De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOG EENS ZONDE EN ZIEKTE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOG EENS ZONDE EN ZIEKTE

11 minuten leestijd

Ds. Martin wijdt in het tweede gedeelte van zijn boek nog eens een hoofdstuk aan het verband tussen zonde en ziekte.

Dit is maar niet een stelling van deze auteur, maar een Schriftuurlijk gegeven, waaraan wij niet twijfelen. In welke verlegenheid komen zij echter, die de zonde niet ernstig nemen, van zonde eigenlijk niet willen horen, als zij ziekte en dood willen verklaren ?

Iemand kan wel zeggen, dat de dood past in een natuurlijk verloop der dingen, m.a.w. een heel gewone natuurlijke zaak is, en de spreekwijze van een „natuurlijke" dood is algemeen, als wordt bedoeld een dood niet door geweld.

Ik geloof echter niet, dat er iets natuurlijks in de dood is, want ik zou menen, dat de menselijke ziel zich niet zo sterk tegen de dood verzetten zou, indien de dood een natuurlijke zaak ware. De dood zou een vriend zijn, en het tegendeel is waar. Ook de Schrift spreekt dat uit en noemt de dood de laatste vijand. (1 Cor. 15 : 26). De mens draagt de eeuw in zijn hart en daarom verzet hij zich tegen de dood.

Ziekte en dood knagen aan het leven, maar zij brengen hun eigen verklaring niet mee ! De dood is een mysterie voor het menselijk verstand en zonder openbaring van de God van leven en dood, weet niemand wat dood eigenlijk is en hoe de dood is ingekomen in ons leven. De dood is ingekomen. Daarin ligt uitgedrukt, dat de dood een vreemdeling is, een indringer, een rover, een duistere macht. Door de ongehoorzaamheid van één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood en de dood is doorgegaan tot alle mensen. (Vgl. Rm. 5 : 12). De dood is de bezoldiging der zonde en heerst over lichaam en ziel. De dood heeft derhalve een geestelijke en een lichamelijke zijde.

't Is alzo duidelijk, dat ook het Middelaarswerk van de Heere Jezus Christus zowel de ziel als het lichaam betreft en dat Zijn opstanding voor lichaam en ziel betekenis heeft. Hij immers heeft de dood overwonnen en vernieuwt de ganse mens.

Niet zonder reden belijden wij dan ook met de apostolische geloofsbelijdenis : , , Ik geloof in de wederopstanding des vleses".. De Heere Christus is niet alleen een Verlosser der ziel, maar Hij heeft ook het lichaam ontrukt aan de dood.

Verder zal men toegeven, dat de genezingen van kreupelen, lammen, blinden, doven, en van zovele kwalen, door de Christus op aarde volbracht, op hetzelfde verband wijzen en als tekenen van Zijn Messiaanse waardigheid van ouds zijn aangekondigd.

Het is derhalve geen onschriftuurlijke stelling, als men beweert, dat aan de genezing der ziel ook de genezing van het lichaam moet gepaard gaan,

Aan deze waarheid een leerstuk van de dienst der genezing te ontlenen, lijkt ons echter niet juist en niet Schriftuurlijk.

En toch wil ds. Martin dit, mede in navolging van anderen, dat doen. Hij wil een dienst der genezing aan de dienst der prediking verbinden en waarschuwt tegen losmaking van de dienst der genezing van die der prediking. Dan immers gaat men genezing zoeken om de genezing zélf — , , en niet als een zichtbaar teken van de volkomen verlossing van de mens uit alle boze machten, die de ziel belagen", (blz. 85).

„De christenen zullen moeten leren, dat de vergevende Christus ook de genezende Christus is en aan hen, die men tot geloof wil brengen, zal men eerst moeten laten zien, dat Christus om hun lichamelijk welzijn bekommerd is, om hen daarna te brengen tot Hem, die de ziel verlost", zo vervolgt hij op blz. 85.

Dat zou zo wel kunnen, als wij beschikken konden over een genezende kracht, maar dat is zo niet.

Een dergelijke stelling gaat dan ook van een verkeerde visie uit, welke ons in de Heilige Schrift niet alzo wordt geleerd. Ook 't bevel der prediking houdt toch niet in, dat de prediker de macht zou hebben om mensen te bekeren? Christus is het die Zijn gemeente bouwt. Dat Hij daarbij mensen in Zijn dienst stelt, neemt niét weg, dat Hij zelf de Bouwmeester van het huis is. (Hebr. 3).

