WAAR VALT DE BESLISSING
Prof. Berkouwer is van oordeel, dat onder al de problemen, die zich aan ons voordoen bij de behandeling van het stuk der verkiezing, altijd weer, , , één , , probleem op de voorgrond treedt, één , , vraag, die zich op deze wijze laat formuleren : Waar valt de beslissing over „het heil van de mens ? Valt ze exclusief , , in God zelf, in Zijn verkiezend handelen, óf valt ze — zij het tegen de achtergrond van de bezinnende genade , , Gods — in de menselijke beslissingsvrijheid? Hangt ons heil van Gods beslissing af of van de onze ? " (De verkiezing Gods. blz. 28).
Dat antwoorden en beschouwingen aangaande deze vraag de ruimten der dogma-geschiedenis tot op vandaag vullen, geven wij gaarne aan de auteur toe.
Schreven wij onlangs niet, dat de valse profeten altijd weer de verkiezing aangrijpen om hun ketterijen ingang te doen vinden?
Maar kijk nu die vraag nog eens aan : „Hangt ons heil van Gods beslissing af of van de onze? "
Gij zijt geneigd om heel deze vraag te verwerpen, misschien zelfs als goddeloos of ketters, omdat het toch zo heel eenvoudig is, dat ons heil van Gods beslissing afhangt.
Ik geloof het ook, maar dan doe ik er onmiddellijk een vraag bij : En ons onheil ? Hangt ons onheil ook van Gods beslissing af ? Zijn wij dan niet schuldig en verantwoordelijk voor onze, zonden en de gevolgen daarvan ?
En de eerste zonde ? Door de ongehoorzaamheid van één mens is de zonde in de wereld gekomen. Aan wie de schuld? Aan Adam zegt gij. Goed. De zonde hangt dus af van de beslissing van Adam.
De zonde is doorgegaan tot alle mensen, zegt de apostel. Door wiens beslissing is dat dan weer zo, dat de zonde is doorgegaan tot alle mensen ?
Gods oordeel zegt gij. Akkoord. Dit oordeel is dus weer afhankelijk van een beslissing van God. Gij zoudt ook kunnen zeggen, dat de doorwerking der ongerechtigheid in ons wezen ligt, éénmaal het pad der gehoorzaamheid verlaten, liggen wij gebroken met de wet van ons eigen wezen.
Dat mag zo zijn, maar dat wezen is door God gegeven : De mens werd naar Gods beeld geschapen. De mens kan niet terug. Hij kan de stap der ongerechtigheid niet ongedaan maken.
Dan verder een lastige vraag : Kon de zonde buiten God om in de wereld komen ? Kon Gods reine schepping verrast worden zo maar van buiten af, zodat God ook verrast is geworden door zulk een vreemde indringer.
Neen, zegt gij, dat kon niet, want buiten God zijn geen machten, die Hem zouden kunnen verrassen, want er is geen macht dan van God en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd. (Rom. 13:1).
Heel goed geantwoord en veilig ook, want zo staat geschreven.
Derhalve besluit gij : De zonde kan niet buiten God om in de wereld zijn gekomen en een ander zegt het nog weer scherper: De zonde kan niet buiten Gods wil om in de wereld gekomen zijn, en weer een ander zegt: God heeft de zonde gewild.
Voorzichtig. Waar staat dat?
Hij die te rein is van ogen dan dat Hij het kwade kan zien (Hab. 1 : 13), is Hij niet te rein van wil om het kwade te willen ?
Gij kunt dus niet zeggen, dat de zonde van een goddelijke beslissing afhangt, en toch gelooft gij, dat de zonde niet buiten God om in de door Hem goed geschapen wereld kon inkomen.
Heel anders is het aan de zijde van de verlossing en de zaligheid, omdat de Schrift uitdrukkelijk spreekt van het welbehagen Gods. Om slechts één plaats uit vele te geven : Het is des Vadeis welbehagen ulieden het koninklijk te geven. (Luk. 12:32).
Hij ontfermt zich, wiens Hij wil en Hij verhardt, dien Hij wil.
Wij hebben wat doorgedraafd met al deze vragen en opmerkingen om uw aandacht er bij te bepalen, dat niet alleen bij de , , ketters" allerlei vragen opkomen, maar ook bij ons, die zo ongaarne bij de ketters worden gerekend en wedijveren in rechtzinnigheid. En in wiens hart zijn deze en dergelijke vragen niet opgekomen?
Ik hoor iemand opmerken, dat er ook in de geschiedenis van.de gereformeerde dogmatiek veel te veel over de besluiten Gods wordt gespeculeerd.
Eerlijk gezegd heeft die man wel een beetje gelijk. Zelfs dat woord speculeren is in verschillende gevallen gerechtvaardigd. Ik denk aan de beschouwingen over de volgorde der besluiten in God, aan de redeneringen van supralapsariërs en infralapsariërs, al ontken ik niet, dat daar vragen liggen.
Zo sta ik ook enigszins kritisch tegenover Berkouwers formulering van bovenaangehaalde vraag: Waar valt de beslissing over het heil van de mens ? ' als hij die nader omschrijft als : Valt ze exclusief in God zelf, in Zijn verkiezend handelen, óf valt ze — zij het tegen de achtergrond van de bezinnende genade Gods — in de menselijke beslissingsvrijheid ?
Wat is menselijke beslissingsvrijheid?
Kan men met recht van menselijke beslissingsvrijheid spreken ?
En dan die tussenzin : — zij het tegen de achtergrond van de bezinnende genade Gods — ? Valt die bezinnende genade Gods dan niet onder wat Berkouwer noemt : verkiezend handelen Gods?
