De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ISRAËLS BENAUWING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ISRAËLS BENAUWING

9 minuten leestijd

PLOEGERS HEBBEN OP MIJN RUG GEPLOEGD, ZIJ HEBBEN HUN VOREN LANG GETROKKEN.PSALM 1 29 VERS 3.

Israël was een bijzonder volk apart gezet van alle volkeren der aarde, heeft het een uitzonderingspositie bekleed de eeuwen door. Dat betekent niet, dat Israels weg over effen banen ging en dat Israels geschiedenis zonder grote schokken verliep. Integendeel: wie tot grote dingen door de Here geroepen wordt, moet er diep door. Als de psalmist de dagen van het verleden in de herinnering van het volk terugroept, dan zingt hij Israël voor : Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd aan benauwd, zegge nu Israël. Het getal van de vijanden dat getracht heeft Israël te doen óndergaan, is niet te tellen. In Egypte ging het door onder het zware juk van de dienstbaarheid van Farao; in de woestijn werd het bedreigd door nood op nood ; in het beloofde land zelfs was het door doodsvijanden omringd. Nu eens waren het de Kanaänieten, dan weer de Assyriërs, die het land vertraden en het volk vernederden. Zoals de ploegschaar scherpe voren trekt in de akker, zo werden bloedige voren getrokken in het lichaam van Israël. Uit vele, vele wonden vloeide kostbaar bïoed. Altijd weer zat Israël er tussen ; het was een geplaagd en geplunderd volk en niemand kwam voor hen op. Elke zweepslag liet een bloedig spoor achter. Israël ging van gevangenis naar gevangenis ; door het water en door het vuur. Het ging erom, dat Israël werd uitgedelgd. Daarom werd het gesmaad en geplaagd, uitgebuit en opgejaagd, geplunderd en geknecht. Hoe onbeschrijfelijk bitter is Israels lijden geweest!

Waarom moet Israël deze dingen telkens ophalen en gedenken ? Om medelijden op te wekken ? Of uit zelfbeklag ? Neen, dat niet, want de Here deed aan Israël geen onrecht. In deze psalm komt dat niet zozeer aan de orde, maar elders lezen wij dat: wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld. (Psalm 106 vs. 6).

Hierom spreekt Israël van de bloedige nood, die over haar is geweest, de eeuwen door, om de daden des Heren te gedenken, die Zijn volk nimmer in de steek heeft gelaten. Israël moest er diep door, maar het heeft in de diepte ervaren, dat de Here in de diepte ook was en daar Zijn Kerk bezocht. In deze psalm, die wij wel als een danklied hebben te zien, tekent de psalmist het geheim van de geschiedenis van Israël. Het is een wonder Gods, dat het volk niet onder is gegaan. De sleutel tot het juist begrip van deze psalm ligt in het: zij hebben niet overmocht. De Here heeft altijd weer ingegrepen om Israël te redden. Daarom kon van Israël gelden : Ik zal niet sterven, maar leven. Er waren slagen, die wel heel zwaar aankwamen, zó, dat er niets geheel meer was aan het volk ; van hoofd tot voeten was het bedekt met wonden en striemen. En toch, Israël is niet vergaan. Want Israël was Gods oogappel. Hoe zwaarder de nood was, des te groter was de uitkomst, die de Here bereidde. Als stervende en ziet — welk een wonder Gods — wij leven. De Here was sterker dan alle vijanden en machtiger dan de dood.

De benauwing, die Israël moest ondergaan, was een teken van haar verkiezing van God. Maar Israels God bepaalde de maat van Israels lijden. Dej ploegers hebben niet altijd geploegd. Op Zijn tijd snijdt de Here de touwen door, waarmee de runderen aan de ploeg zijn gebonden en het ploegen heeft uit. Hij legt Zijn volk wel veel, maar nimmer teveel op !

Dit woord van Israels benauwing geldt in het bijzonder Christus. Van Hem getuigt geheel het Oude Verbond. Wat Israël overkomt, dat tekent de levens en lijdensweg van de Middelaar, de Koning Israels. Uiteindelijk ging het bij al de vervolgingen om Christus. Om Christus gaat het in de dagen van Egypte, om Christus gaat het in de.tijd van de ballingschap. In onze psalm beduidt én getuigt de geest van Christus het lijden, dat over Hem komen zal en de heerlijkheid, die daarna zal volgen. (1 Petr. 1 VS. 11).

Ploegers hebben Mijn rug doorploegd ; het zijn woorden, die herinneren aan de lijdende Knecht des Heren. Christus gaf Zijn rug dengenen, die Hem sloegen, Zijn aangezicht dengenen, die Hem het haar uitplukten. (Jesaja 50 vs. 6).

Christus is van der jeugd aan benauwd. Men heeft Hem niet ontzien en Hem kwelling op kwelling aangedaan. Niets is Hem gespaard, wat mensen konden uitdenken aan leed en verachting. Zij hebben met woorden Hem gestriemd en met hun verachtelijke spot Hem gegeseld. Diepe zielewonden hebben mensen Hem aangedaan. Mij prangt de nood — benauwdheid is nabij ! En ook naar het gave lijf des Heren strekken onheilige handen zich uit. Pilatus gaf de Here Jezus in de handen van ruwe soldaten. Hij kijkt voorlopig niet meer naar Christus om. De woede van de vijanden was groot en medelijden vond de Here niet. Aan een paal gebonden, het lichaam ontbloot, stond Christus daar, overgegeven aan de willekeur van wrede mensen, die Hem niet ontzagen, noch spaarden. Snerpend trilden de zweepslagen door de lucht. Zal Christus Zijn beulen reeds onmiddellijk ter verantwoording roepen ; zal Hij zeggen : wat heb Ik gedaan? Hier staan wij voor het wonder van de zich gevende liefde : Christus, de Middelaar, was aan het boeten voor onze zonden. In de Evangeliën wordt het ons zo sober verhaald, zonder enige jacht naar sensatie. Veel lijden wordt getekend in het boek der psalmen : honden hebben Mij omsingeld, een vergadering van boosdoeners heeft Mij omgeven. Christus is de schuldovernemende Borg geweest, geheel Zijn leven door. Maar hier in het bijzonder, als ploegers Zijn rug hebben geploegd.

