De Dordtse leerregels
Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort - van Zijn eeuwig besluit. , , Want Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend" (Hand. 15 vs. 18) en , , Hij werkt alle dingen naar de Raad Zijns willens" (Efeze 1 vs, 11).
We hebben reeds een artikel gewijd aan de eerstgenoemde tekst. Het is billijk dat we ook de tweede voor het voetlicht brengen. Duidelijk moge het ieder zijn, waar het om gaat. De Dordtse Leerregels trachten weer te geven, wat de Heilige Schrift leert over de redding uit het verderf van de zondaren. Wij zijn aan allerhande ellende ja aan de verdoemenis onderworpen. Nu is er echter door Gods genade een weg tot behoudenis gegeven. Die weg is, dat wij de Heere Jezus door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen. Maar hoe krijgen wij dit geloof ? Daar spitst zich de vraag op toe. Is het geloofsvermogen een aangeboren bezit ? Neen, het vermogen om in Christus te geloven niet. Wel het vermogen om te geloven. Geloven in het algemeen is een zeer gewone weg om tot kennis en zekerheid te komen. Het natuurlijk geloof speelt zelfs een grote rol in de samenleving. Het geloof is grondslag en band van heel de samenleving. Maar tussen dit algemene geloof als onmiddellijke zekerheid en het christelijk geloof bestaat een groot verschil. Dit geloof heeft een bijzonder voorwerp. Het heeft, zoals Calvijn zegt, tot voorwerp Christus gekleed in Zijn evangelie. Het zaligmakend geloof omhelst Christus zoals Hij in de Schrift geopenbaard wordt. Het kan dus niet afgaan op een indruk, een gevoel of iets dergelijks van de menselijke zintuigen. De laatsten brengen ons alleen in contact met de geschapen dingen. Maar voor het zaligmakende geloof moeten onze ogen ontsloten worden voor de hemelse ongeschapen wezenheden. Dat kan alleen God ons geven. Daar moet ons een bijzonder licht geschonken worden om te zien, dat de Schrift Gods Woord is en Christus de van God gegeven Zaligmaker voor mij. Geeft God deze openbaring, deze verlichting en zo meer aan alle mensen ? De werkelijkheid leert, dat niet allen, die het Evangelie horen, dit aannemen met een waar geloof. De Schrift zegt in 2 Thess. 3 : 2 „Het geloof is niet aller". Waar komt dit vandaan? De Leerregels zeggen : dat komt in drieerlei opzicht van God. Hij schenkt het geloof, Hij schenkt het naar Zijn besluit, Hij schenkt het naar Zijn eeuwig besluit. Dit laatste is niet het voornaamste, als ik het goed zie. De tijd van Gods besluit is niet de kern van deze zaak. Het voornaamste is dat God het geloof schenkt aan wie Hij wil. Daarbij is Zijn wil geen willekeur, maar een besluit van Zijn Raad, waarbij echter geen daad of nalatigheid van de mens in aanmerking komt. Nu moeten wij dit laatste goed verstaan.
Het is een bekend gezegde, dat het toch niets geeft al doet men nog zo z'n best en al bidt men nog zo veel en al smeekt men jaren lang om genade, als men niet uitverkoren is. Waar men dit merkwaardig gezegde vandaan heeft, weet ik niet. De Schrift spreekt anders. Gods Woord zegt: „Bidt en u zal gegeven worden". Gods openbaring gaat niet van de veronderstelling uit, dat alle of vele mensen zeer begerig zijn om de wereld te verlaten, hun oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Daar zijn geen bidders en smekers, die buiten moeten blijven, omdat zij niet uitverkoren zijn. Daar is alleen maar ene Bidder. Dat is God, die Zijn handen uitbreidt de ganse dag tot een wederkerig volk. De natuurlijke mens staat vijandig tegen het geloven. Dat is wat anders. De Schrift zegt: Het geloof is niet uit u, het is Gods gave. De Almachtige werkt het geloof. , , Zalig zijt gij Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is", Matth. 16 : 17. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft hem trekke", Joh. 6 : 44 ; , , Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn dan door de Heilige Geest", 1 Cor. 12 : 3. „En die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoom Zijner liefde", Col. 1 : 13; , , Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave", Efeze 2:8. „Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te -geloven, maar ook voor Hem te lijden", Fil. 1:29.
