KRONIEK
De Generale Synode begin 1956. Besluiten meer apostolair en oecumenisch dan over „de waarheidsvraag". Briefwisseling van dr. Berkhof en ds. Boer. „De moeilijke prediking". Vrijzinnige prediking ook in Herv. Gemeente van Den Haag? „Wij zijn van de kaart". Overheidssteun voor kerkbouw. Uit de Synode der Gereformeerde kerken. Achtergronden.
De eerste zitting van de Generale Synode onzer kerk dit jaar, waarin ds. de Ru, uit Rotterdam, als praeses werd gekozen, heeft verder een veelkleurige en veelzijdige agenda afgehandeld. Er is gehandeld over het probleem Kerk en Israël, over het rapport over bewapeningsvragen, verhouding tot de Lutherse en de Geref. kerken, over de predikantsopleiding, een tekort aan predikanten, dat volgens dr. Berkhof er over ca. drie jaar wel zal zijn, en zó maar meer.
De ijver en het uithoudingsvermogen van de leden dwingen nog steeds onze bewondering af. Maar het moet ieder belangstellend en meelevend kerklid opvallen, dat de Synode het over het algemeen en ook nu, meer in het apostolaire en oecumenische zoekt, dan dat ze zich , , beweegt in de weg" om klaarheid te verschaffen inzake de functie van de belijdenis der kerk en wat daarmede samenhangt- *)
Ze laat de kerk veelszins in de mist en we zijn nog niet veel verder dan in het tijdperk, dat , , geest en hoofdzaak" het non plus ultra van kerkelijke wijsheid waren. En zulks ondanks de spanningen dienaangaande in de kerk. De symptomen van die spanningen zijn er menigvuldig. Het recentste blijk daarvan is wel de briefwisseling tussen dr. H. Berkhof en ds. G. Boer (zie „Woord en Dienst", dd. 11 febr. '56). We zijn benieuwd naar het antwoord van dr. B. op het warm pleidooi van ds. B. voor het klassiek-reformatorisch karakter der kerk. Want daarmee is wel de hoofdzaak van het antwoord van ds. B. samen te vatten. Daarover gaat het in dit verband en niet om „handtekeningen" en „proces" etc. En die kern der zaak is niet weg te redeneren met benoemingen en dergelijke. Het stuk van dr. B. is vooral in dit opzicht interessant, dat we over motieven voor de benoeming van ds. de Jong als conrector van het Seminarie en die van dr, S. van der Linde als lector — en wellicht straks als hoogleraar? — in Utrecht, nu wel dit licht gekregen hebben, dat een en ander was om diverse groeperingen in de kerk te contenteren. Officieel is deze mededeling, strikt genomen, niet, maar ze semiofficieel te noemen lijkt ons niet met de waarheid in strijd.
Over de , , waarheids vraag" handelt ook H. G. G., zij het dan van terzijde, in het „Hervormd weekblad De Geref. Kerk" van 9 februari 1956, in zijn artikel , , De moeilijke prediking" en eveneens, meer direct, dr. Streeder in zijn eerste stuk: „De zwijgende God en de sprekende kerk".
H. G. G. heeft het over de vereisten, waaraan de prediking in de , , Christusbelijdende volkskerk", juist omdat zij volkskerk wil zijn, moet beantwoorden. De schrijver komt er niet uit — hij zegt het zelf —, want het dreigt een onderscheiden tot in het oneindige.te worden. En zulks ten koste van de helderheid. Dat ligt niet aan H. G. G., die mans genoeg is, de dingen helder te zeggen, maar aan de normen, welke hij zich stelt, wat weer verband houdt met de volkskerkidee, voor welker Schriftuurlijke gegrondheid nog altijd het bewijs moet geleverd worden.
