JACOBUS KOELMAN
III
Nadat hij de kerkeraden een uitnemende weg gewezen heeft, komt Koelman tot een beschouwing van de predikanten van zijn tijd. Die geeft hij in een werkje getiteld: De wekker der leraren in tijden van verval.
Hij schreef dat boekje niet zelf. Hij vond het onder de engelse, puriteinse schrijvers, die hem zo aantrokken. En daarom vertaalde hij het. De band tussen hem en die, hem zelfs niet eens bij name bekende, schrijver is stellig ook mede geknoopt door het feit, dat die auteur beweert, dat satan voorzat in de synode, waar men formulieren verplicht stelde. Dat vindt Koelman wel te hevig gezegd, maar het feit „ligt" hem stellig.
Vóór die vertaling geeft Koelman een brede inleiding. Dat vinden we bij de , , oude schrijvers" veel vaker; menig boek kreeg een inleiding, die in omvang het geschrift zelf overtrof. En : die ook vaak in belang het geschrift te boven gaat.
We aarzelen niet, dit document uit 1674 ontstellend te noemen. We krijgen daar een beeld van de naar het Woord van God gereformeerde kerk, die nu een eeuw geleefd heeft. We zouden zo zeggen : Dan kan er veel zwaks aangesterkt en veel kroms zijn recht getrokken. Lezen we de oudste handelingen onzer synoden, dan vinden we vele klachten, ook over de predikanten. Velen waren ex-monnik, ex-pastoor of exschoolmeester, maar kinderlijk onwetend. In wereldse zaken ontspoorden ze gedurig, hoeveel te meer in kerkelijkeen geestelijke ! Nu, na 100 jaar zou men mogen verwachten, die die , , kinderziekten" zijn uitgewoed. Maar als we Koelman mogen geloven (en we menen, dat we hem zelfs moéten geloven) dan is het beeld zeer somber. We moeten er zeker mee rekenen, dat Koelman, zelf een uitblinker, de eisen niet zó erg laag stelt. Maar hij is werkelijk geen farizeeër, die vanuit de hoogte, met enig leedvermaak, anderer feilen beoordeelt. Hij voelt dat gevaar veel te goed en zegt dan ook; Ik geef mijn kritiek met verdriet! En ik heb ook me zelf op het oog!
Eerst weegt Koelman de preken. En zegt ervan: wat een hoop theorie en opsmuk ! Maar de praktijk, waar is die ?
Het verwondert hem dan ook niet, dat de predikanten zo graag aan een preekbeurt ontsnappen en proponenten , , liefdebeurten" laten waarnemen. Wat er aan de preken hapert? Ze studeren er niet op, ze praten maar wat. Omdat ze zo gemakzuchtig en zo onwetend zijn, daarom houden ze zoveel van formulieren en vaste teksten. Dat is zo makkelijk : dan kun je elk jaar dezelfde magere preek afraffelen. En dan maak je je zelf ook nog wel wijs, dat de hoorders dat immers zo eenvoudig vinden en er veel van opsteken!
De zondagse preek is het begin van de week. Dat matte begin doet een weinig vuriger vervolg verwachten. Neem de catechisatie. Wat wordt die pover gehouden en hoe traag! (We begrijpen Koelman's klachten erg goed: de Nadere Reformatie had de catechisatie erg hoog). Huisbezoek wordt, zo vervolgt onze , , openbare aanklager" veel te zelden gedaan. En hoè dan nog ! Weinig beter gaat het ziekenbezoek. Men heeft een paar geijkte toespraken, is veel te gauw aan het troosten toe, eer de eigenlijke kwaal ontdekt is.
Maar waar de voorgangers wel graag heengaan, dat is : naar de bruiloft. Nee, niet om daar een geestelijk woord te spreken, waartoe de kans toch wel schoon zou zijn; maar alleen om eens te feesten.
De predikanten hebben de neiging, boven hun stand te leven. Ze gaan liever met de chique om dan met de kleine man. Het ergste is echter, dat ze de vromen mijden en haten. Ze houden niet van oefeningen en conventikels. Ze proberen die overdrevenheden te saboteren.
Hier horen we een nieuwe klank in de geschiedenis van de Nadere Reformatie. Deze nadruk op de vromen en het conventikel hebben we eerder zo niet ontmoet. En als maatstaf van beoordeling van een predikant te gebruiken of hij Gods volk al of niet opzoekt, dat is evenzo iets nieuws in het verloop van ons verhaal. Hierin kan iets bedenkelijks liggen. Het is immers niet zo, dat het volk Gods onfeilbaar is, zodat, wie mèt hen maar wandelt, niet dwalen kan. Dat kan ook wel mensen behagen kweken, als men op een verkeerde manier spreekt , , naar het hart van Jeruzalem".
Maar zo bedoelt Koelman het stellig niet. Hij bedoelt ook niet, dat de vrome, bekeerde mens op de troon moet en de predikant moet knielen aan diens voeten. Maar we moeten er op letten, hoe in een kerk, waarin de wereld al breder wordt, een groep mensen leeft, die van God leerden, te zijn wel in de wereld en toch niet van de wereld. En die het dan beleven moeten, dat niet maar , , de wereld" hen voor femelaars en scrupulanten, voor bedorven mystieken en fijnen uitscheldt, maar dat, ook nog hun dominee, die hen toch zeker begrijpen moest en die, als ze dwalen, het hen als eerste zeggen mocht, zich als hun tegenstander ontpopt.
