Godefridus Udemans
I
Weer een nieuwe figuur biedt zich ons aan. Hij staat nog dichter bij Teellinck dan de pas besproken Ridderus, daar hij lange jaren predikant was in Zierikzee, dus in Teellinck's geboortestad,
Udemans is geboren in Bergen op Zoom, ongeveer 1581 en overleed in Zierikzee in 1649. Hij werd al predikant op 17 a 18-jarige leeftijd, wat nogal protest heeft opgeroepen. We denken aan de bekende , , afgescheiden" ds. J. van Andel, die ook al zo jong predikant werd, en begrijpen dat tijden, waarin predikanten zeer schaars zijn, wel eens tot , , extra ordinaire" middelen moeten grijpen. Wat dan echter wel veronderstelt, dat de zo jong beroepene ook buitengewoon begaafd is. Dat geldt van ds. Van Andel; zeker ook van Udemans.
Na die korte aanloop is hij dan in Zierikzee gekomen, waar hij haast 50 jaar heeft gearbeid. En meteen zien we, voor wat een waardevol man zijn tijdgenoten hem hebben gehouden. Hij is, als alle mannen van de Nadere Reformatie, contra-remonstrant. Met Faukelius (de man van ons , , Kort Begrip") zien we hem zo in 1616 in Amsterdam op één van de bekende voorvergaderingen, die de remonstrantse geschillen tot agenda hebben.
Het volgende jaar doet hij met Walaeus en Trigland hulpdienst, als vertrouwensman, in de wegens remonstrantse overmacht , , dolerende" gemeente van Den Haag. Nog weer een jaar later is hij assessor van de Zeeuwse Synode, die hem naar de Dordtse Synode afvaardigt, waar hij vice-praeses is. Alles samen doet wel blijken, hoeveel vertrouwen in Udemans werd gesteld.
Zoals we al zeiden: Udemans stond lang in Teellinck's geboorteplaats. Bovendien was ook hij predikant in Haamstede, Teellinck's eerste gemeente. Dat doet al samenhang vermoeden. Inderdaad zijn zij samen wel de belangrijkste vertegenwoordigers van het Zeeuwse Piëtisme. Met dan toch weer verschil : de mystieke ader, die bij Teellinck al wat flauwer klopt dan bij Brakel Sr., is bij Udemans nog weer minder voelbaar. Dat moet dan wel betekenen, dat Udemans wat meer aandacht heeft voor cultuur en wereldleven. Dat heeft hij ook inderdaad. In zijn (en Teellink's) dagen beleeft de Vereenigde Oostindische Compagnie (V.O.C.) gouden dagen. Daarmee gaat een economische opbloei gepaard en daardoor komt er ook meer luxe en vertoon, die Udemans naar ons besef makkelijker geaccepteerd heeft dan Teellinck. Dat doet ons even denken aan de bewering van een duits econoom (Max Weber), dat de geest van het kapitalisme een vrij sterke invloed zou hebben ondergaan van het Calvinisme, dat daarin zou hebben gezien een stuk van de aan de mens opgedragen beheersing der wereld. Deze opmerking lijkt ons toch maar heel getemperd juist. Calvijn kent stellig een wereld- en cultuuraanvaarding, om Godswille, maar hij schrijft niet voor niet boven een zeer belangrijk hoofdstuk van zijn Institutie: De overdenking van het toekomende leven. Daarom kent Calvijn tevens een scherpe cultuurcritiek, die heel bepaald ook Mammon geldt, in de gedaante van het opkomend kapitalisme. We kunnen zeggen, dat Calvijn's volgelingen allemaal wat pendelen tussen die twee polen van cultuuraanvaarding en cultuurcritiek en Udemans vinden we dan wat meer aan de positieve pool, zonder dat we daaruit nu moeten afleiden, dat de negatieve hem daarom vreemd is. Pas met Kuyper is het in de .gereformeerde kring tot een zeer resolute cultuuraanvaarding gekomen, denk aan de nadruk op de Algemene Genade. Maar dat heeft er o.i. toe geleid, dat Kuyper eerst vervreemd is geraakt van het Piëtisme, dat hem aanvankelijk bezielde en, niet los daarvan, ook een Calvinisme heeft gepropageerd, dat hij zelf en met een andere waardering, ook zijn critici hebben genoemd : Neo- (Nieuw-) Calvinisme.
