De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE GOEDE HERDER ...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE GOEDE HERDER ...

9 minuten leestijd

WIEN ZOEKT GIJ ? EN ZIJ ZEIDEN: JEZUS DEN NAZARENER. JEZUS ANTWOORDDE: IK HEB U GEZEGD, DAT IK HET BEN; INDIEN GIJ DAN MIJ ZOEKT, ZO LAAT DEZEN HEENGAAN. JOHANNES 18 VERS 7 EN 8

Er is een opmerkelijke overeenkomst tussen wat zich afspeelt in de hof van Gethsémané en wat eenmaal plaats vond in de hof van Eden. Daar stond de mens. In vermetelheid zegt hij tegen God : ik wil U niet langer gehoorzamen. Ik wil vrij zijn. Ik wil eigen baas zijn. Zelf wil jk uitmaken wat goed en wat kwaad is. Daarom eet ik van de verboden vrucht. De mens snijdt moedwillig en eigenwillig de band met God door. Maar daarmee is hij onherroepelijk ten dode opgeschreven.

Dwaas, maar daarmee maakt hij zich tegelijk schuldig aan een onvergeeflijke misdaad. De mens, afhankelijk schepsel, verklaart God, zijn Schepper, de oorlog.

Maar is het misdrijf dan begaan, dan ontwaakt het geweten. In grote angst verbergt hij zich voor het alziend oog des Heren. Doch hoor: de Here roept de mens ter verantwoording. Hij daagt Zijn schepsel voor de vierschaar van het gericht.

Hoe zal de mens bestaan ?

In Johannes 18 lezen wij van Jezus, de Zoon van God. Hij is een gezochte. De mensen roepen Hem ter verantwoording. Zijn vonnis staat al van tevoren vast. Hij móét sterven. De mens zegt tot Gods Zoon, tot God, dat hij zo'n God niet wil, dat hij met zo'n God niet in vrede wil leven. In bondgenootschap met satan, leeft de mens in oorlog met God. Voor Gods Woord wil hij niet buigen. In ongehoorzaamheid aan Gods Woord leeft hij naar eigen inzicht en overleggingen. De mens luistert niet naar Gods Woord. Daarin wreekt hij zich op wat eenmaal met hem gebeurd is in Eden's hof. Hier is de gezindheid van het hart, dat God niet liefheeft en eert.

Hier is voor ons plaats voor diepe verootmoediging. We doen vaak wel vroom, maar in feite staan we allen tegenover God zoals de mensen, die daar aanrukken met zwaarden en stokken om Jezus te binden en straks te doden. Vergeet niet, dat zelfs de kleinste overtreding van Gods wet, de gezindheid van ons hart aan 't licht brengt, dat wij van onszelf vijanden van God zijn. In feite spreken wij in elke overtreding uit: God moet van Zijn troon. Hij moet weg, opdat ik mij kan laten gelden. Hier zien wij de verdorvenheid van ons hart, radicaal boos. Het is zaak dat wij dat leren geloven. Dat wij dat van harte leren toestemmen. Niet maar met de mond, het moet bij ons worden een toestemmen met het hart. Niet maar voor een ervaring van het ogenblik, als we spijt hebben over één of andere verkeerde daad. Maar in ware bevinding, die altijd vrucht is van het geloof. En geloof richt zich op het Woord van God, laat zich onderwijzen door het Woord van God. Als de Geest ons door het Woord onderwijst, dan zien we onszelf staan achter Adam en meelopen in de gelederen van de bende, om altijd weer onszelf te handhaven in onze redenering en ons inzicht, om daarin God te doden. Dan belijden wij met de catechismus : ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

