De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERKIEZING EN WILLEKEUR

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERKIEZING EN WILLEKEUR

9 minuten leestijd

Verkiezing en. willekeur, zo luidt het opschrift van het volgende hoofdstuk van 'Berkouwers boek : de verkiezing Gods. (blz. 56).

Dit hoofdstuk brengt ons midden in een gebied van theologische of eigenlijk beter gezegd : ontheologische vragen aangaande de goddelijke verkiezing.

Wij kennen zeker ook de kritiek, welke Berkouwer hier aangrijpt, uit de gemeente wel, die heel simpel, maar ook heel dom, zodra het woord verkiezing wordt gebruikt van willekeur spreekt, alsof God zo maar willekeurig nu deze dan gene mens verkiest tot zaligheid.

Dat is zeker de platste vorm van de betreffende kritiek, doch ook andere dan eenvoudige gemeenteleden hebben van willekeur gesproken. Wij noemden het simpel en dom en ik verzeker u, dat er over de diepste vragen heel simpel en dom gesproken kan worden zelfs onder weimenende vrome mensen. Doch men kan ook in z.g. theologische verhandelingen domme dingen lezen b.v. over goddelijke willekeur.

Kerk en theologie, zegt prof. Berkouwer, zijn altijd afkerig geweest van te spreken over willekeur van God of wil men van het handelen Gods. (blz. 59).

Dat is inderdaad zo, voorzover kerk en theologie uit het geloof leven, maar indien dat zo algemeen kon worden gezegd, zou Berkouwer niet zoveel bladzijden aan deze kritiek kunnen wijden, als nu het geval is. En dat moet hij ook zo bedoelen, want hij merkt ergens op, dat zodra men ruimte zou willen geven aan willekeur bij God, ook de vastigheid en de zekerheid des heils zou wegvallen. Dat heeft de levende kerk altijd gevoeld, (blz, 67).

Willekeur Gods zou trouwens heel het leven willekeurig maken, voor vastheid, regelmaat en orde der dingen geen plaats vinden. Als wij met een God van willekeur van doen hadden, zou heel ons leven en heel de schepping een onzeker en verward bestaan voeren.

Dat echter kan een iegelijk beseffen, die er bij bepaald wordt, en daarom is het nog vreemder, dat men toch telkens weer volhardt tn het streven om God aan willekeur te onderwerpen.

Immers willekeur is zwakheid, afhankelijkheid, onderworpen zijn aan wat zich aan ons voordoet, en aan de grillen van het ogenblik. Daarom kan men willekeur nooit aan God toeschrijven, bij Wien geen verandering of schaduw van ommekeer is, zonder Zijn Majesteit, ja al Zijn goddelijke deugden, aan te tasten.

Men kan ten enenmale met betrekking tot God het woord willekeur niet toelaten, omdat willekeur ten enenmale ongoddelijk is, op God niet van toepassing kan zijn.

Iemand zal opmerken, dat hij ook helemaal dat begrip willekeur niet bedoelt, zoals wij mensen willekeurig kunnen handelen in de situatie van het ogenblik en naar onze luimen en invallen.

Zeker, dat zeggen de theologen, die zich met deze kwestie bezighouden ook en prof. Berkouwer wijst daarop zeer uitvoerig en wil daarvan ook niets weten.

De mensen, die zich er feitelijk aan schuldig maken God als een God van willekeur voor te stellen, bedoelen veelal de nadruk te leggen op de almacht Gods, op de vrijmacht Gods en op de vrijheid Gods. (vgl. blz. 66).

Men gebruikt dan gaarne een begrip absoluut, maar daaraan kunnen zich voorstellingen verbinden, die volstrekt geen recht doen aan het deugdenbeeld Gods, waaromtrent de Heilige Schrift ons onderricht.

God geeft geen rekenschap van Zijn daden, en de mens vermag niet in de Raad Gods in te dringen. Hij heeft zich tevreden te houden aan de dingen, die geopenbaard zijn.

Nochtans kan dit geen aanleiding zijn om God voor te stellen als een blind noodlot, een macht in het afgetrokkene, een fatum of een dergelijk verzinsel van de menselijke rede, hetwelk niet de minste gelijkenis heeft met de levende God, zoals Hij bij het licht van Zijn Woord gekend wordt.

Wat die vreemde voorstellingen aangaande de almacht Gods betreft, waarmede dergelijke hersenschimmen gepaard gaan, zij schrijven gewoonlijk de mens te veel toe en beroven daarin en daardoor het goddelijk deugdenbeeld van zijn ontoegankelijke schoonheid en majesteit.

Zij meten God naar de mens en stellen Hem voor als een ideaal van de mens. De mens is weliswaar naar Gods beeld geschapen en indien de mens de adel zijner schepping en zijn eeuwige bestemming hadde bewaard, zou hij waarlijk een spiegelbeeld vertonen van het goddelijk deugdenbeeld. Dan zou de mens dat beeld in reine trekken vertonen. krachtens de voortdurende gemeenschapsoefening met zijn Schepper en de zuivere verwerkelijking van zijn levenswet.

Doch als hij van het verwrongen, mismaakte en door de zonde bedorven beeld, zoals hij geworden is, uitgaat en op zijn Schepper wil overdragen, maakt hij zich ook een mismaakt beeld van God en zondigt tegen het gebod, zich schuldig makende aan afschuwelijke afgoderij.

Zo is het nu ook met al die redeneringen, welke uitlopen op de tekening van een God van willekeur, ook al wil men daarbij opkomen voor de almacht, vrijmacht en vrijheid van Gods Majesteit.

