „die ellendige Christelijkheid" moet worden geschoven ? Zou, om een voorbeeld te noemen, in de hoofdstad van ons land, waar „die ellendige Christelijkheid" toch zeker geen hoogtij viert, geen kattekwaad of erger geschieden ? En zouden daar, om met ds. V. te spreken, geen „ellendige dansgelegenheden" te vinden zijn ? Zou daar, waar toch aan de doorbraak een ruime kans is gegeven en men in de vrijheid van het Christelijk geloof staat, zonder door de zwakken te worden gehinderd, de kerk het meest „vrijgemaakt" en dus overvol zijn ? En de Paascollecte het hoogst ?

En dan komt de scherpe vraag :

Als het I.K.O.R., met of zonder voorcensuur, voortgaat dergelijke preken de eether in te zenden, — als het I.K.O.R. deze politiek-geladen, inderdaad „knalrode" preken als typisch Hervormde verkondiging censuur en voorcensuur laat passeren, is het ook aansprakelijk voor de gevolgen. Kan de „progressieve" partij nu heus niet de rekkelijkheid en de ruimheid en de breedheid en de oecumeniciteit opbrengen, om de werkelijke bedoelingen van de „conservatieve" groep te waarderen? Moet één partij opvatting werkelijk de gehele kerk overheersen en zijn we dan pas een „sterke". Hervormde Kerk ? Is er dan werkelijk geen andere weg dan dat onze Hervormde Kerk wordt tot de kerk van één bepaalde visie en haar organen steeds meer tot richtingsorganen worden gedegradeerd?

Om der wille van de gehele Kerk. Zó moet het niet! Maar ik weet werkelijk niet, of wij, nu wij al zo ver van elkaar zijn weggeraakt, elkaar weer terug kunnen vinden.

Ik heb aan dit alles niet veel toe te voegen. Alleen dit: Het is reeds weer enkele jaren geleden, dat ds. Buskes in , , In de Waagschaal" een reeks artikelen publiceerde over de in-droevige toestand van het kerkelijk Hervormd leven in Amsterdam. Naar ik hoorde, is het sindsdien er niet veel beter op geworden. Het catechisatiebezoek is in de hele kerk niet om op te roemen. Doch het is wel héél erg, dat een Amsterdams Hervormd predikant maar zegge en schrijve één catechisant had, die hij overdeed aan een collega, om de catechisatietijd aan het wijkwerk te besteden. Het is ongeveer anderhalve eeuw geleden, dat de Evangelische richting over Groningerland en meerdere, vooral noordelijke, provinciën het licht — men sprak van het , , Noorderlicht" — der vrijheid, zoals zij het zag, deed opgaan. De resultaten waren bedroevend, vooral op zedelijk — men zou thans zeggen op sexueel — gebied. De vrijheidsidealen in deze „knalrode" preek opgeheven, verschillen van die der „Groninger richting" niet heel veel. Ik vraag mij af : wat zullen de gevolgen van dergelijke infecterende preken zijn, die er bij de jeugd, die al veelszins ontgroeid is aan de tucht van het Woord, als gesneden koek ingaan, voor haar zijn ?

Dr. V. I. vertelt, dat bij de dienst geen •enkele psalm is gezongen. Die zullen voor die , , sterke" generatie wel te „, zwak" geweest zijn. Misschien is er wel gezongen: , , God roept ons broeders tot de daad". Ik hoop echter één ding. Dit, dat de Generale Synode, of de instanties die er zijn voor „Opzicht en Tucht", zich over deze dienst van ds. V., onder auspicieën van het I.'K.O.R., geroepen zullen weten tot de daad, waardoor aan dit , , knalrode" bedrijf paal en perk worde gesteld. Dit lijkt mij doeltreffender dan de „oefening in gemeenschap", dat „de Herv. Kerk" (d.d. 21 Jan. j.l.) in dit verhand aanbeveelt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's