Met wat we van Udemans opmerkten, bedoelen we niet hem te maken tot een , , Kuyperiaan vóór Kuyper". Want met heel de Nadere Reformatie maakt Udemans scherp front tegen de weelde, pleitend voor zondagsheiliging en met Voetius nodigend tot de beoefening van een „ascetiek", een geestelijk leven, waarin vasten, waken en bidden hun plaats hebben. Maar dit alles gebeurt toch tevens met een bezadigdheid en een gevoel voor maathouden, die we zeker wel moeten verklaren uit de Zeeuwse volksaard, zogoed als uit Udemans' karakter. Wat ons al heel weldadig aandoet, is, dat we bij hem een even sterk sociaal en diaconaal gevoel aantreffen als b.v. bij Taffin. Hij neemt het graag op voor armen en hongerigen, zowel in geestelijke als stoffelijke zin. De Nadere Reformatie heeft, evengoed als later het Réveil, de neiging tot een overgeestelijkheid, die aardse en stoffelijke noden wel wat te makkelijk voor onbelangrijk houdt. Zoals het Heldring was, die het Réveil naar de praktijk deed grijpen, om ook sociaal leed te lenigen, zo hebben vooral Taffin en Udemans dat gedaan binnen het Piëtisme. Wanneer zij voor deze nodige zaak meer aandacht en navolging hadden mogen wekken, hadden de latere socialisten met wat minder recht kunnen beweren, dat de kerk het te druk met de hemel en de zaligheid had en daarmee de armen en vergetenen in de kou heeft laten staan. In deze kritiek proeven we stellig iets van het marxistische, atheïstische venijn, dat er geen weet van heeft hoe centraal hemel en zaligheid in het mensenleven zijn. Maar het valt niet te ontkennen, dat heel de kerk hier schuld heeft en een bepaalde tendenz in de Nadere Reformatie zich hier niet licht de handen in onschuld wast.
We noemen nu even de werken van Udemans op, waaruit kan blijken, waarheen zijn oog en hart uitging. Een eerste boekje, uit 1608, maar vaak herdrukt is: Christelijke bedenkingen die de gelovige ziel dagelijks behoort te betrachten. Dat is ons een bekend geluid. Zo pleitten Teellinck, Brakel Sr. en Ridderus voor geestelijke oefeningen op bepaalde tijden, om de werkdag wel anders, maar niet minder te heiligen dan de zondag. Naar die kant kent Udemans dus wel de waarde der mystiek, hoewel die hem niet buiten de wereld zet, maar brengt tot heiliging (ascese) binnen zijn plaats en taak in de wereld.
Tegen de mannen van de Nadere Reformatie is nogal eens ingebracht, dat ze „dopers" (negatief) zouden zijn in hun beschouwing van wereld, kerk en sacramenten. We hebben zojuist moeten erkennen, dat een zeer mystieke vleugel stellig gevaar loopt de boze wereld daarbuiten te mijden, „met een boekske in een hoekske", om daardoor intussen dubbel sterk te worden geconfronteerd met de boze wereld van binnen. Toch hebben de genoemden te sterk aan de schepping vastgehouden, ook aan hun roeping en taak krachtens wet en evangelie, dan dat ze de wereld zo makkelijk ontlopen zijn. Dat de zendingsgedachte en - praktijk juist het eerst in deze kring opkomt, spreekt boekdelen. We hebben hier met een andere levensbeschouwing en zelfbeoordeling te doen, waarbij met name de doperse hang naar volmaaktheid scherp wordt afgewezen. Als men kritisch staat tegenover wereld en kerk, dan toch niet als een hooggevoelende geestesaristocratie (zo de Dopers), maar als mensen, die met de wereld verlegen zijn, omdat ze dat met zichzelf zijn.
Het on-doperse aan Udemans komt nader uit in de strijd, die hij, evengoed als Taffin, Brakel Sr. en Ridderus (maar evengoed haast alle pioniers van de Hervorming in ons land) heeft gevoerd tegen de Doopsgezinden. Ook in Zeeland, zo goed als in Friesland, waren de Doopsgezinden talrijk en zelfbewust. Ze hielden graag openbare twistgesprekken, o.a. één met de Zierikzeese predikanten, onder wie we Udemans ontmoeten. Het gesprek liep over het tere punt, typisch modernistisch aandoend, n.l. over de menswording van Christus. Daar leerde Menno Simons van en op zijn gezag deze Zeeuwse Doopsgezinden, dat Christus niet werkelijk, echt mens is geworden, maar enkel een schijnlichaam had. Hij werd wel door Maria ter wereld gebracht, zonder daarom ook uit Maria te zijn geboren.
Wij voelen hierin duidelijk iets , , sociniaans", want begrijpelijk valt hiermee heel het plaatsbekledend lijdens- en verzoeningswerk van Christus. Daarom kwamen de vaderen, onder wie Udemans, daartegen met felheid op. Als over deze conferentie een verslag is verschenen, gevolgd door een soort geloofsbelijdenis van de hand van één der disputerende doopsgezinde vermaners, geeft Udemans daartegen een lijvig boek uit: , Noodighe verbeteringhe, d.i. Schriitmatige aenmerckingen op seker boecxken van. Frans de Knuyt, 1620. Dit boek beleefde een herdruk, vond dus nogal belangstelling. Van al die twistgesprekken zag men (en zien wij) anders bitter weinig vrucht, zodat ze tenslotte zijn uitgestorven. En Udemans heeft het stellig ook belangrijker gevonden, zijn tijd en krachten aan positiever, vruchtbaarder taak te besteden.
Daarover een volgend maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's