Maar wij zien in de geschiedenis van Gethsémané nog wat anders. Christus is hier niet alleen de Zoon van God, maar ook de Zoon des mensen. Dan hebben wij hier een vervolg van het gericht Gods, dat in de hof van Eden begon. Dan staat Christus, de Zoon des mensen, hier op uw en mijn plaats, op de plaats van Zijn schapen. Dan zie 'k Hem hier beladen met onze zondeschuld. Al de ongerechtigheid van ons op Zijn hoofd gehoopt. En nu roept God hier : Ik heb Adam gestraft, maar niet overeenkomstig hetgeen hij verdiend heeft. Ik heb hem veroordeeld, maar het vonnis nog niet voltrokken. Ik bewijs de mens nog genade, doch enkel en alleen omdat Ik ze eenmaal aan U volkomen zou voltrekken. God kan geen gratie verlenen ten koste van het recht. Daarom zal nu voltrokken worden het: ten dage dat gij daarvan eet, zult gij sterven. Zo komt hier tot Christus de boodschap van Godswege : Gij moet sterven.

En zie nu Jezus. Hij heeft zo juist de bange strijd gestreden in de worsteling van het gebed. Hij streed de strijd alleen. Zijn jongeren waren door de slaap overmand. En over Zijn lippen kwam het woord: doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.

Voor Jezus is er geen ontkoming. Jezus wetende alles wat over Hem komen zou, ging uit en zei : wien zoekt gij?

De goede Herder slaat niet op de vlucht. Hij zoekt niet zijn eigen leven veilig te stellen ten koste van de schapen. Terwijl wij altijd wegen zoeken om ons te onttrekken aan de verantwoordelijkheid, treedt Christus vrijwillig naar voren om te ondergaan de straf, die de zijnen verdiend hebben. De goe­de Herder stelt zich vóór de schapen.

Is dat geen bron van rijke troost en vree voor die schapen ? Doch nu zegt ge mogelijk: ja, voor degenen die mogen weten, dat zij schapen van Zijn kudde zijn, maar daar durf ik mij niet bijrekenen. Ik vrees nog altijd weer, dat God mij ter verantwoording zal roepen, zoals Hij eenmaal Adam deed. En dan zal ik op duizend vragen geen enkel antwoord kunnen geven.

Dan is de grote vraag: waar brengt u dat nu? Waar gaat ge nu met die vrees heen ? Tracht ge steeds als Adam u aan die strafvervolging te onttrekken?

Weet dan, dat de Here u toch eenmaal weet te vinden. Nee, als 't goed is, dan gaat ge met uw zonde, met uw nood naar de goede Herder. Dan leert ge Hem smeken uw plaats te willen innemen in het gericht van God. omdat ge er ten volle van overtuigd zijt dat gij in dat gericht zult moeten ondergaan en reddeloos verloren zijt.

Als ge dat door onderwijzing des Geestes door het Woord leert verstaan, geloof dan ook Zijn Woord en wees er van verzekerd, dat Christus u niet zal afwijzen. Hij wil ook de grootste der zondaren rekenen tot de schapen Zijner weide en voor hen Zijn leven stellen.

Als Jezus Zichzelf als gezochte aanwijst, zegt Hij: indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan.

Adam zei: de vrouw, die Gij mij gegeven hebt, heeft mij doen eten, en de vrouw zei: die slang heeft mij bedrogen. Beiden zeiden eigenlijk: feitelijk is het niet mijn, maar Uw schuld dat alles zo gegaan is.

Dat is het erge van de zonde! Ze brengt ons in conflict met God en met de naaste. Terwijl wij geschapen zijn om God lief te hebben met ons gehele hart en onze naaste als onszelf, komen wij er op die wijze toe om God en onze naaste te haten. Wij willen altijd weer de verantwoordelijkheid van ons afschuiven. Zelfs de verantwoordelijkheid van ons onbekeerd-zijn. Dat zeggen wij niet zo openlijk. Maar in ons hart zien wij het toch zó, dat wij ons wel zouden willen bekeren, maar zolang wij daar nu geen meer licht in krijgen, blijft steeds het gevaar, dat het niet echt is. Arglistig is ons hart. Die daar geen oog voor krijgt blijft in de duisternis volharden. Wij geven dan dit, en dan dat de schuld, en in het komende gericht zal de mens zelfs nog proberen zich te verschuilen achter en onder de heuvelen en de bergen. Maar 't zal niet baten. De mens blijft verantwoordelijk voor de ongehoorzaamheid aan het Woord van God.

