PRAEDESTINATIE
Het leerstuk van de praedestinatie of voorbeschikking heeft door de eeuwen heen ergernis gewekt bij velen en het is met name de goddelijke verkiezing, die de valse profeten schijnt te prikkelen.
Christus spreekt over de enge poort, die tot het leven leidt, en onmiddellijk daarop volgt zijn vermaning : , , Wacht u voor de valse profeten" (vgl. Matth. 7 vers 15).
De valse profeten ontkennen de verkiezing niet- Hoe zou dat kunnen ? Niet alleen is de Schrift op dit punt zeer duidelijk, doch wie slechts een oppervlakkige indruk heeft van de Majesteit Gods, gevoelt, dat de wereld niet aan het lot of een toeval kan overgelaten zijn, als de almachtige God haar Schepper is. En hoe zou de wereld zonder Hem bestaan?
Derhalve zijn de valse profeten veelal in de weer om de ergernis van de leer der praedestinatie weg te nemen door daaraan een betekenis te willen verbinden, welke met de , , waardigheid", die men de mens wil toeschrijven, geacht wordt overeen te komen.
Eigenlijk wil de mens zelf de beslissing in handen hebben.
Met opzet spraken wij van de leer der praedestinatie, welke, zoals de geschiedenis der kerk duidelijk bewijst, zo grote rol speelt in de kerkelijke twisten en onenigheden.
Meestal is men n.l. met de leer bezig en met leringen en gedachtengangen omtrent een al of niet juist gestelde leer aangaande de praedestinatie, of een stuk daarvan, om nog te zwijgen van de speculaties, waarin men zich begeeft.
Op dit alles drukt het bezwaar van een bezig zijn met dingen van horen zeggen. Want, schoon wij de leer niet verachten en hartelijk onderschrijven, dat wij de leer nodig hebben en behoren te bewaren „naar de Schriften", zijn wij niet blind voor het gevaar dat met de „leer" het meest gesold wordt en dat deze ook het meest vervalst wordt, door degenen voor wie het slechts om een leer gaat en die geen kennis dragen van de gemeenschap met de levende, dat is de verkiezende God.
Alleen in de gemeenschap met die levende, met die verkiezende God, waarin de kinderen Gods worden betrokken, delen zij ook in de openbaring van de verborgenheden Gods door Zijn Woord en Geest. Zij krijgen van doen met de levende God, die zij leren kennen als de zich in Zijn Woord openbarende God-
Alles wordt levend. Het is niet meer de leer aangaande de Schrift, waarover de belijdenis spreekt, en waarover vele mensen boeken vol hebben geschreven. Het staat niet meer op een grote distantie — neen de distantie wordt weggenomen ; Gods kind wordt bij het werk Gods door het Woord betrokken. Het Woord wordt levend, de God van het Woord wordt ontdekt als de in dat Woord sprekende, als de levende, zich openbarende God.
't Gaat niet meer over dingen, die wij van vader en moeder, van onze onderwijzers, van de dominé gehoord hebben, de levende waarheid getuigt zelf. De geestelijke dingen verschijnen in al hun feitelijkheid voor ons, wij ontdekken, dat wij leven en ons bewegen in een wereld, die vol is van de werken Gods, vol van openbaring Gods. Zulk, een licht is er in het Woord opgegaan en zulk een glans laat het over de wereld schijnen.
Ook het leven van de mensheid verschijnt in dit licht en het persoonlijke leven wordt opgenomen in het werk der goddelijke barmhartigheid naar Zijn welbehagen. Het recht Gods wordt een levende en aangebonden zaak en Zijn gerechtigheid, waarmede wij van doen hebben, maar ook de zaligmakende genade Gods laat haar verzoenende en vernieuwende werking ontdekken in de gemeenschap van het lijden des Heeren en in de kennis van de kracht Zijner opstanding.
Geheel de orde des heils wordt gezien' als een wonder van Gods welbehagen in Christus en als een daad van goddelijke verkiezing.
Vandaar, dat het levend geloof in de Christus der Schriften niet twijfelt aan de verkiezing, omdat het opkomt uit de levendmakende daad van de verkiezende God. De ergernis van de verkiezing is weggenomen in de kennis van de levende God. Gods kind prijst zich gelukkig wegens die verkiezende daad en vindt in de kennis van het goddelijk welbehagen ook de rust en de zekerheid van zijn geloof.
Het kan wel zijn, dat de waarachtig gelovige omtrent de Raad Gods velerlei vragen gaat stellen, waardoor hij zich begeeft'in het labyrinth, dat zich omtrent deze leer heeft gevormd.
Dat zal hem van zijn geloof niet afbrengen, maar hij dwaalt, indien hij zich niet houdt bij het levende Woord Gods en zich bezighoudt met dingen, die ons niet geopenbaard zijn.
Dezer dagen verscheen in de „Dogmatische Studiën" van prof. Berkouwer een tamelijk lijvig deel, „De Verkiezing Gods". (Uitgave N.V. Kok te Kampen).