Christus vernieuwt het leven dergenen, die de Zijnen zijn, niet de prediker, die krachtens Zijn bevel uittrekt.

Op de genezing is dat nog veel meer van toepassing. In de eerste plaats is er niet een bevel: Gaat dan henen en geneest de volkeren, maar gaat dan henen en onderwijst al de volken, predikt het Evangelie aan alle creaturen.

Zo waarlijk Christus door het Woord der prediking Zijn gemeente saamvergadert, zo waarlijk Hij ook de dood overwonnen heeft, zal Hij ze ook opwekken in nieuwigheid des levens, want Hij is de Levensvorst.

Weliswaar, dat Hij Zijn genade, Zijn goddelijke kracht en majesteit ook na Zijn hemelvaart openbaart door genezing van kwalen en ziekten.

In het leven van Gods kinderen wordt dit veelvuldiger ervaren dan men zou denken. Gebedsverhoring en gebedsgenezing komen veel meer voor, dan de wereld weet, maar het blijft dikwijls ook in het kerkelijk leven nog verborgen. De kracht van Christus' opstanding wordt aan lichaam en ziel ervaren. Hoe zou het anders kunnen, daar degenen, die van Christus zijn, leden genoemd worden van Zijn verheerlijkt lichaam.

Dat alles is echter nog geen grond om van een dienst der genezing te spreken, en de voornaamste reden daartegen aangevoerd is wel deze, dat wel aan sommigen de gave der gezondmaking geschonken wordt, maar nergens staat, dat aan de gemeente als zodanig die gave is geschonken, terwijl, zoals wij reeds opmerkten, ook het bevel der genezing ontbreekt, hetwelk niet zonder meer als in het bevel der prediking ingesloten mag worden beschouwd. Ook het discipelschap sluit niet zonder meer de gave der genezing in.

Er is echter nog meer.

Zulk een dienst der genezing zou zeer wel overeen te brengen zijn met de onderstelling, dat de vernieuwing van ziel en lichaam krachtens het verlossingswerk in Christus procesmatig geschiedde, en wel op zulk een wijze, dat allengs die vernieuwing in deze bedeling ten einde toe werd voltrokken, zodat ook het lichaam van degenen, die van Chris­tus zijn, in deze bedeling onsterfelijkheid zou aandoen en de dood niet zou zien. (Vgl. 1 Cor. 15).

Hoewel de Schrift leert, dat het schepsel als in barensnood is om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde voort te brengen, en dat deze dingen door de verhoogde Christus worden toebereid en gewerkt, leert toch die zelfde Schrift, dat deze veranderingen niet alzo verlopen, dat het oude geleidelijk in het nieuwe overgaat. Integendeel, Gods Woord leert ons, dat deze dingen zullen worden voltrokken als in één punt des tijds, als de oogst der wereld is rijp geworden.

Dan zal ook het lichaam dergenen, die in Christus gestorven zijn, in heerlijkheid worden opgewekt en onsterfelijkheid aandoen, terwijl degenen, die dan leven, zullen veranderd worden. (1 Cor. 15 : 52).

De gaven der gezondmaking, welke God in de gemeente der eeuwen vroeger en later gegeven moge hebben, ja, al waren zij machtig om doden op te wekken, hebben nimmer een volk van onsterfelijken voortgebracht. Ook de door Christus opgewekten van de dood, zijn wederom gestorven.

Het is bij gaven der gezondmakingen en gebedsgenezingen gebleven als bijzondere openbaringen van Christus' zonde en dood overwjnnende kracht en macht in de leerschool des geloofs.

Het is zeer wel mogelijk, dat de Heere op het zendingsveld de tekenen van Zijn goddelijke kracht doet vergezellen aan de prediking, maar ook dat kan geen dienst der genezing zijn als een stelselmatige toepassing van de gave Gods.

Men zou b.v. als methode der zending niet kunnen aanbevelen: Doe eerst gedurende langer of korter tijd niet anders dan dienst der genezing.

Wat zouden de zendelingen verlegen staan, als zij alleen op de genezing door geloof en gebed waren aangewezen zonder de hulp van de middelen der medische wetenschap ? En als zij dit deden, zouden zij niet voor een soort magiers of medicijnmannen worden aangezien, inplaats van gezanten, die een boodschap van hun Koning hebben te brengen ?

Dat ziet trouwens ds. Martin zelf ook in, want hij merkt onmiddellijk op, dat hij slechts een algemene visie bedoelt, en dat die tot geen enkele prijs tot een systeem moet worden gemaakt, (blz. 85).

