DE BIJZONDERE CHRISTELIJKE SCHOOL OF DE BIJZONDERE KERKELIJKE CHRISTELIJKE SCHOOL
II.
. De loop der historie van het christelijk onderwijs is gegaan door de schoolverenigingen. Misschien of liever zeker zijn er hier en daar nog wel scholen die rechtstreeks van kerkeraad of diaconie uitgaan of langs een college van regenten. Maar de overgrote meerderheid zijn scholen opgericht en onderhouden door een schoolvereniging van gelijkgezinden. Tenminste van gelijkgezinden in de hoofdzaak.
'Die schoolverenigingen zijn dan verenigingen van ouders. Bij voorkeur tenminste en in elk geval in meerderheid. Dan pas krijgt de zinspreuk : de school voor de ouders, enige betekenis en een begin van uitvoering. Deze schoolvereniging kiest zich dan een bestuur en dat bestuur zal toch ook in hoofdzaak uit ouders moeten bestaan. Daartoe zal het nodig zijn, dat bij het ouder worden der leden en bij het wegvallen er steeds nieuw bloed in de vereniging komt en ook in het bestuur. Grote verdiensten van zittende bestuursleden beletten soms vervanging.
Toch lijkt 't me beter dat het bestuur uit ouders bestaat, en niet uit grootouders of overgrootouders- Dat klopt ook beter met het feit, dat de ouders de naast- en dus eerst-verantwoordelijke personen zijn voor de opvoeding van hun kinderen. Vergeef me deze korte uitweiding over de samensteling van vereniging en bestuur.
De vrije christelijke scholen zijn dus zulke, die uitgaan van schoolvereniging zonder rechtstreekse binding aan de kerk als instituut van beheer. Dat is ook de mening der drie referenten, die we in ons eerste artikeltje noemden. Ds. G. zegt: „Het oprichten van christelijke scholen is dus een zaak voor verenigingen, niet voor de kerk". En ds. V. is van hetzelfde gevoelen, alleen met een zeer belangrijke restrictie. Ook de heer v. B- kiest voor de vrije christelijke school, ook met een bepaalde beperking, of liever zou ik hier moeten zeggen een bepaalde verruiming, omdat zijn uitspraak lijnrecht staat tegenover die van ds. V.
't Gaat daarbij over het al of niet kerkelijke van de school. Ook de vrije christelijke school, al gaat ze dan niet rèchtstreeks van de kerk uit, moet een bepaald kerkelijk karakter hebben. Dat is de mening van velen. Nu kan een school wel een zekere kerkelijke naam hebben, maar daarmee is nog niet gezegd dat naam en wezen identiek zijn.
Ds. Gr. wijst er op, dat , , de christeijke school voortvloeit uit de doop. En de doop vindt plaats in de kerk en het gedoopte kind is juist door de doop in de kerk ingelijfd. Het leven van dit kind beweegt zich niet alleen in het gezin, maar ook in de kerk. De kerk bemoeit zich dan ook met de opvoeding der kinderen"- Niet alleen op de catechisatie, maar ook door haar gezinszorg, b.v. bij huisbezoek. , , Het ligt geheel in de lijn van deze zorg der kerk voor de opvoeding van het gedoopte kind, dat de kerk zich ook bemoeit met de school. En christenen, en dat zijn altijd leden der kerk, hebben zich, ook wanneer zij arbeid aan de scholen verrichten, naar de leiding der kerk te richten. Het gaat om de laatste inhoud van het onderwijs, om de richting van het onderwijs, om het Evangelie, om de rechte kennis van de drieënige God, om het ware belijden". Volgens hem , , ligt de bemoeienis van de kerk met de school op het terrein van de belijdenis" en dan moet , , de opvoeding staan in het teken van het reformatorisch Evangelie"-
Ds. Gr. blijft hier bij de kerk in het algemeen. Hij spreekt n.l. niet van een bepaalde kerk. Terwijl het toch in de praktijk er om zal gaan, of de school een relatie heeft met een bepaalde kerk. Hij ziet de kerkelijke gescheidenheid als een machtig struikelblok op de weg naar een goede verhouding tussen kerk en school. En hij vindt, dat de situatie en de actie der Hervormde kerk en de beoordeling daarvan de toestand nog moeilijker maken. We kunnen dit begrijpen en beamen. Ook als hij zegt, dat men hier en daar zou kunnen komen tot kerkelijk overleg. Op verschillende plaatsen heeft men deze moeilijkheden gevoeld- De naam, b.v. van Hervormde school, zegt lang niet overal hetzelfde. Dat blijkt ook wel uit de oprichting van Hervormde schoolverenigingen op gereformeerde grondslag.