Begrijpelijk, dat de man, die dit alles zag, het klokketouw grijpt en alarm slaat. Hij roept zijn kerk, zijn collega's voorop, toe, dat een werkelijk gereformeerde kerk er een is, die steeds weer, van binnen uit, vernieuwd, gereformeerd wordt.
We begrijpen anderzijds ook, dat de meeste der zo op de weegschaal gezette collega's Koelman dat stuk niet in dank hebben afgenomen. Collegialiteit is een zeer teer stuk, speciaal in de predikantenwereld. Intussen meende Koelman, dat hij niet verzwijgen mocht, wat de Heere hem te zien gaf. Daarom zal hij, ook bij verachting en haat van , , collega's", het gesmaakt hebben, dat een goed geweten het van 1000 andere getuigen wint.
Daarmee besluiten we onze korte schets van Jacobus Koelman. Op het eerste gezicht lijkt hij een éénspanner, die erg verschilt van de andere gereformeerden. Maar we zeggen liever, dat we in hem eerder ontmoeten de eerste volgroeide piëtist, in v/ie alle grondmotieven van de Nadere Reformatie tot ontplooiing zijn gekomen.
We noemen ze even op, want ze zullen ons na dezen gedurig bezig houden. Daar is dan als eerste wezenstrek, die hartstochtelijke oproep tot levensheiliging, in de zin van een levend, ootmoedig geloof in Christus. Laten we liever zeggen : een levend, ootmoedig geloof in de Drie Ene God, zeer bepaald ook in de Heilige Geest. Daarbij kan echter de heiliging, die ten dele blijft, nooit anker of rustpunt zijn, maar iets als een , , tuchtmeester", die uitdrijft (terug drijft) tot de Heilige, de Heere Jezus Christus, om als heilige en nochtans „goddeloze" in onszelf door Zijn genade te worden gerechtvaardigd en behouden.
Ten tweede zien we dat manlijk optreden en pleiten voor eigen recht der kerk tegenover de overheid. Beschamend, dat zovele deze eenzame strijder hier in de koude lieten staan.
Ten derde is daar kritiek op de , , volkskerk" ; niet , , dopers", vanuit de hoogte van een vermeende volmaaktheid ; ook niet in een wanhoopsstemming van: Het wordt tóch niets, maar als een profetische oproep, oin, wat verbondsmatig beloofd werd en immers beleden wordt, ook in de praktijk van het zondaarsgeloof, vast te maken en zich toe, te eigenen.
Ten vierde merken we op, dat de tijd hier niet vergeten of geminacht is, hoewel de eeuwigheid domineert. De mannen van de Nadere Reformatie denken vanuit de schepping, die dus in zichzelf alleen goed kan zijn. Maar ze zijn op de breuk in de schepping, op de eigen zonde gestoten en die wordt hier niet weer zó geheeld, of het verlangen groeit naar de overzijde, waar God alle tranen van de ogen zal afwissen.
Zo en daarom leeft er iets sterk , , eschatologisch", bij Calvijn en bij die hem verstonden. Niet zó, dat het heden, ook het beginsel van geloof, bekering, heiliging hier, zou worden genegeerd, maar wel zó, dat het roept om de volheid, na dezen.
Tenslotte treft ons bij Koelman en de zijnen de grote sympathie voor , , de kleinen". Wonderlijk : men heeft juist hem en zijn geestverwanten beschuldigd van een , , overbelasting van de herboren mens". Het lijkt er immers niet naar! Juist de strijdende en bestreden zwakke in het geloof heeft de volle sympathie : Zo kende men zichzelf.
Van de boekjes, die Koelman vertaalt, noemen we nu een paar titels, die welsprekender dan zijn volle boekdelen. Wat dunkt u van een boekje als Hooker, De arme twijfelende christen tot Christus genaderd ? Of dat van Simons, Staat en genezing der verlaten ziel ?
Daarmee is tenslotte ook weersproken dat dit Piëtisme de Christus-prediking zou hebben vervalst tot christenprediklng. Laten we liever omgekeerd zeggen : daar heeft ze die eerstgenoemde toe geadeld. Een preek vol stijle dusgenaamde Christus-verkondigende voorwerpelijkheden heeft nog nooit één hart gebroken en geheeld. Maar Koelman CS. ontdekken juist de christenmens, in al zijn mogelijk- en onmogelijkheden en leiden hem zo tot Christus. Wie het anders dacht te moeten doen, mag zich wel afvragen, of hij zo ook werkelijk bij de Heere Christus, de volkomen Zaligmaker, uitkomt. En juist deze zo, in een zeer gezonde, zin „onderwerpelijke" en „bevindelijke" Koelman vertaalt tenslotte die boekjes, die zo gezond , , voorwerpelijk" mogen heten; n.l. dat van Brown, Christus de Weg, de Waarheid en het Leven en dat van Hall, Niemand dan Christus.
Wie over , .ziekelijke bevindelijkheid" praat, en niet eerst zich hier ter zake heeft laten voorlichten, kan moeilijk anders dan een lasteraar heten of een babbelaar. Maar de wijsheid wordt gerechtvaardigd door haar eigen kinderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's