Om het wezen en welwezen der kerk
Gedachtenwisseling over positie en problemen van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk, tussen dr. - H. Berkhof en ds. G. Boer.
II
Zeer geachte collega Boer,
Met grote interesse heb ik uw eerste antwoord-brief gelezen. U gaat recht op de zaak af en windt er geen doekjes om. Uw wederwoord is duidelijk : de Gereformeerde Bond wenst geen modaliteit te zijn, hij weet zich de zaak der Kerk te vertegenwoordigen en moet daarom, op gewetensgronden, wel zo ergerlijk optreden, als hij in de ogen der buitenstaanders vaak doet. Ik voel en begrijp best, dat u met enige tegenzin op mijn verschillende opmerkingen bent ingegaan, omdat al die punten voor u slechts symptomen zijn van hèt grote punt: het belijdenisvraagstuk.
U hunkert er naar, om dat aan te vatten. Hiet centrum van uw brief vind ik in deze twee citaten : „Wij wijzen alles af wat niet in overeenstemming is met het karakter van onze Kerk, n.l. de Heilige Schrift en de klassiek gereformeerde belijdenis der Kerk", en : „Alleen zij hebben rechten in de Kerk, die zich houden aan de spreekregel der Kerk, n.l. de belijdenis". Daar zullen we dus op in moeten gaan. Zo komen we vanzelf uit het vlak van de kerkpolitiek op het vlak van de belijdenis.
Het lijkt, dat we daarmee, theologisch gesproken, op bekend terrein komen. Wat is er vooral na de oorlog niet al over het belijdenisvraagstuk geschreven en gesproken ! En toch geloof ik, dat we nog weinig gevorderd zijn. Natuurlijk kan ik nu weer een boom gaan opzetten over belijden en belijdenis, over statisch en actueel, over gemeenschap en overeenstemming. U weet dan al, wat ik zeggen ga ; en ik weet, wat u gaat antwoorden ; en onze lezers weten beide. Maar tegelijk weet ik telkens weer na zo'n discussie, dat de diepste grond die ons tot wederzijdse posities beweegt, ongeraakt bleef. Daarom blijven we achter met de bekende verwijten. U zegt, dat bij ons het belijden verwaterd is. Wij zeggen, dat u wilt repristineren en geen oog hebt voor het belijden dat in het heden nodig is. Dat laatste is er naast, want u wilt alleen daarom terug naar het oude belijden, opdat er van daaruit ruimte kan komen voor uitbouw en nieuwbouw, zo nodig ook voor restauratie. Maar het eerste, dat over de „verwatering", is er ook naast. Willen we echt overtuiging tegen overtuiging kunnen stellen, dan zullen we moeten beginnen met wat men mij in „Faith and Order" leerde, n.l. „to explain ourselves". Dat wil ik hier proberen, in het vertrouwen, dat u het in uw volgende brief ook zult doen.
Om te beginnen moet ik dan zeggen, dat het woord „gemeenschap" (met de belijdenis der vaderen, art. 10 der kerkorde) ons waarlijk niet alleen dierbaar is in zijn tegenstelling tot het woord „overeenstemming". Het is ons allereerst dierbaar om zijn positieve inhoud. Wij weten er dit mee gezegd : wie in gemeenschap leeft met de Heiland, met de Vader van Jezus Christus, met- het Woord van apostelen en profeten, die leeft eo ipso ook in gemeenschap met het Credo der Oude Kerk en met de Drie Formulieren der nederlandse gereformeerde reformatie. Wie in die laatste zijn geloof niet terugvindt, die mag zich wel afvragen, of hij leeft in de gemeenschap met Christus en met de Geest, die aan de Kerk der eeuwen beloofd en geschonken is. Herkent hij de geest die hemzelf drijft, niet in de belijdenissen, dan moet hij wel weten wat hij doet, als hij die toch voor de Heilige Geest durft uitgeven. De belijdenissen zijn de toetssteen voor de vraag of wij staan in het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd, dan wel er een eigenwillige vroomheid op na houden. Ik vertrouw dat u hiervan goede nota zult nemen. In de discussie met „rechts" dreigt deze diepe overtuiging, die wij met u gemeen hebben, wel eens ten gunste van de verschilpunten, door de stofwolken van het gevecht aan het oog te worden onttrokken. Toch zal dat uw bezwaar tegen ons niet opheffen. Wij hebben ook onze vragen en bezwaren, als wij de belijdenissen lezen. Daarin ziet u eigenwillige reductie en ongehoorzaamheid. Daarom beschouwt u ons als verwaterd. Als wij ons door dat verwijt zo weinig geraakt gevoelen, dan is dat omdat we in plaats van minder dan de belijdenissen te willen, juist meer willen. Natuurlijk is er ook wel eens een „minder" : velen van ons zouden willen dat de Dordtse Leerregels minder zeker en „volledig" over de verkiezing hadden gesproken, velen ook (onder wie de Gereformeerde Kerken) dat art. 36 N. G. B. minder had gezegd dan wat er nu staat. Maar ook hier heeft de polemiek de dingen scheef getrokken. Zelfs in het minder gaat het ons om een meer aan bijbelse inzichten. En buiten deze kwesties om ligt juist het