De Dordtse leerregels
Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit. „Want Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend". (Hand. 15 VS. 18), en „Hij werkt alle dingen naa de Raad Zijns willens". (Efeze 1 : 11).
HOOFDSTUK I.
Artikel 6.
Volgens de Japanse schrijver Hiroshi Noma vermaande een officier de soldaten, die met één dag verlof gingen, nooit de kazerne uit te gaan voordat zij een programma hadden opgesteld voor die dag. Vaak wordt aan dominees het verwijt gemaakt, dat zij te weinig volgens een vastgestelde dagorde werken. Laat ik daarom eerst een programma opstellen. Ik zou twee dingen willen doen. De teksten bespreken, die bij het onderwerp van artikel 6 worden opgegeven door de vaderen zelf en nog enkele andere daarbij. En dan nog eens de teksten in een kort bestek bijeen zetten, die de eerste zin van art. 6 ondersteunen : „Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit".
In de volgorde van artikel 6 treffen we dan eerst een tekst aan, die nogal moeilijkheden oplevert. Volgens onze Statenvertaling lezen wij daar: , , Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend". Wat is het verband van deze woorden? In Handelingen 15 wordt de eerste Synode beschreven. Volgens prof. Grosheide tenminste verdient de naam synode de voorkeur boven de naam convent. Het is immers een officiële kerkvergadering. In deze synode kwam een buitengewoon belangrijk vraagstuk aan de orde. Dat vraagstuk was in Antiochië ontstaan. Daar was een bloeiende gemeente opgekomen, waarin Joden en heidenen in eendracht als Christenen samen woonden. De Joden leefden anders dan de heidenen. Zij waren besneden, de heidenen niet.
Doch dit alles maakte geen punt van verschil of strijd uit. Toen kwamen er in Antiochië leraars uit Jeruzalem, die een ongewone preek hielden. De gemeente zal die morgen of avond, dat deze predikers van elders voor hen op traden, wel vreemd opgekeken hebben. Paulus en Barnabas tenminste zijn er helemaal ontsteld van en verzetten zich tegen deze nieuwe leer met kracht. Wat houdt zij in ? , , Indien gij u niet laat besnijden naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden". De kwestie was niet zo gemakkelijk, want deze leraars uit Jeruzalem konden zich beroepen op het Woord Gods. Van Abraham af, was het wet, dat ieder, die tot het volk Gods wilde behoren, besneden moest worden. Om een officiële uitspraak te krijgen, worden er afgevaardigden naar de apostelen en ouderlingen te Jeruzalem gezonden. In feite was echter de zaak al beslist. De , , zuilen" van de gemeente te Jeruzalem hadden enige jaren tevoren Barnabas naar Antiochië gezonden. Zij hadden er niets geen bezwaar tegen, dat Barnabas aan het hoofd der gemeente van Antiochië stond, zonder aan de christenen uit de heidenen de besnijdenis of de bijzondere Joodse wetten op te leggen. Petrus en Jacobus zijn niet tegenover Paulus, de voorstanders van een streng wettische leefregel voor de christenheid uit de heidenen. Zij behoorden niet tot de z.g. Judaïsten.
Op die synode nu — wij kunnen niet alle beraadslagingen vertellen — nam ook Jacobus het woord. Hij begint, volgens vs. 14, met te zeggen, dat uit de rede van Simeon (d.i. de Joodse naam van Petrus), was gebleken, dat God naar de heidenen had omgezien om uit hen een volk Gods aan te nemen door Zijn naam, d.w.z. tot ere Zijns Naams. Daarvan zegt Jacobus, dat dit overeenkomstig de H. Schrift is. Hij haalt uit de profeten een gedeelte van Amos 9 aan. In deze aanhaling zit een moeilijkheid. Jacobus haalt aan volgens de Griekse overzetting. Dat gebeurt in het Nieuwe Testament vaak. Maar nu wijkt op dit punt de Griekse tekst van de Hebreeuwse tekst nogal aanzienlijk af. Deze moeilijkheden moeten wij nu verder maar aan de mannen der wetenschap overlaten. Wij hebben immers nu te maken met de H. Schrift van het N. Testament en daar wordt ons deze tekst geboden. Alleen wijs ik nog even op vs. 17 : , , Opdat de overblijvende mensen de Here zoeken, en al de heidenen, over welke mijn Naam aangeroepen is". De onderstreepte woorden verklaart prof. Grosheide als volgt: , , (het) is een merkwaardige uitdrukking. Ze geeft aan, dat in het verleden Gods naam over bepaalde mensen is aangeroepen en dat de gevolgen daarvan voortduren tot in het heden. Wij kunnen denken aan het feit, dat God alle dingen heeft geschapen tot Zijn eer en dat op die wijze Zijn naam er over is genoemd, ook over de mensen die Hij maakte. Alles is Gods eigendom en moet Hem verheerlijken".