Vreemd is echter zijn opmerking, dat , bovendien in onze kerken de Bijbelse onderscheiding van de gelovige, die het heil in Christus accepteert, en de ongelovige zozeer uitgewist en miskend, dat men in het ene geval zal moeten handelen, alsof het een discipel van Jezus Christus betreft, en in het andere geval, alsof men te maken heeft met een ziel, die nog gewonnen moet worden. Vandaar, dat het nodig is, dat hij, die dit werk wil doen, een scherp onderscheidingsvermogen heeft, dat alleen de Heilige Geest kan geven", (blz. 85 v.).

Wij hebben nu eenmaal in de gemeente, die zich naar Christus noemt, gelovigen en hypocrieten. De verhouding tussen beide groepen moge in verschillende tijden verschillend zijn, maar het feit is eenmaal zo, dat niet alles Israël is, wat Israël genoemd wordt.

Dat is niet iets nieuws in de moderne tijd, maar dat is altijd zo geweest. Zelfs onder de twaalf discipelen van de Heere Jezus was een verrader. Zowel de prediking als de pastorale arbeid dient met dat feit te rekenen, maar die prediking heeft dan ook in de eerste plaats een taak ten aanzien van de ongelovigen en die in hun onbekeerde wandel volharden.

Wij hebben de indruk, dat ds. Martin van de gedachten wil uitgaan, dat de dienst der genezing, welke hij zich voorstelt, een gemeente van gelovigen onderstelt. Hij wijst althans op Nazareth, waar Christus geen krachten kon doen vanwege hun ongeloof. (Marcus 6 : 5 v.).

Aangezien de prediking zich juist richt tot goddelozen, omdat de Heere goddelozen roept tot bekering en goddelozen uit genade rechtvaardigt, geeft ds. Martin hier eigenlijk nog weer een argument voor ons standpunt, dat het bevel der prediking niet een bevel der genezing insluit.

Men behoeft zich er dan ook niet over te verwonderen, dat iets, dat op een dienst der genezing kan lijken, telkens weer als iets van die aard zich voordoet, aan een secte doet denken.

Naar onze mening houdt dat verband met de charismatisch karakter van deze dienst.

In geen geval kan men beweren, dat de vrucht van ons geloof daarin moet openbaar worden, dat wij de gave der genezing hebben. Wel kan het gebed ter genezing vrucht des geloofs zijn en genezing vrucht van een verhoord gebed.

Wel kan men echter beweren, dat, indien onze gemeenten sterker waren in het geloof, deze vrucht rijker in de gemeente zou gevonden worden. Dit kan echter niet verwacht worden in onze gemeenten, die steeds verder afdwalen van de erkenning der zoeven genoemde onderscheiding tussen gelovigen en ongelovigen en ook al te veel geleid worden door een prediking, die geloof en ongeloof in de hemel zet.

Zo is ook dit boekske van ds. Martin, ondanks al het goede, dat men er in kan vinden, niet vrij van zwakheden, die uit theologisch oogpunt herziening behoeven.

Hij zegt op blz. 89 eerst, dat de psychiatrie zich niet duidelijk uitspreekt op het vraagstuk der demonen en „nog niet weet, waar de grens moet getrokken worden tussen wat terecht als bezetenheid door demonen kan worden betiteld en psychische afwijkingen, die door iets anders veroorzaakt worden".

Een ieder kan weten, dat demonen nimmer een object van wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn, om de eenvoudige reden, dat zij wezens van een andere orde zijn.

Desniettemin schrijft ds. Martin heel gemoedelijk: , , Ook worden veel ziekten, die Jezus als demonisch beschouwde, heden niet meer als zodanig opgevat", (blz. 89).

Een meer kritische zin, zou een dergelijke zinsnede niet in overeenstemming achten enerzijds met de autoriteit van Christus en anderzijds met het geheel andersoortig karakter van de demonen, dat zich onttrekt aan de gewone wetenschap.

Zo zou er meer zijn op te merken. Op blz. 90 schrijft hij : „Het is een feit, dat Satan, die wij beschouwen kunnen als personificatie van alle boze en demonische machten", enz. Dat is n.l. veel te zwak, omdat de Heilige Schrift geen twijfel laat over het bestaan en het persoonlijk karakter van de Satan. Men denke aan de verzoeking in de woestijn, aan het boek Job, aan Openbaringen 20 en andere plaatsen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NOG EENS ZONDE EN ZIEKTE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's