Onderwijsdebatten
Bij de behandeling van de onderwijsbegroting 1955 is er in de kamer heel wat kritiek losgekomen op het onderwijsbeleid der regering.
1. Men is van oordeel, dat het betrokken departement te traag werkt. Niet, alsof men geen waardering had. Integendeel, er werd zelfs gesproken over een hard werkende minister, maar dat er desondanks toch reden was tot onrust en teleurstelling, meende men o.a. toe te moeten schrijven aan het feit, dat het departement overbelast is. Zo zijn b.v. de algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de wet op het kleuteronderwijs nog niet verschenen.
2. Men wacht nog steeds op definitieve wetgevende regelingen voor het V. H. M. O.
3. Het tekort aan personeel bij alle takken van onderwijs was weer een belangrijk punt. Er zijn wel verschillende maatregelen getroffen of in voorbereiding ; het lerarentekort heeft de aandacht, van de spoedcursussen wordt personeel verwacht voor de lagere scholen, een verhoogde beloning van het aktenbezit van het u.l.o. helpen. Maar op het ogenblik en in de naaste toekomst zitten de scholen nog met het probleem. Overigens kon de minister er op wijzen, dat de toestand niet of niet meer zó erg is als de eerste nota betreffende de raming van tekoren aan onderwijzers deed verwachten.
Er wordt in de 2de vervolg-nota op de eerste nu becijferd, dat de toestand van 1956—1963 vermoedelijk als volgt zal zijn
1956 tekort 975 1957 tekort 295 1958 tekort 635 1959 over 5 1960 over 730 1961 over 2400 1962 over 4195 1963 over 5760
Dat ziet er na 1959 ineens heel anders uit. Wat moet men dan aan met die overschotten ? Die vinden hun weg wel, want bij deze ramingen is geen rekening gehouden met de eventuele verlenging van de leerplicht en ook niet met de verlaging van de leerlingenschaal.
Het overschot zou dus goed te pas komen, als door de uitbreiding van de leerplicht meer personeel nodig is en eveneens als het klassegemiddelde verlaagd wordt.
Hoe 't met de verhoging van de leerplichtige leeftijd staat, durf ik niet te zeggen, maar dat de klassen gemiddeld kleiner zullen moeten worden, wordt wel als een dringende noodzaak door alle onderwijsorganisaties gevoeld.
Wat overigens de bovengenoemde getallen betreft, deze zullen alleen dan reëel kunnen worden, als de kweekschoolbezetting op het huidige peil kan gehandhaafd worden.
4. De salariëring bracht ook weer roering. Het A.N.O.F. (d.i. de samenwerkende organisaties der onderwijzersverenigingen) heeft verschillende wensen kenbaar gemaakt. De minister heeft de nodige becijferingen laten maken en meent dat uitvoering dezer wensen een kostenverhoging zou meebrengen van 30% of in totaal een vermeerdering aan salaris van 70 miljoen gulden. Dat acht de regering onuitvoerbaar. Wel is zeer binnenkort te wachten een verhoging van de salarissen der u.l.o. leerkrachten, die in het bezit zijn van bij-akten. De verhoging zal n.l. vooral gaan over de hogere uitkeringen voor aktenbezit.
Dat daartegen van andere zijde weer verzet komt, is duidelijk. Niet, omdat deze u.l.o-onderwijzers meer salaris zullen gaan verdienen, maar omdat daardoor de verhouding ten opzichte van de onderwijzers bij het lager onderwijs scheefgetrokken wordt. Op het ogenblik is het zó, dat een onderwijzer bij het u.l.o. met bevoegdheden, ongeveer evenveel verdient als een hoofd ener lagere school met gelijk aantal dienstjaren. Wordt nu de ene partij verhoogd, dan is de verhouding verbroken. Dus moeten ook de salarissen bij het lager onderwijs op de helling. Aleer echter de minister daarover gaat denken, laat hij eerst uitzoeken, hoe de verhouding is der onderwijzerssalarissen met die van overeenkomstige functionarissen bij overheidsinstanties of in het particuliere bedrijf. Dat wordt een nogal moeilijk probleem.
5. Ook de scholenbouw werd onder de loup genomen. Niet alleen bij het kleuteronderwijs en het lager onderwijs, maar ook bij het nijverheidsonderwijs is zeer dringend behoefte aan schoolruimte. Niemand zal ontkennen, dat ook dit laatste een zeer belangrijke tak van onderwijs is en nog steeds meer wordt. Men heeft uitgerekend, dat het nijverheidsonderwijs voor jongens, dat in 1953 ongeveer 69.000 leerlingen telde, in 1970 zal aangroeien tot ± 100.000. Bij het nijverheidsdagonderwijs voor meisjes zijn deze getallen respectievelijk 68.000 en 105.000.
Dus moeten er scholen komen. Scholenbouw, zo is er gezegd, is even belangrijk als woningbouw. Maar de minister heeft, zoals hij zegt, geen bouwvolume tot zijn beschikking, tenminste zeker niet in een zodanige mate als nodig zou zijn om op korte termijn in de behoefte te voorzien.
Overal is er tekort aan personeel en aan ruimte. Hoewel dat geen oplossing brengt, wijst de minister er toch op, dat dit alles niet aan het departement kan worden toegerekend. In allé takken van bedrijf is grote behoefte aan geschoold personeel en 't is daarom niet zo vreemd dat dit ook bij het onderwijs het geval is.
6. Er werd geklaagd over achterstelling van het openbaar onderwijs in de pacificatie en men vroeg om wettelijke regelingen, teneinde hieraan een einde te maken. Daartegenover werd gevraagd om bewijzen, dat dit werkelijk het geval is, omdat men daarvan niet overtuigd was.
7. Ten slotte kwam nog een opmerking van andere aard. Een der afgevaardigden vond, dat bij het onderwijs te weinig rekening gehouden wordt met persoonlijkheid en karakter van de leerlingen. Daarover kon men het eens zijn, zonder een oplossing hiervoor te vinden. In elk geval zijn de grote klassen een ernstige belemmering voor de onderwijzer om voldoende rekening te houden met ieders karakter en persoonlijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's