Het is een beetje moeilijk te verstaan, wie over of ten behoeve van de heidenen de naam des Heren heeft aangeroepen. Grosheide maakt dat niet duidelijk. Hij wil aan de schepping denken. Maar zou dan de vertaling , , over wie Mijn naam uitgeroepen is" niet duidelijker zijn ? De Leidse Vertaling, prof. Brouwer, Petr. Canisius en de Nieuwe Vertaling hebben dit woord gekozen. Maar laat het werkwoord deze vertaling toe ? Het is, zegt het Woordenboek, genoemd naar Gerh. Kittel, een technische term voor: zich op iemand beroepen, b.v. op de keizer, 't Woord wordt ook gebruikt voor: God in het gebed aanroepen. Ditzelfde Woordenboek ziet echter voor Hand. 15 vs. 17 een andere betekenis. Hier zou het werkwoord gewoon noemen betekenen. Maar dan moeten wij denken aan een wijze van uitdrukken, die men in het Oude Testament vindt. De naam des Heren over iemand noemen betekent dan deze mens tot Gods eigendom verklaren. In Jesaja 4 vs. 1 en 2 Sam. 12 vs. 28 zouden we uit de menselijke sfeer hier voorbeelden van vinden. Dan past de vertaling : Gods naam uitroepen, d.i. een verhouding van eigendom en bescherming betuigen. In 2 Chr. 7 vs. 14 wordt van Israël gezegd: „Mijn volk, over welke Mijn Naam genoemd wordt". Hier staat hetzelfde Griekse woord. Dit zou dan in Hand. 15 vs. 17 van de heidenen worden gezegd: al de heidenen, over welke Mijn naam uitgeroepen is. Wanneer is 'die Naam des Heren over de heidenen uitgeroepen ? In het eeuwig voornemen Gods. Het komt mij voor, dat dit uitnemend past in het verband. Daar is een uitverkoren volk Israël. En dan zijn er ook nog de overblijvende mensen n.l. al de heidenen, over welke Gods naam uitgeroepen is. Die Hij voor zich heeft op ge-eist. De uitverkorenen uit de heidenen. Ik zou niet weten "hoe men twee groepen moest maken : uit de overblijvenden een groep en dan uit de heidenen nog een groep. Ik zie geen kans om het uitroepen van Gods naam met de schepping in verband te brengen. Maar in de Raad Gods is de naam des Heren over deze overblijvenden, deze uitverkorenen uit de heidenen uitgeroepen. Zij zijn geordineerd tot het eeuwige leven. Op deze wijze zijn zij Gods eigendom geworden, zoals ook Israël dat was : het Israël naar de belofte. En aan deze heidenen, over wie Gods naam is uitgeroepen, openbaart zich God door Woord en Geest. Grosheide zegt van de werkwoordsvorm : „Het perfectum spreekt van iets dat lang geleden gebeurd is en dat nu nog geldt". Het kan dus niet verklaard worden van de prediking in Antiochië. Trouwens, Jacobus brengt deze woorden over als woorden Gods. Hij zegt nadrukkelijk in VS. 18 : spreekt de Heere.
