De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERKIEZING IN CHRISTUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERKIEZING IN CHRISTUS

9 minuten leestijd

Zo luidt het opschrift van het vijfde hoofdstuk van het laatste deel der Dogmatische Studiën van de hand van prof. Berkouwer.

Hij bestrijdt in dit hoofdstuk met name verschillende valse voorstellingen van de gereformeerde leer der verkiezing. Als zodanig reeds kan dit hoofdstuk nuttig werken, hoewel wij persoonlijk niet de verwachting hebben, dat de onjuiste voorstellingen van Calvijns praedestinatie-leer met één slag zullen worden weggevaagd in de geschiedenis der theologie van morgen en overmorgen.

Psychische weerstanden tegen de praedestinatie en wijsgerige neigingen tot een deterministische wereldbeschouwing, zullen altijd weer hun invloed doen gelden om deze strijd gaande te houden. Overigens worden ook de theologen door deze en dergelijke drijfveren gedreven om steeds weer te speculeren over dingen, die daarmede feitelijk uit de pneumatische (geestelijke) sfeer worden getrokken, waarin zij liggen, als behorende tot het terrein der goddelijke verborgenheid, waarover in het vorig artikel werd gesproken, m.a.w. tot de dingen die alleen in het geloof worden verstaan.

Dat sluit op zich zelf verstandelijk doorgronden uit en onttrekt deze vragen aan wijsgerige en theologische, — dat is in zoverre eigenlijk hetzelfde — speculatie. Ik geloof, dat het goed is, voortdurend daarop te wijzen, opdat het gebied der theologie zuiver worde afgebakend en ruimte gemaakt voor een strikt theologische methode, waarin Calvijn ons is voorgegaan, maar welke helaas zelfs bij velen, die zich gaarne op hem beroepen, niet, of althans niet öp de wijze van de meester wordt toegepast.

De vraag door prof. Berkouwer aan de orde gesteld door de voornaamste kwestie te formuleren is deze : Op welke wijze staat Jezus Christus, de Heiland der wereld, de inhoud van het Evangelie Gods, met de verkiezing in verband ?

Dat deze formulering aanleiding kan geven tot op- of aanmerkingen wordt door de steller zelf reeds gezegd. Daarbij merkt hij ook, dat de indruk kan gewekt worden, alsof het ging over twee gescheiden grootheden, n.l. „Christus" en de „verkiezing", waartussen verband wordt gebracht.

Dat bedoelt Berkouwer niet, maar intussen is dat misverstand heel niet zeldzaam. De , , verkiezing". Is dat voor velen niet een abstract iets, een besluit, een fatum, onbegrepen, onveranderlijk, star, dat als een noodlot over ons hangt?

Is dat ook niet de eerste gedachte, die gewekt wordt bij velen, als een theoloog spreekt over een decretum absolutum (een absoluut besluit), zodat een theoloog haast geneigd zou zijn zulke woorden niet te gebruiken ook, als zij een goede theologische zin hebben ?

Men schijnt zelfs geen onderscheid te gevoelen tussen het besluit van de levende God en eeji fatum, dat onpersoonlijk als het is, zelfs nooit besluiten kan.

Ook theologen, die dat onderscheid toch wel inzien, komen mèt verwijt van „verkiezingsdeterminisme", een term, die welbeschouwd aan innerlijke tegenstrijdigheid laboreert, maar men bedoelt, dan te zeggen, dat Calvijn en de gereformeerde theologie een abstract souverein verkiezingsbesluit als grond en oorzaak der verkiezing leren, waarin van de liefde en genade Gods nog geen sprake kan zijn. (Zie Berkouwer blz. 161).

"Als zodanig is zulk een oordeel reeds reine onzin, om de eenvoudige reden, dat een ieder, die iets verstaat van de gereformeerde leer aangaande God, kan weten, dat deze geen abstract Gods „begrip" leert, (het woord begrip is zelfs niet op zijn plaats) maar dat de voorstelling van de levende God der Schriften, waarvan deze theologie uitgaat, zoals die door het geloof wordt gekend, altijd straalt in het licht van het goddelijk deugdenbeeld, m.a.w. nooit afgetrokken kan zijn van Zijn liefde en genade en ook niet van Zijn toorn en gerechtigheid, om slechts een paar trekken te noemen.