Wij juichen het toe, dat de auteur deze titel koos en niet b.v. de leer der verkiezing. Helaas, moet hij zich echter al te veel bezig houden met de leer, wegens de vele leringen. Het verblijdt ons echter ook zeer, dat prof. Berkouwer de verkiezing ziet als het hart van de Christelijke religie, gelijk het ook is.
Volkomen terecht wijst prof. Berkouwer er op, dat wij met zoveel karikatuur-vormen van doen krijgen, als het onderwerp der verkiezing aan de orde komt.
Voorts is er, dat blijkt daaruit reeds, ook veel misverstand omtrent de leer der verkiezing onder de mensen maar 't is van het meeste gewicht de vinger te leggen bij de ergernis, welke deze leer wekt.
Deze ergernis en de twist, welke zich om dit leerstuk voordoet, schijnt sommigen in te blazen om maar niet over dit leerstuk te spreken- Met instemming lezen wij op blz. 14 dan ook, dat prof. Berkouwer opkomt voor het standpunt van Calvijn, dat men de wijsheid Gods, die in de openbaring tot ons komt, heeft te eerbiedigen en dat het respect voor die openbaring ook aangaande de verkiezing niet toelaat te vluchten voor de Terkiezingsleer.
Dat is één kant, doch anderzijds is het ook diezelfde Calvijn, die waarschuwt tegen curieuselijk onderzoeken en speculeren en die ons vermaant nauwkeurig te onderscheiden, waar de grens ligt van het spreken Gods.
Wij moeten de grens respecteren.
Zijn eerste Hoofdstuk draagt tot opschrift „De grens der bezinning".
Waar ligt de grens ?
Wij horen reeds het antwoord, zodra deze vraag wordt gesteld, zo maar uit de mond van het gelovend en belijdend gemeentelid: de openbaring Gods, de Heilige Schrift. Hebben wij dat zoeven ook niet uit Calvijn's vermaning gehoord ?
Akkoord, wie zou dat anders willen stellen ?
Voorzichtig een beetje, wij hebben niet zonder aanleiding reeds menigmaal op het Schriftgeloof gewezen. Er is zoveel verschil tussen geloof en geloof en tussen tekst en uitleg.
Wij erkennen, dat niet alle geloof — om dat zo eens uit te drukken — legitiem geloof en alle uitlegging legitieme uitlegging is. Daarom is het antwoord, dat niet anders zegt, dan de openbaring is de grens, nog niet afdoende duidelijk-
Prof. Berkouwer wijst daarop ook, als hij zeggen gaat, , dat wij , , in de Schrift niet staan voor een systematische ontvouwing van de verkiezing, niet voor een verkiezingsleer, die wij zonder meer in de dogmatiek zouden hebben over te brengen", (blz- 15).
Hij noemt de erkenning van de grens het beginpimt van de rechte bezinning, (blz. 15-16).
„Wij komen dan te staan midden in de strijd over het zuivere Schriftuurlijke licht over de verkiezing, over de functie van deze boodschap in het geheel der Schriften", (blz. 16).
„Het gaat dan ook maar niet om een formele erkenning van het gezag der Heilige Schrift", zo vervolgt hij.
Daarin heeft hij gelijk, want een formele erkenning sluit voor velen evenmin Schriftkritiek als speculatie uit-
Prof. Berkouwer komt in de volgende alinea op hetgeen uit het Schriftgetuigenis kan worden afgeleid en welke consequenties daarin liggen opgesloten. Het ligt voor de hand, dat men daarmee uiterst voorzichtig moet wezen. Hij toont dat trouwens aan en laat zien, dat de simpele aanduiding van de grens een zeer ingrijpende zaak is, alleen in concreto — vanuit het Evangelie Gods — zal duidelijk kunnen worden, of men de grenzen heeft gerespecteerd, (blz. 22).
Dat komt in de buurt van de opmerking, welke wij deden voorafgaan aangaande het geloofsleven, hetwelk een betrokken worden beduidt in en door de gemeenschap met de Christus der Schriften in het werk der openbaring en inzonderheid bij de openbaring van het welbehagen Gods, dat in Christus werd vervuld.
Berkouwer verklaart dan nader, waarom hij niet wil spreken over de „verkiezing", maar over de , , verkiezing Gods";
Hij gewaagt verder ook van de „verkiezende God" en zegt ook, dat men over de verkiezing — Gods verkiezing — niet waarlijk kan spreken dan in de kennis van Hein, die de God van Israël is, de Vader van Jezus Christus. Hij noemt Christus de grens en de weg.
Dat komt dus neer op hetgeen wij boven reeds opgemerkt hebben; men kan over de verkiezing alleen waarlijk spreken vanuit het waarachtig geloof, of wil men vanuit de gemeenschap met de verkiezende God in Christus Jezus, de Middelaar en Zaligmaker, omdat in deze gemeenschap eerst kan worden verstaan, wie de verkiezende God is.
Wij stellen ons voor dit werk over de verkiezing Gods, wat de hoofdzaken betreft, voor onze lezers uiteen te zetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's