JACOBUS KOELMAN
II
Het slot van ons eerste artikel leidde onze aandacht al naar Koelman's werken. Daar zijn geen grote „standaardwerken" bij, trouwens, dat verbindt Koelman met de meeste piëtisten. Alleen Voetius, die door zijn hoogleraarsambt daartoe aanleiding had en er de tijd voor vond, heeft grote werken geschreven en evenzo enkele van zijn leerlingen, die in dezelfde functie werkzaam waren. Maar de meesten van de mannen der Nadere Reformatie waren predikanten, te sterk in beslag genomen door een drukke ambtspraktijk, dan dat ze grote werken hadden kunnen voortbrengen. Wanneer men nog in onze dagen onze kring in ditzelfde opzicht in gebreke stelt, is de verklaring in dezelfde richting te zoeken. De meesten onzer, die toch wel belangstelling voor wetenschappelijke arbeid hebben, zijn zeer gehandicapt door overbelasting en ambt, waardoor het schrijven van grotere werken uitblijft.
Al hopen we zeer, dat er in dezen een kentering zal optreden, toch zal het de roem van de piëtisten blijven, dat ze pastor zijn in de eerste plaats en daarna pas theoloog. En mogelijk putten we, als grotere werken van ons niet zo licht verwacht kunnen worden, wat moed uit het woord dat Groen van Prinsterer sprak tegen de oude Gunning: Gij legt veel kracht in uw kleine boekjes. Goliath is tenslotte, hoe groot hij was, door een klein steentje ten val gebracht.
Nu : ook Koelman heeft stellig veel kracht gelegd in zijn kleinere werken. De stichtelijke zijn er de meeste en ook wel de beste van. Naast de troffel, wist hij het zwaard te hanteren, wat De Labadie (over wie later) en met name Balthazar Bekker te gevoelen kregen. Deze laatste is vrij bekend geworden door een geruchtmakend werk, geheten De Betoverde Wereld. Hij gaat daar allerlei hekserij en spokerij te lijf, allerlei bijgeloof, in verband met kometen en dgl. Dat alles kan enkel lof verdienen, maar de bestrijding, die hij vond, dankt hij aan het feit dat hij aan de rede van de mens zo'n grote plaats toekent, dat hij ook het geloof in zijn wezen aantast en ververstandelijkt.
Zoals we weten, was de sabbath in de 17e eeuw een groot twistpunt. Koelman heeft ook in dezen een krachtig woord meegesproken, niet pleitend voor een joods sabbatisme, maar wel voor een christelijke levensstijl, ook en juist op zondag. Dat hij in verband daarmee niet voelde voor , , christelijke feestdagen" als tweederangs zondagen, hebben we al verhaald. Hij had Calvijn daarin stellig mee, maar de Gereformeerde kerk ten onzent heeft in dezen zomin Calvijn als Koelman gevolgd, wat Koelman wel eens bitter stemde en eenzaam maakte.
Al die genoemde werken hebben kerkelijke strekking. Zijn volle kracht ontwikkelt Koelman o.i. toch pas, als hij tot de binnenkant van het kerkelijk leven komt. (Vergelijk het boven uiteengezette). Hij had veel kritiek op de kerk van zijn dagen, die, een kleine eeuw oud, al meer volkskerk wordt en daarmee de problemen oproept, die een volkskerk uiteraard voor een belijdende kerk betekent.
Nu heeft kritiek de neiging, om negatief te zijn, d.w.z. om wèl te zeggen hoe het niet moet, maar te verzwijgen, hoe het dan zou moeten gebeuren. We vinden het belangrijk bij Koelman, dat hij krachtig weet te slopen en , , neen" te zeggen, maar even voortvarend is in het aanwijzen van geneesmiddelen en van positieve opbouw.
Het gezin is hem de grondcel van kerk en samenleving. Het verwondert ons dan ook niet, dat we een boekje van hem aantreffen, dat tot titel heeft: De plicht der ouders om hun kinderen voor God op te voeden. Dit boek is in de vorige eeuw, in de kring der Afscheiding, herdrukt en komt daarom gedurig voor. Geen wonder, dat het de aandacht der Afgescheidenen trok, die immers in veel opzichten in een zelfde positie verkeerden als waarin Koelman was geraakt. De gezonde nadruk op het genadeverbond, op de betekenis van de Heilige Doop, was ook al weer zeer geschikt om Koelman en de Afscheiding te verbinden. Dat is helemaal niet iets aparts voor Koelman: heel de Nadere Reformatie leeft sterk uit het genadeverbond, echter zó, dat het verbond niet losgemaakt wordt van de verkiezende God.
Over dit boekje spreken we hier verder niet. Naast het gezin, zag Koelman de betekenis van de kerkeraad. Ieder -van ons zal dat kunnen begrijpen. Wat een rijke zaak is een bekwame kerkeraad en wat een droevig figuur slaat een kerkeraad, waarin zogoed zout als vuur ontbreekt.