Geeft God dit geloof aan allen ? Het Pelagianisme zegt, dat de genade, die aan allen geschonken wordt, in zichzelf voldoende is. Maar nu moet de wil des mensen beslissen of de genade kracht zal doen én blijven doen. Het is een gedachte, die heimelijk of openbaar semipelagiaans bij velen leeft. Men moet in de kringen der midden-orthodoxie om van de vrijzinnigen maar te zwijgen, eens vragen, hoe dat staat met de oorsprong van het geloof. Dan hoort men eerst dat het een gave van God is. Doch als men dan vraagt of de Heere deze genade, dit geloof, Zijn Heilige Geest aan ieder schenkt, komt de aarzeling. Velen houden het er voor, dat b.v. bij de Doop de Heilige Geest geschonken wordt en dat dit voor een ieder gelijk is. Dan komt het er verder op aan welk gebruik de mens er van maakt. Maar altijd, daar zijn ze midden-orthodox voor, geeft de mens de beslissing. Zodra zij het anders -gaan belijden komen ze midden in de bijbelse verkiezingsleer terecht en dat willen ze in geen geval. Immers, als God de zaligheid, het geloof, de genade schenkt aan wie Hij wil, zonder enige xede uit de mens te nemen, dan hebben "wij de belijdenis, dat God de ene verkiest en de ander voorbij gaat: , , niet uit de werken, opdat niemand roeme". Het zuiver pelagiaanse standpunt is in geen enkele christelijke belijdenis opgenomen. Allen hebben geleerd, dat er een tweede daad Gods nodig was na de aanbieding van de zaligheid in Christus. Volgens alle belijdenissen moet er iets aan de mens gebeuren. Dit laatste is wel in tegenspraak met de prediking van velen, die maar roepen, dat er niets meer met of aan of in een mens hoeft te gebeuren, want dat alles op Golgotha gebeurd is. Pelagiaanser belijdenis is niet denkbaar. Dan behoeft het, zoals -Pelagius leerde, alleen maar verkondigd te worden. Dat zijn soms predikers, die Augustinus tot in de wolken verheerlijken, maar zij preken Pelagiaans. Vreemd zou men zeggen. Maar eigenlijk vreemd is dit niet. Hoevelen willen zeer beslist de naam hebben dat zij van gereformeerde belijdenis zijn en preken daar recht tegen in. Maar als men nu het Pelagianisme niet wilde belijden, wat dan ? Aan wie wordt naast de prediking een werkzamer genade geschonken? Bavinck schrijft: , , Bij Rome, bij de Luthersen, bij de Remonstranten enz. is langzamerhand de leer opgekomen, dat de genade des geloofs geschonken wordt aan hen die van de eerste genade een goed gebruik maken. Die eerste genade bestaat dan in de prediking van het evangelie, de verlichting van de Heilige "Geest" enz. Het laatste zou dan altijd met de prediking verbonden zijn. Na deze eerste genade ziet God toe, wie hier een recht gebruik van maakt. Wie dat doet krijgt het geloof. God bindt zich in de uitdeling van de gave des geloofs aan de ernst van het menselijk streven. Deze prediking kan natuurlijk alleen ingang vinden in kringen waar men wonderveel denkt van de mens. Maar wie in zijn eigen hart en leven de waarheid der Schrift heeft bevonden, dat de mens een vijand van God en Zijn dienst is, deze laat zich door zulke voorstellingen niet verleiden. God kiest niet uit, die zelf hun best doen. Dan kwam er niet een. Ieder mens werkt op zijn ondergang aan. , , Er is niemand, die verstandig is, er is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te samen zijn zij onnut geworden". Wat een troosteloze leer is alle prediking die afwijkt van de gereformeerde belijdenis. God ziet toe, wie z'n best doet. God ziet toe, wie een goed gebruik maakt van de prediking. Wat zegt Jesaja ? „Wie heeft onze prediking geloofd? " Nou daar geeft Hand. 13 : 48 een klaar antwoord op. , , En er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven". Bavinck schrijft: „En de Schrift leert zo duidelijk mogelijk, dat de mens gans onwillig en onmachtig is, dat het geloof een onverdiende gave der genade is, dat de zaligheid ook subjectief Gods werk is". Maar nu is het geloof niet aller. Doch wel allen die er toe geordineerd zijn komen tot het geloof. Daaruit volgt, dat artikel 6 volkomen Schriftuurlijk spreekt als het zegt: dat God met het geloof begiftigt, die daartoe van eeuwigheid bestemd zijn. We zetten maar eens enkele teksten voor u