Zuiver, dat is Schriftuurlijk theologisch gesteld, d.w.z. zoals het Schriftgeloof de geestelijke dingen ziet, kan er derhalve niet eens sprake zijn van een abstract souverein verkiezingsbesluit.

Dergelijke misverstanden, zoals in vroeger en later tijd telkens weer voorkomen, komen voort uit een niet ingeleefd zijn in de gereformeerde theologie. Een merkwaardig voorbeeld daarvan geeft prof. Berkouwer op blz. 161 v.v., als hij aantoont, dat Reid in zijn boek: The office of Christ in Predestination, zulke beweringen grondt op een onvolledig en — wij voegen er bij — onbegrepen citaat van Calvijn.

Maar nu de vraag : Het verband tussen Christus en de verkiezing.

Is Christus fundament en oorzaak onzer verkiezing?

Vanwege het verband, waarin deze stelling bij de Remonstranten werd gevonden, is zij door Dordt afgewezen.

Of is Christus slechts uitvoerder van de verkiezing Gods ?

Hoe moet dit worden verstaan, of eigenlijk, hoe wil de Heilige Schrift dat verstaan hebben, als zij gewaagt van verkiezing in Christus ?

Hij heeft ons in Hem (in Christus) verkoren vóór de grondlegging der wereld. (Efeze 1:4). Het welbehagen, dat Hij zich in Hem voorgenomen had. (Efeze 1:9).

Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Ciiristus Jezus gegeven is voor de tijden der eeuwen. (2 Tim. 1:9).

Verder wordt 1 Petr. 1 : 20 aangehaald : Hij was van te voren gekend, vóór de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard terwille van u, en Openb. 13 : 8, waar gehandeld wordt over het boek des levens van het Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld. (Vgl. Berkouwer, blz. 153 v.).

Wordt de betekenis van deze woorden zuiver gevat, als wij Christus zonder aarzeling , , fundament" der verkiezing noemen ? (zonder de interpretatie der Remonstranten voor onze rekening te nemen), vraagt onze auteur.

Ter beantwoording van deze vraag, begint Berkouwer er op te wijzen, dat de gereformeerde theologie Christus niet fundament van de verkiezing wilde noemen, als dat zou willen betekenen, dat de goddelijke verkiezing door het werk van Christus zou worden gemotiveerd, (blz. 155).

Deze kritiek stemt derhalve zakelijk overeen met de kritiek, die op de verzoeningsleer is uitgeoefend op de idee der z.g.n. , , Umstimmung", als zou de Vader eerst niet tot verzoening gezind zijn geweest, maar door het lijden en sterven van Christus van stemming zijn veranderd en wel verzoeningsgezind ten aanzien van de mens zijn geworden.

Dat kan nooit de zin van de Heilige Schrift zijn, die zegt, dat God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, enz. (2 Cor. 5 : 19). Deze opvatting wordt gevonden bij roomsen, luthersen en remonstranten, maar wordt door de gereformeerden terecht bestreden. (Vgl. Bavinck Geref. Dogm. II, 365. Berkouwer blz. 155).

Conclusie : In deze afgewezen zin is Christus niet het fundament der verkiezing.

Is Christus dan misschien uitvoerder van een buiten Hem om genomen besluit der verkiezing, dat van eeuwigheid reeds gevallen is ? , zo vraagt Berkouwer.

Hij antwoordt, dat zulk een voorstelling de diepte der Schrift niet raakt, (blz. 156). Dat is ook juist. Immers dan kwam weer de boven besproken en verworpen gedachte van een absoluut besluit, zonder en buiten de Christus om, naar voren. Zo wijst Berkouwer op de geheel verkeerde nadruk door Haentjes (Remonstrantse en Calvinistische dogmatiek, 1913), gelegd op „het eeuwig raadsbesluit, waardoor feitelijk ook de werking van Christus overbodig wordt gemaakt, slechts als 'n spiegeling wordt voorgesteld, terwijl zijn Middelaarschap en zijn bemiddelingswerk geheel wegvalt". (Zie Berkouwer, blz. 158).