Wat dr. Streeder inzake de , , waarheidsvraag" in onze kerk als oplossing geeft ? Wellicht is dat te vinden in het tweede stuk over het onderwerp, dat nog komt. Zijn artikel is n.l. een bespreking van wat dr. P. Smits, een der predikant-voorgangers van de afdeling der Vrijzinnig-Hervormden te Den Haag, onder dat zelfde opschrift publiceerde in het hoofdorgaan „Kerk en Wereld". Dr. Smits stelde in dat stuk aan de orde de zekerheid van het spreken Gods, of misschien nog juister gezegd, de zekerheid van het horen van de stem Gods, welke zekerheid hij disputabel meent te moeten stellen en te ontkennen. Een en ander houdt natuurlijk wel verband met een zekere wijsgerige instelling. Maar daarover nu niet meer. We wachten, wat dr. Streeder daarop zal uiteenzetten.
Maar dit eerste artikel van dr. Streeder verhaalt in zijn begin, dat er in de centrale kerkeraad der Herv. Gem. van 's Gravenhage besprekingen gehouden zijn over een weg om dr. P. Smits en zijn collega als predikant met bijzondere opdracht, onder de officiële kerkeraad te brengen. Dat mocht nog niet wereldkundig worden, maar dr. P Smits heeft het in bedoeld artikel geventileerd. Ook 's Gravenhage zal misschien, dus eerlang, de andere steden, Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, en naar ik meen, Groningen, eens confessionele bolwerken volgen.
Ds. Groenewoud schreef enkele weken terug een kort artikel onder de titel : „Wij zijn van de kaart". Het was naar aanleiding van ëen publicatie van de hr. Scheps, redacteur van het „Kerknieuws", waarin deze, de predikantsplaatsen in de Hervormde kerk rubricerend naar de „modaliteiten", van de confessionelen niet had gerept, en dus gedaan had alsof ze niet meer bestonden. Dat was niet erg vriendelijk van de heer Scheps, indien hij althans beter weet. Evenmin als het elegant was van degene, die jaren geleden constateerde, dat er onder de theologische studenten bijna geen „confessioneel"-gezinden waren en daarom sprak van een „uitstervend , , genus" (soort)-
Maar als we nu zien hoe in de bovengenoemde , , confessionele bolwerken", meerdere confessionelen medewerkten of werken — gedreven door hun volkskerkelijke idealen! — om de vrijzinnigen „van zekere nuancering" dan in het officiële kader in te schakelen, hebben zij dan niet zelve mede schuld aan de „onvriendelijkheden" als van de heer Scheps? Maar we nemen gaarne nota van wat ds. G. (H. G. G.) schreef, en hopen uit vele krachtige geluiden, opkomend uit een positief klassiek-gereformeerde klankbodem, te merken dat ze , , niet van de kaart" zijn.
En voorts, wat de „moeilijke prediking" betreft: „Paulus, opdat hij er enigen zou behouden, was de Joden een Jood en de Grieken een Griek, en allen alles, doch had geen moeite met de problematiek der verscheidenheden, eenvoudig weg, niet „in beweeglijke woorden der menselijke wijsheid", Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods predikend. Natuurlijk ontheft dit geen predikant van de schuldige plicht — en daar neme ieder het nauw mede voor God! — om de verschillende , , liggingen" — men vergunne ons dit ietwat , , ouderwetse" woord — te onderkennen en daarop een „onderscheidenlijke" prediking af te stemmen. „Bevindelijk" alzo, zal misschien iemand zeggen: Het zal wel! Het bedoelt niet het cultiveren van een zekere , , bevindelijkheid", wat niet veel anders is dan een dor schema, waar de mensen gewoonlijk weinig naar luisteren. Het is een zegen, dat God in Zijn Heilige Geest er voor zorgt, dat dndanks de „ergernis van het Kruis", er zovelen geloven als ertoe verordineerd zijn. Ook ds. Gr. wijst daarop, zij het in enigszins andere bewoordingen.