neer. Efeze 1 VS. 4 spreekt van uitverkoren zijn vóór de grondlegging der wereld. Tevoren verordineerd zegt vs. 5 tot aanneming tot kinderen. Dit tevoren wijst ook naar de eeuwigheid. Was dit nadat God de ernst van de mensen onderzocht had ? Het was naar het welbehagen van Zijn wil. Dan wordt in vs. 11 gesproken van tevoren verordineerd zijn naar het voornemen Desgenen, Die, alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil. Op vele plaatsen wordt van deze Raad Gods gesproken. David is, volgens Hand. 13 : 36, — tenminste volgens Kittel — naar Gods Raadsbesluit ontslapen. Anderen verklaren het zo, dat hij gestorven is, nadat hij Gods Raad had gediend. Doch de Raad gaat aan Davids daden vooraf. Jezus is door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven, Hand. 2 : 23. Het woord raad spreekt van een weioverlegd plan. Dat raadsbesluit is vastbepaald. Naast dit vastbepaalde raadsbesluit wordt hier de voorkennis genoemd. Dat is bijna gelijk aan een besluit. , , Met beide uitdrukkingen wordt de onverbrekelijke afgesloten bepaaldheid van het besluit aangegeven" (Kittel). In Hand. 4 : 28 lezen we dat Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de volken Israels deden wat Gods hand en Gods raad tevoren bepaald had. In deze teksten krijgen twee dingen de nadruk : het stond onomstotelijk vast en het is tevoren vastgesteld. Is deze raad Gods dan niet tevoren verkondigd, gelijk Hand. 20 : 27 zegt. Hij is verkondigd en wordt verkondigd in alles wat tot onze zaligheid nodig is te weten. Maar nergens is geopenbaard wanneer de vromen zullen sterven en ook niet, wie het geloof zullen ontvangen. In Efeze 1:11 heeft de raad Gods het laatste woord. Alles komt hier uit de raad Gods op. Alleen in deze tekst komt het woord raad in de brieven van Paulus voor. Maar hier legt het woord dan ook het allerdiepste bloot. Kittel schrijft: , , Het is geheel duidelijk dat deze raad van Zijn wil het laatste woord heeft. Zij overwelft niet alleen de uitverkiezing (vs. 4), de voorverordinering (vs. 5, 11), het voornemen (vs. 11) maar zet ook alles in beweging wat in deze pericoop als in Christus aanwezige en aan de gemeente als heilswerkelijkheid geschonken genade, genoemd is". De voorverordinering, de uitverkiezing, het voornemen, ja alle werken Gods, zij komen op uit die raad van Gods wil. Dus zijn de Leerregels er niet naast als zij zeggen, dat God met het geloof begiftigt naar Zijn eeuwig besluit. En als nu het geloof niet aller is en als zij het beest aanbidden wier namen bij de grondlegging der wereld niet geschreven stonden in het boek des levens, leert dan de Schrift niet, dat ook het niet begiftigen met het geloof te maken heeft met dat eeuwig besluit ? Als nu echter artikel 6 zich zo uitdrukt, is dan God de oorzaak van het ongeloof ? Dat zij verre. God is wel de oorzaak van het geloof. Zonder Hem zou er geen geloof zijn, bij niemand. Maar de Almachtige is niet de oorzaak van het ongeloof. Dat is uit de mens. Als God iemand het geloof schenkt zo is dat volkomen onverdiende gunst. Deze begiftigde is een zondaar, een vijand van God, een tegenstrever. Het is iemand, die God niet zoekt en niet hebben wil. Jezus zegt ook van deze : „Gij wilt tot Mij niet komen". Maar de Heere komt toch in deze mens werken. Hij verbreekt de tegenstand, schept behoefte aan genade. Dat doet de Heere volgens dat eeuwig voornemen. Maar de ander heeft zijn ongeloof, zijn lust in de zonde, zijn vijandschap tegen God en houdt deze dingen. De Heere schept er niets bij. Die mens wandelt in zijn eigen wegen. Hij verkiest zich andere goden. Hij doet dit vrijwillig en moedwillig, van ganser harte. Het ongeloof is een gericht van God en een schuld van de mens. Doch niet zo, dat de Heere ongeloof verordineert. Niemand is verordineerd tot ongeloof of tot andere, zonde. God de Heere gaat hen alleen voorbij. Zo lag het reeds vast in de raad van Zijn wil, zij zijn niet geschreven in het boek des levens. Alleen die daarin geschreven stonden bij de grondlegging der wereld worden zalig. Zij gaan. Zij worden met het geloof begiftigd. Zij gaan dit door genade zoeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's