Ook bij deze overdenking komt weer uit, dat nooit de Kerk ten volle zal verstaan, wat het de Here gekost heeft zich een volk los te kopen uit de macht der zonde en des doods. De beulen hebben het bloed bij Christus er uit gehaald. Niet alleen Zijn hoofd was bedekt met wonden, maar er was niets geheel meer aan Hem. Geselen, dat is het begin van de. dood. Geselen betekent iemand een langzame dood doen sterven, een dood zonder enige genade. Bij de geseling verliest de gemartelde zijn levensbloed druppel voor druppel; hij sterft duizend doden, voordat de dood komt. En wie, let er op? Schouwt het aan: gij die op de weg voorbijgaat, of er een smart is als Zijn smart. Bij Israël kunnen wij vragen: Had Israël dit wel verdiend ? Maar bij Christus weten wij : dat heeft Hij niet verdiend. Is dat Zijn loon ? Hij ging door het land, zegenende en genezende van ziekte en kwaal; vol van Goddelijke ontferming zocht Hij het verlorene. En nu ? Ploegers hebben op Zijn rug geploegd! Wij verdienen het. Het is óns leed, dat over Zijn ziel daalde. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.

Hebben wij deel aan Hem ? , gemeenschap aan Zijn lijden en sterven? Gelukkig, wie het zonder Hem niet kan stellen in leven en sterven, die, ontdekt aan de hemelhoge schuld, een Borg nodig krijgt om te dragen, wat ik niet dragen kan, die goed kan maken, wat ik heb verdorven.

Ploegers hebben Mijn rug gepoegd. Waarom lezen wij dit van Christus ? Waarom klaagt Christus hier in de geest der profetie ? Om beklaagd te worden ? Uit zelfbeklag ? Och neen; Hij heeft alles geweten ; heeft verstaan, dat ook de geseling een plaats — en welk één — had in het lijdensprogramma. Moest de Christus niet al deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? Ook deze mens legt God niet teveel op! Welk een overgave voor een onwaardig mensenkind vinden wij bij deze Middelaar ! Gehoorzaam tot de geseling en straks tot het kruis, om genezing te geven!

Ook van de Kerk des Heren in het nieuwe verbond geldt dit woord. Van der jeugd aan benauwd, zegge nu Israël : ploegers hebben op mijn rug geploegd. De geschiedenis der Kerk is een geschiedenis van bloed en tranen, van vervolging en van verdrukking. De overste der wereld kan Christus niet van de troon neerhalen, daarom zoekt de duivel Christus te treffen in het volk van God. Zo vervult de Kerk de overblijfselen van de verdrukking van Christus. Het gaat achter Christus aan met de Kerk: door lijden tot heerlijkheid. Eén met Hem in de gemeenschap met Zijn dood om zo één met Hem te zijn in de gemeenschap met Zijn opstanding. In de jeugd der Kerk leek het wel, of zij zou verdrinken en ondergaan in de stromen bloed van de martelaren. De Kerk is altijd Kerk onder het kruis geweest. Waar is geworden, wat wij lezen in Hebr. 11 : Anderen hebben bespottingen en geselingen geleden en ook banden en gevangenis ; zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, door het zwaard ter dood gebracht, hebben gewandeld in schaapsvellen, zijn verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld (welker de wereld niet waardig was). Op duivelse wijze bedacht men telkens weer nieuwe folteringen om de christenen te benauwen. Maar van de hand des Heren ontvingen zij nieuwe kracht om met blijmoedigheid het. kruis te dragen, want zij verheugden zich, dat zij waardig gekeurd werden om smaadheid te lijden om Christus' wil. In de dagen van Nero werden zij in dierenhuiden gehuld en zo door honden verscheurd of aan het kruis genageld of tot de vuurdood veroordeeld, om de tuinen van Nero te ver­ lichten. Het is waar geworden : ploegers hebben mijn rug doorploegd. Onuitsprekelijke kwellingen heeft Gods Kerk verdragen. , , Ik ben Gods tarwe", zeide Ignatius, „en ik word door de tanden der wilde meesten vermalen om zuiver brood voor God te worden bevonden". Wij denken aan brandstapel en zwaard in de dagen van de Reformatie; wij denken aan de verdrukkingen, die ook vandaag Gods volk op velerlei wijze en velerlei plaats moet verdragen. Striemende woorden soms en geselende daden, omdat gij Christus toebehoort.

Waarom zegt de Kerk dit ?

Om medelijden op te wekken? Uit zelfbeklag? Het is er verre vandaan. De Here is rechtvaardig en Hij legt Zijn Kerk wel veel, maar niet teveel op. Hier blijkt, dat de Kerk is en blijft lijdende Kerk, en strijdende Kerk tegen de doodsvijanden. De profetie spreekt hier tot vertroosting van Gods volk : u overkomt niets vreemds in de dagen van verdrukking. En boven alles zegt de psalmist dit om de werken en daden des Heren te verkondigen. De vijand heeft niet overmocht en zal dit ook nimmer. De macht der hel zal de gemeente nimmer overweldigen. 

Zalig het volk welks God de Heere is!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ISRAËLS BENAUWING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's