De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ACTUALITEIT VAN CALVIJNS LITURGISCHE OPVATTINGEN

Bekijk het origineel

ACTUALITEIT VAN CALVIJNS LITURGISCHE OPVATTINGEN

9 minuten leestijd

I

Naar het woord van wijlen dr. O. Noordmans zijn wij, Nederlanders, een volk, behept met een grote belangstelling voor dogmatische en kerkordelijke vraagstukken, maar met weinig behoefte, ons te verdiepen in kwesties rondom de gang van zaken in onze erediensten. Het zij zo. Het feit echter ligt er, dat wij, in de Hervormde kerk, en daarbuiten, sinds 1939 met onze, volgens dr. N. zo onwillige neuzen, onophoudelijk op allerlei vragen zijn gedrukt, die opkwamen uit pogingen, zich opnieuw te bezinnen op oude en nieuwe schatten in onze eredienst, en zo de vele , , verloren jaren" in te halen.

Voor deze nieuwe liturgische belangstelling zijn velerlei oorzaken op te noemen. De redenen, die hiervoor worden opgegeven; hangen meestal nogal samen met het standpunt, dat de schrijver inneemt. Zo zal bijvoorbeeld in „liturgische kring" gewezen worden op de armoede van de tot nu toe gebezigde liturgieën, terwijl van meer „klassieke" kant betoogd wordt, dat het agressieve optreden van het Rooms-Katholicisme ons een soort minderwaardigheidsgevoel opdringt wat betreft onze eigen, sobere liturgie. Het veld der historie afspeurende is, dunkt mij, zoveel wel zeker, dat geen van beide motieven afdoend mag worden geacht, maar dat wij hier in de grond van de zaak mede te maken hebben met een reactie tegen de theologische inzichten en belangstellingssfeer van de vorige eeuw. Werd deze, overigens zo grootse eeuw, niet o.a. gekenmerkt door de beide woorden , , individualisme" en , , subjectivisme" ? Als wij, grof gezegd, onder deze woorden dit verstaan, dat de enkeling de wereld poogt te benaderen vanuit zijn eigen gezichtshoek, en slechts als waarheld aanneemt wat, naar zijn inzicht zich als zodanig aan hem voordoet, dan begrijpen wij dat het antwoord op de 54e vraag van onze Heidelberger Catechismus wel wat op de achtergrond wordt gedrongen. Wordt daar niet éérst de gemeente genoemd en daarna pas de enkeling ? En de vraag, langs welke wegen, op grond van welke norm die gemeente, door God verkoren, als één geheel haar God mag en moet prijzen, aanbidden en danken, is dan niet zo erg belangrijk, althans minder dan dat , , die éne lidmaat", de enkeling, het maar goed heeft. En zo was men dus min of meer overgeleverd aan de persoonlijke inzichten van in opvatting uiteenlopende predikheren. Tegen deze achtergrond is de hedendaagse liturgische belangstelling verfrissend en heilzaam. Het zoeken naar een norm, waaraan ieder is onderworpen, en waaraan de gemeente zich- als gehéél onderwerpt, is, zo bezien, geen stap terug.

'De situatie dezer tijd heeft deze belangstelling in de hand gewerkt. De hedendaagse , , oecumenische beweging" breidt wijd haar armen uit. Het Rooms- Katholiek machtsblok weigert echter consequent, zich deze hartelijke ontvangst te doen welgevallen, en laat in superieure eenzelvigheid verstek gaan. De moederkerk draagt de waarheid voor alle eeuwen onwankelbaar vastgelegd in haar schoot, dus in zichzelf, en weigert het risico te aanvaarden, teruggeworpen te worden op de Heilige Schrift alléén, want ze stelt zich naar haar aard immers boven die Schrift. De Anglikanen hebben deze remmingen niet, en voelen zich in dit kerkelijk conglomeraat schijnbaar goed thuis, en: weren zich terdege! Tegenover hun half-Roomse rijkdom aan liturgische schatten steekt de soberheid van de Gereformeerde eredienst — hetzij gunstig (sommigen!) hetzij ongunstig (anderen !) — af. Maar de vraag naar het , , waarom" in — en het , , hoe" van de eredienst wordt onophoudelijk aan de orde gesteld. En de liturgische beweging ten onzent spreekt geestdriftig van nieuwe ontdekkingen, gedaan in de H. S., betreffende de verhouding van Woord en Sacrament, kansel en avondmaalstafel, preek en offer. Daarom is het goed, in de baaierd van klanken niet in de een of andere stempartij te gaan meezingen zonder meer, maar ons te wenden, tot de schatten, die ten onzent, hoewel soms onbegrepen, nochtans bewaard zijn gebleven, geput uit Gods Woord, en ons overhandigd door de kerk in haar belijdenis. Immers : liturgiek is een soort populaire dogmatiek, en de gepropageerde vormen zijn dragers van een dito gedachte.'

Bovenal is het ook goed hierom, omdat ook in onze gemeenten de rijkdom onzer sobere liturgie niet steeds meer besefd wordt. Is het te veel gezegd, als we schrijven, dat in veel gemeenten de gemiddelde kerkganger ter kerk gaat om „een preek te. horen" ? Als men al niet gaat om , , een dominee te horen" ? Wijst dit er ook net op, dat degene, wat in de , , Dienst des Woords" (waarover later!) aan die preek voorafgaat en daarop volgt, soms ervaren wordt als een soort stichtelijk, ontdekkende (de wet!) en vertroostende, doch wellicht noodzakelijke omranking ?

