De Dordtse leerregels
Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommige niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit. „Want Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend". (Hand. 15 vs. 18) en „Hij werkt alle dingen naar de Raad Zijns willens". (Efeze 1 vs. 11).
Daar is een mensheid, die van God is afgevallen en de duivel toegevallen. Allen zijns des vloeks en des eeuwigen doods schuldig geworden. God zou niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen. Dit laatste heeft de Heere echter niet willen doen. Hij heeft zijn Zoon gegeven. Hij laat de zondaren roepen tot geloof en bekering. Daar is echter niemand, die uit en van zichzelf in Christus gelooft. God echter schenkt het geloof. Aan wie ? Niet aan alle mensen, doch aan hen, die Hij besloten heeft dit te geven. Wanneer is dit besluit gemaakt ? In de eeuwigheid. Dit laatste wordt van sommige zijden bestreden. Men huldigt liever de gedachte, dat God uit de geboren mensen sommigen verkiest en diezelfde soms ook wel weer verwerpt en zo vervolgens. In elk geval is men er tegen, dat reeds vóór de schepping der wereld vast zou staan, wie zalig zullen worden en wie niet.
De leerregels zijn daar niet tegen.
Zij belijden, dat er is een verkiezing tot de zaligheid en tot het eeuwige leven. In die verkiezing ligt het voornemen Gods vast, omdat zij is het besluit Gods vóór de grondlegging der wereld. Bij die laatste uitdrukking willen wij in dit artikel stilstaan. Volgens het grote Woordenboek, dat genoemd is naar Gerh. Kittel komt de uitdrukking , , vanaf (of voor) dé grondlegging der wereld" meer dan eens in het N.T. voor als een eenvoudige bepaling van tijd. Matth. 13 VS. 35 spreekt van dingen, die , verborgen waren; „van de grondlegging der wereld". De Heere Jezus kwam deze dingen als de eerste openbaren.
In Lucas 11 vs. 50 staat: , , Opdat van dit geslacht af geëist wordt het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af".
« In Matth. 13 vs. 35 zijn de dingen gedurig verborgen gebleven. In Lucas 11 VS. 50 is het bloed geregeld door vergoten. Zo nog enige plaatsen. Maar overwegend wordt deze uitdrukking anders gebruikt n.l. in een heilshistorische betekenis. Het heeft iets te maken met onze zaligheid. Als voorbeelden noemt nu het Woordenboek Matth. 25 vs. 34; Openb. 13 vs. 8; 17 vs. 8. , , Hier spreekt de uitdrukking vanat de grondlegging der wereld de eeuwigheid uit van de Goddelijke heilsraad, die in het oerbegin genomen is en in de eindtijd verwerkelijkt wordt". Matth. 25 vs. 34: „Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld".
Dat Koninkrijk lag dus bereid, toen de wereld geschapen werd. Dan is daar Openb. 13 vs. 8 en 17 vs. 8. , , En allen die op de aarde wonen zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld". (13 vs. 8). , , En die op de aarde wonen zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld) ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is".
Deze laatste teksten zijn om twee redenen belangrijk. Zij helpen om de uitdrukking , , vanaf de grondlegging der wereld" te verstaan. Verder laten zij ons de verworpenen als één groep zien.
De verworpenen worden hier genoemd , , zij, wier namen niet geschreven staan in het boek des levens". Daar is klaarblijkelijk iets geschied met deze groep. Zij zijn ergens van uitgesloten. Zij zijn uitgesloten van het boek des levens. Zij staan daar niet in geschreven.
Over deze belangrijke teksten is natuurlijk het een en ander te doen geweest. Op het congres der Calvinisten in 1936 (Congres de Theologie calviniste) verklaarde M. de Saussure, dat hij in de bijbel geen enkele tekst had kunnen vinden over een verwerping, uitgesproken vóór de val. Hij haalt als voorbeeld aan, dat in Matth. 25 vs. 34 (zie boven) gesproken wordt van een Koninkrijk, dat bereid is vanaf de grondlegging der wereld. Dat is dus bereid vóór de val. Maar in Matth. 25 vs. 41 staat alleen maar: bereid voor de duivel en zijn engelen. Er staat niet bij, vanaf welke tijd het bereid was. Hij noemt het bereid zijn vóór de val supralapsariscli en het bereid zijn na de val intralapsarisch. Daar zou ik nog eens over moeten denken. Doch in elk geval: de bijbel zou niet weten van een verwerping die is uitgesproken vóór de val. Daar heeft toen M. Cadier bij aangehaald Openb. 13 vs. 8. Daar is sprake, zegt hij, van iets, dat is gedaan vóór de grondlegging der wereld, van een boek des levens, dat is geschreven, en zij wier namen niet zijn geschreven, aanbidden het beest, bijgevolg zijn zij aan het verderf gewijd. Hij noemt deze tekst supralapsarisch. Doch toen kwam M. Roux. Hij wilde het zó verklaren, dat het Lam geslacht is van vóór de grondlegging der wereld. Dat is een opvatting, die gemakkelijk bij de lezer opkomt, maar toch m.i. niet waarschijnlijk is. Tamelijk algemeen is dan ook de afwijzing van deze samenvoeging. Dus blijft het gelijk aan de kant van M. Cadier.
Doch nu zijn we er nog niet.