eigenlijke dat ons voor „overeenstemming" beducht doet zijn, in dat alles wat wij nog meer gezegd willen hebben. Dit vraagt toelichting en daarmee kom ik tot wat m.i. de kern van de zaak is. Wij, die in uw oog verwaterd zijn, zijn moderne mensen, die door het geseculariseerde denken van West-Europa zijn gepakt, en vaak ook geschonden. Wij beroemen ons waarachtig niet op deze moderniteit. Vaak kijken we met weemoed en jaloezie naar de eenvoudige belijdenisgetrouwe gemeenteleden. Wij zijn aan en over de rand van het ongeloof geweest. Dat heeft de lectuur van Hegel of Schopenhauer gedaan, van Freud of Nietzsche, van Marsman of Sartre, of misschien alleen maar het klimaat, waarin heel het moderne intellectuele leven is gedrenkt en dat door alle kieren ons bestaan binnendringt. Wanneer wij in dit alles „ter aarde geworpen, doch niet verloren" mogen heten, dan danken wij dat aan het Woord van God, dat in zijn hoogheid en vreemdheid juist zeer nabij ons bleek te zijn in onze aanvechtingen en zich het Antwoord betoonde op de vragen die ons bezighielden. Hoe wij dat ontdekten? Dat was genade, dat was het werk van de Heilige Geest. Maar Hij gebruikte mensen om ons naar die ontdekking toe te leiden, mensen, die zelf onze aanvechtingen kenden en nog veel dieper hadden doorleden, maar die het geloof hadden behouden of gevonden. Ik noem enkele namen : Pascal, Kierkegaard, Gunning, Chesterton, Sjestow, Barth, Brunner, Niebuhr, Thielicke ; bij ons : Noordmans, Kohnstamm, Van der Leeuw, Heering, Kraemer, Miskotte. Anderen noemen weer andere namen. Zij hebben alle slechts secundaire betekenis. Maar zij openden onze ogen voor de Schrift. Wij kregen moed om te prediken. En wij ontdekten, dat wat wij mochten zien, ook andere zoekenden en aangevochtenen in het geloof bevestigde. U ziet: de klassiek gereformeerde belijdenis heeft die functie in ons leven niet gehad. Dat kon ook niet. De vraag waarop zij antwoord geeft, is : Hoe krijg ik een genadige God ? Onze aanvechtingen gaan om de vraag : is er een God ? Is Hij geen illusie of projectie ? Zo neen, waarom blijft alles dan zoals het is ? Hoe is Hij dan ? Wij hebben ervaren, dat Jezus Christus ook op deze vragen het antwoord en de enige troost is. En toen zijn wij via Hem en de Schrift, ook de belijdenissen gaan liefhebben, in toenemende mate. Wij herkennen daar in grote rijkdom het geloof, dat ook ons geschonken werd. Wat wij uit het Woord vernamen : de verborgenheid van Gods macht en de macht van Zijn verborgenheid, de dienstknechtsgestalte van Christus, zijn ware menszijn, de bestemming van ons mens-zijn, de bevrijding uit de machten; de aanvechting om het niet-hebben, het op weg zijn naar de Toekomst, en zoveel meer — dat behoort alles tot de religie der belijdenis, en daartoe behoort nog meer, waarin we ons ootmoedig en dankmaar laten onderwijzen. Maar : wij staan ergens anders dan waar die vaderen stonden. Wij kijken uit onze wederzijdse aanvechtingen naar hetzelfde heil, maar wij leven veelszins van accenten in het heil, die de confessies nauwelijks leggen. Wij hebben aan den lijve ondervonden, dat de Schrift rijker is dan de confessies.
Nu zegt u ongetwijfeld, dat u dat beaamt en dat daarover het verschil niet gaat. Maar daar ligt nu juist ons wantrouwen. Als wij een gereformeerde-bonds-preek horen, bemerken wij dat de prediker en de veronderstelde hoorders, ook in anthropologische zin in de reformatietijd leven. U zegt wel, dat als we ons weer juridisch aan de belijdenisgeschriften gaan onderwerpen, al dat andere dat ons beweegt, ook komt en komen mag : de nadruk op de ontmoeting van God en de moderne mens en alles wat dat meebrengt. Maar wij zien deze zorgen beslist niét leven in de Gereformeerde Bond. Wij horen in de preken daar geen andere accenten dan die de reformatie en vooral de nadere reformatie legde. Dat is geen verwijt. U bent geestelijk anders geleid dan wij. Maar dan moeten we dat van elkaar weten. Nu vrezen we, als we zien hameren op een juridisch herstel van het belijdenisgezag, dat ons iets ontnomen zal worden, iets dat we (letterlijk) om Gods wil niet mogen loslaten. De wereld is doorgegaan na 1618. En Goddank de Heilige Geest is voortgegaan en heeft naast de oude schatten ook nieuwe te voorschijn gebracht. De verkondiging der Schrift kan niet worden vastgelegd in het éne patroon der belijdenis. Daarmee zouden we aan talloze mensen van heden de verkondiging onthouden, die ze behoeven. Wij kunnen niet terug. Wij kunnen alleen vooruit, naar dat de Geest ons leidt. Niet bij de belijdenissen, maar bij het Woord hebben wij te beginnen. Dan komen ook de belijdenissen weer in de liefde en achting, die ze om des Woords wil verdienen.