Deze redenering komt ook weer voort uit een misverstand in de interpretatie van wat Calvijn schreef.

Het mag intussen waarlijk overbodig heten om nog meer voorbeelden aan te halen, teneinde aan te tonen, hoezeer men op het stuk der vertolking van Calvijn e.a. dwaalt. Zo wordt door Berkouwer ook de vinger gelegd bij de dwaling van dr. Woelderink in zijn analyse van de Dordtse Leerregels, waarin hij ook al eenzijdig op een verkiezingsbesluit gewezen ziet, terwijl hij aan de nadruk op de eeuwige liefde Gods (Canones II. 9) voorbij gaat. Heel fijntjes merkt Berkouwer voorts op, dat Woelderink tot titel van zijn boek: De Uitverkiezing koos. (blz. 168).

Tot de vraag gekomen omtrent de zin van de uitdrukking in Christus, wil Berkouwer vooral — en terecht — wijzen op de vastigheid der verkiezing en de vertroosting, welke ons uit de Schrift tegemoet komen.

Wel valt niet te loochenen, dat voor het besef van menigeen in al die Schriftwoorden over het eeuwig voornemen Gods, de goddelijke voor-kennis, het , , vóór de grondlegging der wereld". Zijn welbehagen, een element van bedreiging en onzekerheid ligt, meer dan een bron van vertroosting, (blz. 173).

Wij vinden dat in de gemeente ook en dat is een bedreiging van de vertroosting. Berkouwer heeft ook gelijk, als hij zegt, dat het arglistig hart van de mens de belijdenis der verkiezing kan aangrijpen in verontschuldiging of er een verklaring, zelfs een rechtvaardiging in vinden voor z'n blijvende onzekerheid, (blz. 175).

Doch zulke, opvattingen kunnen de zin van de 'Heilige Schrift niet weergeven. Lees deze uitdrukkingen bij de apostel Paulus (in Rom. 8 : 28—30) om te verstaan, dat , , voor", , , voornemen", , , tevoren gekend", „tevoren geordineerd", geen bedreiging bedoelen, doch handelend over het heilsplan Gods wordt be- • tuigd, dat dit rust in de liefde Gods, on­ vergankelijk, zeker, en in Zijn welbehagen gegrond.

De Heilige Schrift weet niet van een besluit buiten Christus om, dewijl Hij de Zoon is.

Wij vestigen de aandacht slechts op de openbaring omtrent onze schepping ; zie Genesis 26 en 27. Sommigen kunnen dat mythe noemen, maar voor de gelovige is het openbaring, goddelijke waarheid. Hoe zou men willen aannemen, dat enig besluit aangaande de mens en zijn eeuwige bestemming zou kunnen omgaan buiten de Christus, die toch de Zoon is, terwijl de Heilige Schrift zo omstandig bekend maakt het goddelijk overleg aangaande de schepping van de mens ?

Bedenk verder, dat alle dingen door de Zoon zijn geschapen. (Joh. 1 : 3 ; 10. Hebr. 1 : 2; 11 : 3).

Bedenk ook, dat daar staat in Kol. 1 : 16 en 17, waar betuigd wordt, dat alle dingen door Hem geschapen zijn en in Hem tezamen bestaan. Wij noemen nog Efeze 2 : 10, waar ons wordt geleerd, dat de gemeente der uitverkorenen in Christus geschapen is.

Men kan zeggen, dat de gehoorzaamheid van de Zoon in de aanvaarding van de dienstknechtsgestalte en van de gruwelijke kruisdood dan nog ondoorgrondelijker beeld van goddelijke liefde is, maar men kan niet aannemen, dat de Zoon in zijn lijden en sterven slechts uitvoerder van een buiten Hem omgaand besluit der verkiezing zou zijn aangaande degenen, die de Vader Hem gegeven heeft.

In die ondoorgrondelijke liefde Gods ligt echter wel het fundament der vas­tigheid onzer verkiezing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERKIEZING IN CHRISTUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's