Het jaaroverzicht 1955 in „De Hervormde Kerk" vermeldde o.m. dat in Bussum, Vlissingen en Ridderkerk, de raad der gemeente een subsidie heeft gevoteerd voor de bouw van een nieuwe kerk. De plaatsen zijn nog eenlingen wat dit betreft, in hun provinciën. Er staat niet bij, voor zover ik mij herinner, op welke gronden de diverse gemeenteraden de gelden hebben beschikbaar gesteld. Misschien was het een culturele basis, of gold de snelle aanwas der bevolking in de verschillende plaatsen als motief. Bussum is een sterk uitgroeiende forenzengemeente. Vlissingen zal ook wel een accres der bevolking vertonen, en Ridderkerk is een der snelst groeiende industriecentra geworden.
Als een pendant van dit bericht uit „De Hervormde Kerk" het volgende : (Geref. Weekblad, J. H- Kok, d.d. 30 Dec. 'SS) :
Gevaar .Ten aanzien van de suggestie dat voor kerkbouw overheidssubsidie aan te vragen zou zijn. sprak de kerkeraad van Ermelo uit, dat zij principieel hierover thans niet beslissen kan, dat deze subsidie in de situatie der gemeente niet nodig is en er geen gronden zijn, deze aan te vragen, en dat, eer men deze weg op zou gaan, zeer ernstig rekening moet gehouden met het feit, dat de kerk zich daarmede stelt in de invloedssfeer der overheid en zich blootstelt aan het gevaar van verzwakking van de offerzin.
De Synode der Geref. Kerken nam in haar voortgezette zitting in de maand januari j.l. twee besluiten, welke nogal ingrijpend zijn.
Handelend over de verhouding diaconie-overheid, aanvaardde zij het rapport der commissie ad hoc, zij het geamendeerd, dat de strekking heeft, dat „het kerklid, dat ook staatsburger is, gebruik mag maken van de sociale zorg". Wanneer de acta verschijnen zal een preciese omschrijving van een en ander te geven zijn en een juistere beoordeling. Doch met die reserve dan lijkt het toch wel, dat dit besluit op de tot nu toe gevolgde gedragslijn, een ingrijpende, om niet te zeggen principiële wijziging betekent. Moet hier ook gesproken worden van invloed van inzichten in de hervormde diaconale beweging werkend ?
En dan ging het over het , , gezinsvormingsvraagstuk". , , Trouw" rept in dit verband van een , , tere" zaak. Het verslag noemt de woorden en zaken, hier in gesprek, niet, doch ieder voelt wel, dat het ging over „gezinsbeperking" en wat daarmede samenhangt. Besloten werd een commissie voor bestudering van deze kwestie in te stellen. Is hier een zwichten voor invloeden van , , de geest des tijds", of een rijper(? ) wetenschappelijk inzicht drijvende achtergrond ? Prof. Dijk bezigde in het debat „diaconieoverheid" de woorden , , statisch" en „dynamisch". Werkte bij het „gezinsvormingsvraagstuk" ter Synode een bepaalde dynamiek ? Wij wachten met belangstelling het rapport af.
Die synodale oogst van januari overziende, dringt de vraag zich op : ging het niet in de lijn van het bekende woord : „de tijden veranderen en wij met hen? " Wellicht volgt vroeger of later ook nog eens een aanvrage om overheids-subsidie voor een te bouwen kerk. Art. 36, oude en „nieuwe" redactie, spreekt nog immer van „het ambt der overheid". Een „vergeten hoofdstuk" ? Och ja, maar het is en blijft het artikel van de belijdenis - der kerken van de , , gereformeerde gezindte", waarin zij uitspreken, hoe de gemeente Gods een vrije baan moet hebben om de schat der Kerk, het eeuwig Evangelie, uit te dragen aan alle creatuur.
*) In het „Hervormd. Weekblad" van 16 februari j.l. schrijft C. M. L. in „Brieven uit de Synode", dat in verband met het concept „Handreiking voor het gesprek der richtingen" o.m. „de waarheidsvraag" aan de orde werd gesteld. Al is dit meer indirect, dan direct o.i., we nemen daarvan niettemin dankbaar nota.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's