Doch let nu op wat Christus doet, zoals Hij daar staat vóór de Zijnen. Hij doet precies het tegenovergestelde van wat wij plegen te doen. Hij neemt de schuld van de anderen op Zich, opdat zij vrij uit zullen gaan. Hij aanvaardt de banden, en in die banden de dood, opdat de Zijnen de vrijheid zullen verwerven en in die vrijheid het eeuwig leven. De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen. Hij is de dood ingegaan, opdat degenen die door Hem geloven, zouden leven.

Laat dat nu eens op u inwerken. Christus denkt niet aan Zichzelf, maar aan de Zijnen. Hij behoeft niet geperst en gedwongen te worden, maar staat door Zijn Woord vóór ons om ons te betuigen, dat Hij in onze plaats is gaan staan.

Maar daarom is het ook zo vreselijk, als wij in ongeloof en klelngelcof die bereidwilligheid in twijfel gaan trekken en steeds maar weer door het redeneren van het ongeloof de vraag opwerpen: is er ook voor mij wel plaats bij die goede Herder, wil Hij ook mij wel tot schaap van Zijn kudde maken. Waarom laat God u Zijn Woord prediken ? Waarom u door Zijn Geest met dat Woord bearbeiden ? Ik zou haast zeggen: bij wat Gods Woord u hier van Christus zegt, moet toch alle twijfel wegvallen. Daarom moet ik allen, die telkens weer aarzelen, opwekken: schudt nu die twijfelvragen eens af! Bedenk eens welk een smart gij daar Christus mee aandoet. Laat u door Zijn Woord en Geest overtuigen tot de daad van het geloof. Dat is niet alleen een moeten, maar ook een mógen. Leer nu eens zeggen : Here, tegen zoveel liefde van U ben ik niet opgewassen. Ik kan niet anders meer dan Ü geloven, dat Gij de bereidwillige Borg zijt. Daarom vertrouw ik mij geheel aan U toe. Hier ben ik, die altijd weer de neiging heb om achter van alles en nog wat weg te schuilen. Nu, Here, schuil ik weg achter U !

Weet dan, dat geloof zal niet beschaamd worden. Christus neemt dezulken in bescherming. Hij zal voor die tot Hem gelovig toevlucht nemen, pleiten: Laat deze heengaan van onder de schuld die hen drukt. Ik heb die schuld tot de laatste penning betaald. Laat ze heengaan van onder de vloek die hen dreigt. Ik heb die vloek op het kruishout gedragen. Laat ze heengaan vanuit het verderf, dat zij hebben verdiend. Ik ben voor hen de dood ingegaan. Laat ze heengaan op de grote dag des oordeels van voor de rechterstoel Gods. Ik toch heb mij laten veroordelen, opdat zij voor eeuwig zouden worden vrijgesproken.

Hij is de goede Herder. Dat heeft Hij bewezen met de daad en predikt Hij u bij Woord en Sacrament, zó, dat er voor twijfel geen plaats blijft. Hij noodt u om tot Hem te komen, O, kom in schuldbesef verslagen tot Zijn doorboorde handen. Hij ontfermt zich over u. Kom tot Hem met al uw noden. Dan is het goed. Dan kunt gij met David zeggen: de Here is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

Hij wijst mijn pad. Zijn Naam is mij een wapen al trek ik door een dal van dood en pijn, ik kan mij nederleggen om te slapen. Zijn sterke staf zal mij vertroosting zijn.

Ik zal mijn leven lang geen hulp behoeven, geluk en zegen hebt Gij mij bereid, tot ik verheerlijkt in Uw huis mag toeve». Uw licht. Uw vrede, — tot in eeuwigheid.

(Gabriel Smit).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE GOEDE HERDER ...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's