Iemand zou hiertegen kunnen opmerken, dat zij, die van zulke redeneringen niet willen horen, aan de andere zijde zo menselijk over God kunnen spreken, zodat aan Zijn almacht wordt tekort gedaan, althans dat wij daaraan grenzen stellen.

Het behoeft ternauwernood opgemerkt, dat ons protest tegen voorstellingen van willekeur bij God, geenszins bedoelt de almacht Gods te beperken. Dat zij verre.

Prof. Berkouwer laat ook op deze zijde het licht vallen, (blz. 64).

De Schrift kan zo rustig en onbevangen spreken over wat God niet kan, b.v. wanneer we lezen, dat God zichzelf , , niet kan verloochenen". (2 Tim. 2 ; 13). Hij citeert nog enige teksten : God is geen man, dat Hij liegen zou of een men­ senkind, dat Hij berouw zou hebben. (Num. 23 : 19, vgl. 1 Sam. 15 : 29, Ps, 89 : 36, Titus 1:2). God, die niet liegen kan. Hebr. 6 : 18. Het is onmogelijk, dat God liegen zou.

Uit deze voorbeelden kan reeds duidelijk worden, hoe ongoddelijk, zijnde volkomen in strijd met Gods openbaring, het is, van zo'n z.g. absoluut Godsbegrip uit te gaan, van een abstracte idee van almacht, welke alleen in de hersenen van een mens kan opkomen, doch welke met de levende God, die zich in Zijn Woord openbaart, niets van doen heeft.

Terecht wijst prof. Berkouwer er op, dat God anders is dan de mens en dat het kunnen van de mens , , niet betekent, dat wij meer „macht" hebben dan Hij, maar als wij dingen doen, die God niet kan, dan staat onze machteloosheid, onze onmacht daarin tegenover Zijn onveranderlijkheid en trouw, terwijl ons ganse heil volgens de Schrift ook zo getypeerd kan worden, dat het ligt in wat God kan en doet, maar ook in wat voor Hem , , onmogelijk" is", (blz. 66).

Het eerste deel van dit betoog is wel duidelijk. Als de mens kan liegen en God niet kan liegen, betekent dat niet, dat wij meer „macht" hebben dan God. Het betekent alleen, dat wij in de waarheid niet zijn staande gebleven. Dit niet staande blijven en liegen ligt toch niet in één vlak met macht, alsof de mens de Waarheid zou overmogen door de leugen. Zo is het toch niet. Neen, de Waarheid handhaaft zich ondanks de leugen en de leugen van het schepsel is alleen mogelijk, omdat de Waarheid Gods staande blijft.

Berkouwer kan dan ook van onze onmacht spreken tegenover Gods Waarheid, die staande blijft, tegenover Gods onveranderlijkheid en trouw, zoals hij het uitdrukt. Dat komt op hetzelfde neer.

Wat onze auteur zegt, klinkt overigens een beetje paradoxaal. Hij spreekt zo maar over des mensen onmacht tegenover Gods onveranderlijkheid en trouw en hij voegt er bij, dat dit maar geen woordenspel is. Hij neemt die paradoxale uitdrukkingen ernstig. En wij kunnen het verstaan, als wij er de aandacht op vestigen, dat hij ons wil bepalen bij het beeld, dat de Schrift ons tekent van de levende God, de Onveranderlijke en Getrouwe, en bij , , ons ganse heil", dat immers vastligt in de onveranderlijke trouw van God en in de onmogelijkheid, dat God liegen zou.

Over dit punt behoeft overigens niet verder gediscussieerd, omdat de Schriftgelovige deze zaak klaar ziet liggen en de dwaasheid ontdekt van de bestreden redeneringen, alsof de macht en heerlijkheid van God in de schaduw zouden worden gesteld door de zonde van de mens.

Gods macht wordt ook niet begrensd, omdat de Schriftgelovige zich verzet tegen alle redenering, die aan Hem willekeur toeschrijft, en pleit op Zijn trouw en onveranderlijkheid. Doch die uit de kennis van die God leeft, die zich in de Heilige Schrift openbaart, verheugt zich in de orde des heils, welke is naar de wil Gods en waaraan Hij zich houdt. God ïs een God van orde en alle dingen en ordeningen vinden oorzaak in Zijn wil.

Prof. Berkouwer heeft niet nagelaten zijn lezers te bepalen bij hetgeen Calvijn over deze dingen zegt, die n.l. ook tegen de onderhavige dwalingen protesteert en van zo'n abstracte almacht Gods niets wil weten, hoewel een ieder, die iets van zijn theologie afweet, erkennen zal, dat hij een voorstander en verdediger is van de erkenning van Gods souvereiniteit op alle terrein des levens.

Ook hij wijst er op, dat Gods doen en laten niet gemeten kan worden aan enige maatstaf buiten God, maar dat de laatste en hoogste oorzaak van alle dingen erkend moet worden in de wil Gods. Wie vraagt, waarom God dit of dat doet, ' vraagt naar iets dat groter en hoger is dan Gods wil — en dat niet gevonden kan worden.

Van een idee van willekeur in de gedachtengang van een absolute macht, een verzinsel, dat hij in de scholastiek aantrof, wil Calvijn niets weten. Geen wet boven God, geen wet buiten God, maar God is zich zelf een wet.

Wij zouden het ook anders kunnen uitdrukken: God is gebonden aan Zijn goddelijk Wezen, hetwelk zich openbaart in Zijn deugdenbeeld. Hij kan niet in strijd handelen met Zijn Wezen, Hij kan niet in strijd handelen met Zijn goddelijk deugdenbeeld. Want Hij is God. Welk een zegen! En welk een voorrecht, als wij ons in de hoede Zijner barmhartigheid mogen betrouwen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERKIEZING EN WILLEKEUR

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's