Dr. Woelderink brengt in zijn boekje over , , De Uitverkiezing" juist deze teksten naar voren, 't Zijn voor hem kroongetuigen van de opvatting, dat het Boek des levens zoiets is als de registers van de burgerlijke stand in een dorp of stad. Die gaat er uit en die komt er weer in en een derde keert terug. Zijn stelling is dus, dat dit register, dit boek des levens in de hemel gedurig bijgehouden wordt. Er worden telkens nieuwe namen bijgeschreven : de mogelijkheid dat iemands naam wordt doorgedaan, blijft hier ook open. Hij schrijft op blz. 63: , , Een van de voornaamste argumenten ligt voor mij in de vermelding, die in Openb. 13 vs. 8 en 17 vs. 8 voorkomt, n.l. dat de namen der ingeschrevenen daarin geschreven staan vanaf de grondlegging der wereld. Dat is iets gans anders dan van vóór de grondlegging der wereld. Door hen, die in het boek des levens het getal der uitverkorenen zien, wordt dit verschil meestal geheel over het hoofd gezien. Lucas 11 VS. 50, 51 laten duidelijk zien dat vanaf de grondlegging der wereld niet alleen betekent, vanaf het begin van het menselijk geslacht, maar dat dit vanaf duidt op een voortgang, vanaf het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia". Volgens Woelderink wil dan vanaf hier zeggen, dat men er bij de grondlegging der wereld mee begonnen is en dat dit optekenen der namen sindsdien voortgang gehad heeft. Zover ik weet, staat dr. Woelderink met deze opvatting tamelijk alleen. De Griekse werkwoordsvormen pleiten er reeds tegen. In Lucas 11 vs. 50 wordt een tegenwoordig deelwoord gebruikt. Het is bloed dat telkens en telkens vergoten wordt of werd. Maar in de teksten uit Openb. 13 en 17 staat een perfectum. De zaak is af. Die namen staan geschreven, op het ogenblik dat de fundamenten der aarde gelegd worden. Het perfectum wijst ontegenzegggelijk op iets, dat in het verleden éénmaal gebeurd is. Men kan deze teksten niet vertalen alsof er in het oorspronkelijke stond : wier namen geschreven werden in het boek des levens vanaf de grondlegging der wereld'. Hadom tekent bij Openb. 13 vs. 8 aan : , , van de grondlegging der wereld hoort bij gegraptai. Praedestinatie".
Dus als dr. Woeldeirink met de Heilige Schrift in overeenstemming wil komen zal hij deze teksten moeten laten vallen. En aangezien deze teksten zijn voornaamste argumenten vormen, kan hij niet beter doen dan heel die merkwaardige opvatting van een boek des levens, waarin telkens nieuwe namen bijgeschreven worden en oude mogelijk uit weggeschapt worden, ook maar los te laten en door een Schriftuurlijke opvatting te vervangen.
Doch nu waren we nog niet toe aan , , vóór de grondlegging der wereld". Daarvan spreekt Joh. 17 : 24. God heeft de Zoon liefgehad vóór de grondlegging der wereld. D.w.z., zegt Grosheide: „Voor de geschiedenis begon, dus van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Jezus spreekt hier als Middelaar. Van eeuwigheid ging de liefde des Vaders uit naar de Zoon, die als Middelaar het werk Gods zou doen". Dezelfde uitdrukking is in Efeze 1 vs. 4. De gemeente Gods is uitverkoren vóór de grondlegging der wereld. Daar kan toch alle redenering van deze tijd niets aan veranderen ! Zo'n tekst staat muurvast. En even vast staat het, dat zij wier namen niet staan geschreven in het boek des levens, verloren gaan. Dat zegt toch Gods Woord zelf! Vandaar dat er geen twijfel aan wezen kan of de Leerregels volgen Gods Woord, als zij zeggen: dat God sommigen met het geloof begiftigt en anderen niet begiftigt, komt voort uit Zijn eeuwig besluit. Op welke gronden dat besluit genomen is, blijft hier buiten bespreking. Maar in elk geval heeft geen daad of zijn des mensen de Heere er toe gebracht om juist die mens te verkiezen. Daar gaat het om. Niet uit de werken, opdat niemand roeme.
Uitverkoren vóór de grondlegging is toch ongetwijfeld te denken als een Besluit, een Voornemen, een Raad. Dat besluit gaat over de uitverkorenen. Zij staan in het boek des levens. Die verkiezing is tot zaligheid, zegt 2 Thess. 2 VS. 13. Ook vormen deze uitverkorenen een aparte groep. De Schrift geeft niet het minste recht tot de boodschap : Gij zijt allen uitverkoren. Hier ging het ons voor deze keer om. De uitdrukking „uitverkoren van vóór de grondlegging der wereld" is op zichzelf zó sterk, dat niemand kan tegenspreken dat er een besluit Gods is, waarin de uitverkorenen zijn voorbestemd om kinderen Gods te zijn, zoals Efeze 1 vs. 5 zegt. Dit voornemen Gods kan in de tijd niet veranderen. God is niet een veranderlijk God. Daar komt in dit voornemen niemand bij en er gaat niemand af. Dan zou Rom. 8 onwaarheid spreken, dat God hen verheerlijkt, die Hij tevoren verordineerd heeft. Niet één meer en niet één minder. Want Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. Ook de Zoon Gods is voorgekend geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard in deze laatste tijden. Zo zijn al Gods kinderen voorgekend, uitverkoren, geschreven in het boek des levens vóór de grondlegging der wereld, doch zij worden toegebracht in de tijd. En als God hen niet toebracht, kwam er nooit één, want er is niemand, die God zoekt, niet tot één toe. (Rom. 3). Ook de voorstanders van de vrije wil niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's