En nu komt er een moeilijkheid met de oude tekst van het N. T. In de grondtekst, die dé Statenvertalers gebruikten, stond in het Grieks: gnoosta ap aioonos estin too theoo (panta) ta erga autou. Deze lezing wordt door Nestle genoemd : een opmerkelijke, maar verworpen lezing. Zij staat dus in zeer oude bijbels, maar men durft haar niet te aanvaarden als de oorspronkelijke. Men meent dat nog oudere bijbels een oorspronkelijker tekst hebben en die zou dan luiden: (poioon) tauta gnoosta ap aioonos. Met deze drie laatste woorden is een nieuwe kwestie verbonden. Zij staan niet in de Griekse en ook niet in de Hebreeuwse tekst van Amos. Toch worden zij in de meestgebruikte uitgave van de tekst van het N. Testament als een aanhaling beschouwd. Men verwijst daarom naar Jes. 45 : 21. Daar lezen we : „Wie heeft dat laten horen van oudsher? " In de Griekse overzetting leest men daar: tis akousta epoiesen tauta ap archés. Ik zie hier zo weinig overeenkomst met de woorden van Jacobus of in elk geval zo veel verschil, dat het voor mij niet waarschijnlijk geworden is, dat deze 3 woorden uit Jesaja stammen. Waarom zouden ze niet door Jacobus zelf gedacht en gesproken zijn. De aanhaling uit Amos is ten einde. Nu voegt Jacobus er drie woorden aan toe. De hele volzin is dan: Spreekt de Heere die (altijd) de dingen doet, die van eeuwigheid bekend zijn. Men krijgt dan dezelfde zin als bij de tekst, die de Statenvertaling volgde : Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
H. H. Wendt zegt m.i. terecht, dat in geval 't eigen woorden van Jacobus zijn, deze betekenen, dat God de dingen doet, die bij Hem van eeuwigheid te voren bekend zijn.
Grosheide oordeelt ook, dat deze verklaring mogelijk is. Hij zelf geeft echter de voorkeur aan een andere. Hij wil dan vertalen: (spreekt de Heere), Die deze dingen van eeuwigheid kenbaar maakt. Hij legt dat zo uit: , , God openbaart zich steeds, in de dagen van Amos en ook nu". Mij dunkt dat de verhouding tussen heden en verleden anders ligt. Het gaat er Jacobus niet om, dat God zich in het heden openbaart, maar dat Hij. in het heden doet, de dingen die van eeuwigheid bij Hem bekend zijn. Voor de kenners van het Grieks zij hier nog bij vermeld, dat poioon geen lidwoord bij zich heeft in Hand. 15:18. Het bedoelt dus niet een deugd van God aan te geven, maar wijst aan dat God steeds doende is met de dingen, die Hem van eeuwigheid bekend zijn d.w.z. die in Zijn Raad staan. Wat staat er dus in vers 18. Heel nauwkeurig vertaald : dat God de dingen doet, die van eeuwigtieid bekend zijn. Zo vindt men Hand. 15:18 overgezet in de Nieuwe Vertaling: , , Spreekt de Heere die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn". Petrus Canisius : , , Zo spreekt de Heere, die deze dingen doet, die van eeuwigheid zijn bekend". De Leidse Vertaling : , , Die deze van eeuwigheid bekende dingen doet". Het komt mij voor, dat hier niet aan woorden uit Jesaja 45 : 21 is te denken. Jesaja heeft akousta en Jacobus spreekt van gnoosta. Jesaja heeft ap arches en Jacobus spreekt van ap aioonos.
Er is dus geen reden om te zeggen, dat de vertaling, die wij in de Statenbijbel vinden, te verwerpen is, wat de zin betreft. Alleen moet men bij gebruikmaking van deze tekst, rekening houden met de verschillende lezingen. Nu alleen nog dit. Een schrander lezer zou kunnen vragen of niet reeds de uitdrukking van eeuwigheid verbood om te denken aan de profeten uit de vroegere tijden. Doch hiermee is het zo, dat ap aioonos ook kan betekenen: van oudsher. Zo vertaalt de Statenbijbel in Hand. 3:21 deze uitdrukking met: , , van alle eeuw" en in Lucas 1 : 70 met: van het begin der wereld.
Het woordje aioon kan twee dingen betekenen : in de volle zin eeuwigheid of een verre lange ononderbroken tijd. In Lucas 1 : 55 lezen we van barmhartigheid in der eeuwigheid, Joh. 6 : 51 spreekt van: in der eeuwigheid leven, Judas: 13 van in der eeuwigheid bewaard worden. Dat is allemaal wel „eeuwig" in de volle zin. Oorspronkelijk betekent aioon eeuwig in de volle zin. Maar deze betekenis is soms verzwakt. Vandaar dat we ook wel eens in de Griekse tekst een meervoud vinden om de oude betekenis aan te geven, b.v. in Lucas 1 : 33. De Statenbijbel leest daar: in der eeuwigheid. Ik hoop dat al dat Grieks u niet verveeld heeft. Gods Woord is het waard nauwkeurig onderzocht te worden.
Conclusie: ook bij een andere tekst is de lezing, die wij in de Statenvertaling hebben, naar de zin juist. God doet altijd de dingen, die bij Hem van eeuwigheid bekend zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's