Dus wel de vrije christelijke school, maar in gebondenheid aan de belijdenis.
Dit erkent ook ds. V. Bij deze referent komt wel zeer sterk de wens naar kerkelijke binding aan een bepaalde kerk naar voren. De school — en dat is de meest ideale toestand — behoort een school te wezen, die door de ouders wordt opgericht en bestuurd. De kerk heeft nu de roeping, toe te zien, dat de ouders, hun belofte, bij de doop afgelegd, om hun kinderen in de volkomen leer der zaligheid te onderwijzen en te doen onderwijzen, nakomen. De kinderen moeten niet naar een school, waar de volkomen leer der zaligheid contrabande is, of waar het licht onder een korenmaat wordt gezet.
Laten we nu even ds. V. aan 't woord ;
, , Zelf kies ik de kerkelijke school- Niet de kerkeraadsschool, maar de school, opgericht en bestuurd door ouders van de Gereformeerde vrijgemaakte kerk, waar onderwijs gegeven wordt door leden van deze kerk aan kinderen van deze kerk overeenkomstig de leer dezer kerk, de , , volkomen leer der zaligheid", geopenbaard in de Heilige Schriften en beleden in de Drie formulieren van Enigheid, onverkort en niet aangevuld".
Die bedoelt, als ik het goed begrijp, dus een om en om kerkelijke school van één richting. Dat neemt niet weg, dat ds. V. ook het burgerlijk recht van anderen erkent. Hij zegt o.a.: Hoe onze Ned. Herv. medechristenen hun scholen inrichten, dat is hun zaak. , , Maar zolang ik de Ned. Hervormde kerk, ook in haar nieuwe stijl, niet als de wettige vergadering der gelovigen naar Zondag 21 van de Heid- Catech. en de artt. 27—29 van de Ned. Geloofsbelijdenis mag erkennen, mag ik ook niet als een eis des Heren aan mijn Herv. medechristenen voorhouden, dat ze er voor moeten zorgen kerkelijke Hervormde scholen te hebben, waarin aan de kinderen liefde voor de Hervormde kerk wordt bijgebracht. De kinderen moeten niet leren, een instituut lief te hebben, dat onder de oude en onder de nieuwe kerkorde de hals niet buigt onder het juk van Christus".
Tenslotte de heer van B. Hij wijst de kerkelijke school af, behalve in noodgevallen en onder diepe eerbied voor wat, toen 't niet anders kon, door kerkeraden van diverse formaties is gedaan. Maar hij kiest de geheel vrije christelijke school, ontstaan uit gezamenlijk optrekken van ouders uit verschillende kerken. Met een vast akkoord inzake de verdeling van de bestuursplaatsen en de bezetting van het personeel. Als overtuigd voorstander van de christelijk nationale school, ziet hij er een grote zegen in, dat we althans op schoolgebied gezamenlijk kunnen optrekken.
Dit standpunt is wel erg aantrekkelijk. En vooral in kleinere plaatsen zal men deze weg wel op moeten gaan. Overigens zijn ook hieraan praktische bezwaren verbonden. Toch zie ik tot m'n blijdschap dat het toch hier en daar wél goed mogelijk is.
Persoonlijk heeft de praktijk mij gebracht tot — neen, niet tot kerkeraadsscholen — maar tot de school met een bepaalde kerkelijke signatuur en binding aan de belijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's