Leven ook wij in ons sobere, voorname huis, wat de liturgie betreft, niet in stille armoede rustig voort, en dreigen wij ook niet hier of daar de rente van het rijke kapitaal der reformatie vergeten te laten liggen als dood geld ? Het is daarom ook voor ons goed, gedwongen te zijn terug te gaan tot de bronnen onzer bekende en geliefde liturgie. Wij zijn er nimmer mede klaar, de adem te offeren voor de klaroenstoot , , terug tot de oude paden!", maar zullen altijd lezend of schrijvend weer moeten bidden: , , Leer mij, hoe die zijn gelegen". Verstilling worde nimmer verstarring, want een oude schat is immer nieuw.

Vandaar, dat wij in deze artikelenserie terugkeren naar Calvijn. Niet om daarna getroost vast te stellen, dat wij toch zo'n beste liturgie hebben, maar om de achtergrond van het door Calvijn weer centraal geplaatste Wóórd, die onze liturgie beheerst. En dan zijn we op de bodem van de schatkelder aangeland, want het is bekend, dat, via het tussenstation van de gereformeerde Paltz.-gemeenten, zijn liturgie de onze is geworden, hoewel niet geheel ongewijzigd, zoals we later zullen zien.

Dit is een keuze. We zouden ook verder kunnen teruggaan, met name naar de kerk van de eerste eeuwen met haar Roomse kiemen en haar aanvankelijk nog onbestemde offergedachte in knop. Bijvoorbeeld naar Augustinus, de kerkvader, die zovele paarlen van het Bijbels getuigenis heeft gezocht en getoond, en die door Calvijn zo gaarne geciteerd wordt. Maar zelfs bij hem zouden wij op het Roomse kerkbegrip stuiten, dat de kerk maakt tot een soort distributiekantoor, dat genade bij brood en wijn uit deelt en de weg des geloofs, waarin het sacrament wil zijn ontvangen, aanvankelijk ongemerkt, opzettelijk later, naar achteren dringt. (Zie dr. W. F. Dankbaar : „De Sacramentleer van Calvijn"). Wij zouden de autoriteit van het Woord er, ondanks het vele bijbelse, wat hij biedt, - toch missen, en opbotsen tegen het groeiende gezag van de oude kerk over het oudere woord. Als we daarom teruggaan, gaan we terug naar de eerste decenniën, het door Gods Geest gerichte tijdvak van het N. Testament, om vandaar uit de lijn te trekken, over de hoofden der kerkgeschiedenis heen, naar Calvijn, die dit oude woord weer wilde doen spreken, bevrijd van kerkelijke boeien. Dat is ook in de geest van de grote reformator zelve, die immers hetzelfde gedaan heeft. Ook hij knoopt niet aan bij Augustinus, maar vindt, bij zijn onderzoek van het Woord, in hem slechts meer en meer een bondgenoot, als het gaat om centrale stukken van de belijdenis der Reformatie, doch hij blijft zelfstandig staan, en, hoewel in Calvijn's latere werken de citaten uit de boeken van deze kerkvader toenemen, spaart hij hem ook kritiek niet. Slechts het Woord jaagt hem voort. Op deze grondslag keert hij zich tegen de „menselijke inzettingen der Roomse kerk", om alleen dat te aanvaarden, dat , , gegrond is op Gods gezag, uit de H. Schrift is genomen en dus geheel en al Goddelijk is". Dat wil niet zeggen natuurlijk, dat de orde van onze of Calvijns kerkdienst Goddelijk zou zijn, want , , daarover heeft God niets uitdrukkelijk geleerd", maar wél, dat het Wóórd Zélf de vormen schept, kanalen graaft, waardoor het op de dag des Heeren tot ons komt, ook al zijn deze vormen dan ook , , aangepast aan de zeden van ieder volk en van iedere tijd".

Achter de beslissing van 1517 (de reformatie) liggen de Schriften. Daarom is ook de figuur van de grote reformator Maarten Luther voor ons een te trillend kompas. Hoewel zijn uitgangspunt, vooral in zijn later leven, dat van Calvijn is, ligt bij hem het accent, meer dan bij Calvijn, op het geweten, dat niet mag gebonden worden, waardoor hij er toe komt, véél, dat niet direct uit Gods Woord opkomt, als onbelangrijk te bestempelen en als ballast aan te houden, op grond van de gedachte, dat het zich wel niet zal schuiven tussen het Woord van de levende Christus en het benard geweten. Hier is de ruit ons te beslagen, om er door te leren kijken.

Dit standpunt van Calvijn heeft vruchtbaar gewerkt. Daarop wijzen de betreffende gedeelten der Institutie, zijn aparte liturgische geschriften, zijn brieven, zijn psalmbundeltje met muziekbewerking (waarvoor hij zich verzekerde van de medewerking van mensen als Greiter. Bourgeois en Maïtre Pierre). Het verwijt, als zou Calvijn onverschillig hebben gestaan tegenover de vormgeving in de kerkdienst, vindt zijn scherprechter in het aantal van zijn studies hierover. De liturgie is ook bij hem neerslag van de dogmatiek, de theologie, en een levend belijden schiep een belijdenis, die beleed, dat het Woord Gods belijdend beleefd diende te worden in de samenkomst der gemeente. Daarom is het geen verarming, tot de Reformatie te gaan, aangezien zij de volheid van het Bijbels getuigenis als echte , , katholieke", d.i. algemene kerk poogde te grijpen, toen de Roomse kerk had opgehouden , , katholiek" te zijn. En laat ons hopen, dat het ook geen verarming voor ons zij, ons in dezen op Calvijn te bezinnen. Zich bezig houden met wat iedere zondag geschiedt, is de thermometer aanleggen aan het kerkelijk leven. Ook ten onzent. Moge er kille koorts worden gevonden: dat zij geneze door onze gedachten gevangen te geven aan het Wóórd, dat door de luidspreker der Reformatie tot ons komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ACTUALITEIT VAN CALVIJNS LITURGISCHE OPVATTINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's