Koelman woog zijn collega's predikanten en schrok zelf van de uitslag. Want hij wist zich toch één van hen, óók een man, vol gebrek. Maar naast zijn collega's woog hij ook de kerkeraden, vooral de ouderlingen, erf| bevond de uitslag al weinig minder bemoedigend. Maar dan gaat hij niet bij de pakken en de kritiek en het tekort neerzitten, maar hij wijst wegen tot vernieuwing. Dat doet hij, waar het de ouderlingen en diakenen betreft, in zijn grootste werk, dat evenzo in de vorige eeuw herdrukt is : Het ambt en de plichten der oudeilingen en diakenen.
Onder deze eenvoudige titel wordt veel meer geboden, dan we zo verwachten zouden. Koelman geeft immers eigenlijk een soort handboek of encyclopedie voor het kerkeraadslid. En we willen opperen: dat handboek is nog allerminst verouderd! In het voorwoord bindt de schrijver aan de kerkeraden hun heilig werk op het hart. Dat mag nooit sleurwerk worden. En hoe gezonder de plaatselijke gemeente, hoe meer heel de kerk tot lof des Heeren kan zijn. Tegenover de remonstranten, die de „regerende ouderling" onbijbels achten, stelt Koelman het tegendeel vast. Ze moeten regeren, d.i. dienen maar ook er goed voor waken, dat de overheid niet rove, wat aan de kerk alleen toekomt. De ambtsdragers wil hij door de kerkeraad verkozen zien (wantrouwde hij de gemeente in de volkskerk wat ? ) en het zou passen, hen te bevestigen na bidden en vasten, met handoplegging. Ja, naar Engels voorbeeld zou hij de gekozenen ook willen beproefd zien door kerkeraad of classis. Het werk van de ouderling blijve vooral niet aan de buitenkant. Ziekenbezoek komt stellig ook de ouderlingen toe. Uitvoerig tekent Koelman wat alzo dient te geschieden in de kerkeraadsvergadering, hoe zielszorg, catechese, prediking, dienen te worden bewaakt. En de tucht — een vitaal en kritiek punt — vraagt veel van hart en hoofd.
De kerkeraad heeft met de kerkorde van doen. Dit betekent dus : de Dordtse Kerkorde. Koelman dringt er op aan, dat men daar goede kennis van neme. Maar: kritisch! Want (hier ligt een pijnlijk iets voor Koelman): hij bewondert de Dordtse vaderen zéér. Maar ze waren veel te toegeeflijk tegenover de overheid en dan hebben ze volgens hem ook in de formulierenkwestie en feestdagen misgetast. Daarom blijft het tenslotte zo : de ouderling of diaken toetse de kerkorde aan de Schrift en zijn gewéten spreke het laatste woord.
De wijze, waarop Koelman de Dordtse Synode bespreekt, met lof en kritiek, is uiterst leerzaam. Hij verhaalt verder, hoe de kerkeraden in classis en provinciale synode samenkomen en poogt ze daartoe te scholen.
In alles blijkt hij een echte piëtist, een man, die pleit voor een levend geloof, d.w.z. voor een godzaligheid, die praktijk is. Hij raadt de kerkeraden aan, een handbibliotheek aan te leggen met daarin de beste werken uit de Nadere Reformatie. Daar hoort het martelaarsboek bij ! de kerkgeschiedenis van Trigland; een paar werken over de Catechismus : een paar over de opscherping van het geweten en waarbij de Handelingen van de Dordtse Synode niet mogen ontbreken.
We kijken daar met wat verwonderde, maar geboeide ogen naar. We vrezen, dat niet ieder van onze kerkéraadsleden helemaal aan die lectuur toekomt. Maar we zijn toch wel begerig naar zó geschoolde ambtsdragers!
Die zelfde strekking heeft een hoofdstuk, waarin hij spreekt over de bestrijding van overdaad, weelderige kleding, kermis, komedie, dans, enz. enz., die hij allemaal rekent tot de dingen, die de christen zomin betamen als stichten. Als hij over het gebed spreekt, acht hij geknield bidden zeer sprekend om ootmoed uit te drukken. Ook daarin heeft hij Calvijn mee, maar ze hebben het samen niet kunnen winnen in een kerk, die blijkbaar wat antipapistischer was dan zij.
Alles saamgevat: het beeld, dat Koelman geeft van de Gereformeerde kerk, zo ongeveer 1650, is werkelijk triest. Wij denken vaak, dat het 300 jaar geleden zoveel rijker en beter was. Lectuur van Koelman kan ons dan wel zeer ontnuchteren.
Maar juist daarom is Koelman's conclusie : Broeders, die in het ambt gesteld zijt: weest altijd overvloedig ia het werk des Heeren, want uw arbeid zal nochtans niet ijdel zijn, in Hem.
U hoort wel: het piëtisme is uiterst actueel, óok nu. Zó actueel: de praktijk van het ambt kan alleen kracht en zegen hebben, als ze is : praktijk der godzaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's