Of wil Berkouwer in het , , verkiezend handelen" Gods ruimte vinden voor menselijke beslissingsvrijheid? Hoe dit precies bedoeld is, kunnen wij nog even in het midden laten, doch in zijn bestrijding van het synergisme — welke wij van harte toejuichen —, spreekt hij van ruimte voor de menselijke activiteit, die ook in het Evangelie allerminst uit onze gezichtskring verdwijnt. Daarbij haalt hij Joh. 6 vs. 37 en 44 aan : , , Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen" en : , , Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", (blz. 50).
Volkomen stemmen wij in met Berkouwer als hij schrijft: , , Maar wie hieruit — uit deze waarlijk diepe verbanden — tot het synergisme en de coöperatie zou concluderen, zou uit het oog verliezen, hoezeer juist dat komen rust op, z'n oorsprong vindt in het getrokken- en gegeven-worden".
Ook zijn wij het met hem eens, als hij spreekt van een overmacht van Gods zijde, geen mechanische causaliteit of ruimte-benemende dwang, maar veelmeer persoonlijke overmacht.
Zelf gebruiken wij in dit verband gaarne het woord overreden, vooral naar aanleiding van het feit, dat de Heilige Geest parakleet wordt genoemd. Berkouwer noemt trouwens ook Jeremia 20 vs. 7 : „Gij hebt mij overreed, Heere"; (blz. 51).
Dat komt ook overeen met de aard van het zedelijk wezen. De Heere heeft de mens naar Zijn beeld geschapen. Dat involveert onmiddellijk, dat de mens tot zijn Schepper in een verhouding van voortdurende gemeenschap werd gesteld voor tijd en eeuwigheid. Hoe anders kon hij het beeld van de eeuwige God blijvend vertonen en verwerkelijken ?
In die betrekking van gemeenschap (openbaring) gaat God met de mens om in overeenstemming met zijn zedelijk wezen, in een omgang van persoon tot persoon. En, hoewel die gemeenschap werd gebroken tengevolge van de zonde, waarin de mens ook tegen zijn eigen wezen handelde, blijft God met die mens handelen overeenkomstig zijn zedelijk wezen.
Op zich zelf stelt dat dus ruimte, als men van ruimte wil spreken, de ruimte van het zedelijke, de ruimte van de persoonlijkheid.
Maar nu die vraag over de menselijke beslissingsvrijheid. Prof. Berkouwer tekent verzet aan tegen het synergisme. samenwerking, coöperatie van God en mens met betrekking tot het heil, reformatorisch gezegd, tot de zaligheid.
Dat betekent, dat de zaligheid beschikking en gave Gods is. Dat betoogt hij ook, zoals wij zoeven hebben gememoreerd.
Dat brengt echter mede, dat de zaligheid van de mens niet afhangt van wat hij noemt de menselijke beslissingsvrijheid. En deze , , menselijke beslissingsvrijheid" moet dan zo ongeveer gelijk komen met de ruimte, waarover prof. Berkouwer spreekt, een ruimte, die wij meenden te moeten terug brengen tot het zedelijk wezen van de mens en tot het feit, dat God met de mens alzo omgaat.
Van menselijke vrijheid gesproken? En dit gaat nu meer tegen de leraren van de vrije wil, waarin is de mens eigenlijk vrij ? Hij is in ieder geval niet vrij ten aanzien van zijn overtreding, want hij kan die nooit ongedaan maken. Hij is ook niet vrij, ten aanzien van zijn eigen geschiedenis, want die drukt zich in zijn leven af als een levend boek, dat hij al levende schrijft. Hij is niet vrij tegenover het gegevene, van buitenaf, want dat doet zich op een bepaalde wijze voor, en hij is ook niet vrij tegenover het gegevene van binnen uit, want dat maakt, dat hij het gegevene op een bepaalde wijze ontvangt.
En toch heeft hij het gevoel, dat hij tegen het gegevene van binnen en van buiten neen kan zeggen, en dat schijnt ook iedere beslissing van hem te vragen, althans in zoverre hij ja zegt tegen hetgeen hij kiest en waarmede uitsluit, wat hij niet kiest.
Die keuze of beslissing wordt echter ook weer door overwegingen omtrent het gegevene en het gewenste bepaald.
Zo voort pratende zou de determinist nog gelijk krijgen. Doch, de overwegingen, dat zijn in zekere zin ook wegingen, dat redeneren, twijfelen, passen, meten, motiveren, en welke begeerten en zielewerkingen daarbij verder kunnen worden genoemd, dit levende zoeken en beseffen, dat willen overreed zijn, om tot een besluit te komen, dat is het nu juist, wat heel dit proces zo menselijk maakt, onderscheidt van een mechanisch gestel en dus van het determinisme.
Als er geen ander is om hem te overreden, gaat de mens met zichzelf te rade, gaat hij met zichzelf redeneren, wikken en wegen, omdat hij overreed wil zijn.
Dat willen zijn, dat er bij zijn, dat verantwoord willen zijn, komt dat niet voort uit het besef van verantwoordelijk te zijn en is dat niet de werking van zijn zedelijk wezen ?
Vrij is een mens ten aanzien van het onbekende. Daarom kan hij omtrent het onbekende illusies maken en zich aan illusies prijsgeven. De mens wilde als God zijn en maakte zich een illusie, zodat dit voor hem begeerlijker was dan gehoorzaamheid brengen aan zijn God.
Die beslissingsvrijheid is de mens duur te staan gekomen en beslissingsvrijheid kan er nog slechts overblijven in de inbeeldingen van een ongelovig hart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's