Dit is een vreemde brief, weinig theologisch, sterk persoonlijk. Ik geloof dat wij juist hier moeten beginnen. Dan begrijpt u, dat wij veel vrezen te verliezen als de „gemeenschap met de vaderen" voor „overeenstemming" wordt ingeruild. Wij menen dat voor wat u beweegt, plaats is in de kerk die wij begeren ; maar dat voor wat ons beweegt, geen plaats is in de Kerk die u begeert. Intussen heb ik al te lang geschreven. Het gaat mij juist om de vraag : hoe ziet u dat ? In gespannen afwachting van uw antwoord, verblijf ik met ambtsbroederlijke groet, Uw
H. BERKHOF.
Antwoord van ds. Boer :
Zeer geachte dr. Berkhof,
Uw tweede brief heeft mij meer goed gedaan dan de eerste, omdat ik het gevoel heb, dat wij via allerlei klein goed, nu tot de hoofdzaken komen. Ik ben u er dankbaar voor, dat u deze methode gekozen hebt. Er is inderdaad veel geschreven over het belijdenisvraagstuk, dat ieder, die meeleeft met het geheel der kerk, bekend kan zijn.
Allereerst heb ik goede nota genomen van uw opmerking, dat de belijdenissen toetssteen zijn voor de vraag, of wij staan in het geloof, dat de heiligen is overgeleverd, dan wel er een eigenwillige vroomheid op na houden. Deze zeer positieve opmerking wordt m.i. aanmerkelijk verzwakt door uw betoog over het meer en het minder, dan de belijdenis u geeft. Zonder hier alle argumenten tegen gemeenschap zonder overeenstemming te willen herhalen, moet ik toch met nadruk voorop stellen, dat gemeenschap inderdaad gekozen is, omdat velen daarin een grotere vrijblijvendheid zien tegenover de inhoud van de belijdenis, waarmede men niet zelden overhoop ligt.
Verder wil ik u er op wijzen, dat tijdens de voorbereiding en aanneming van de Kerkorde, zowel ter synode als in allerlei commissievergaderingen, is gezegd, toen onzerzijds de volle inhoud van het belijden aan de orde werd gesteld : Wij zijn samen aan de belijdenis ontzonken, wij moeten ook samen naar de belijdenis teruggroeien. Hebt daarom geduld, want dit kost tijd. Maar nu blijkt dit groeiproces zodanig gevorderd te zijn, dat u zegt: Wij willen meer.
Om dat meer duidelijk te maken, gaat u op indringende wijze in op de nood van de moderne mens. U stelt u voor als moderne mensen. Maar vergeet daarbij niet, dat ook wij mensen uit de twintigste eeuw zijn, aan wie de dingen, die u noemt, niet zijn voorbijgegaan. Ook ons is de cultuurcrisis van deze eeuw niet bespaard, al is het waar, dat wij veel kritischer staan tegenover de cultuur dan u. Deze opmerking is geen afreagering van een minderwaardigheidsgevoel, maar wel een signaleren van een veel voorkomende overwaardering van het denkend deel der natie, waaruit een individualisme spreekt, dat zich ook in de Kerk groot en breed maakt en zich distantieert van de gemeente. Waar blijft zo de gemeente, waarvan wij deel uitmaken ? Immers welke problemen sommige gemeenteleden ook worden bespaard, die wij hebben te doorworstelen, dit kan nooit gaan ten koste van de eenheid in het belijden met de gemeente.
U bent door de aanvechtingen van deze tijd heengegaan en geschonden. Dat verstaan sommigen van ons ook zeer goed. Anderen zijn voor deze crisis bewaard gebleven en ik acht dit een voorrecht, omdat dit alleen maar oponthoud is om te geraken tot een veel diepere crisis, die ieder mens nodig heeft. U bent langs de weg gekomen : Is er wel een God ? Daarbij noemt u allerlei mensen, die u de weg gewezen hebben. Dat alles maakt stil en vervult met eerbied. Maar velen van ons zijn door veel verschrikkelijker dingen doorgegaan. Immers de vraag : Is er wel een God, en het antwoord, dat daarop komt, baant de weg tot de vraag : Wie is deze God ? Hoe leer ik Hem kennen ? Hoe kom ik met Hem in het reine ? Waar u eindigt, begint het pas. Immers dieper dan de aangevretenheid van de moderne mens in deze cultuurfase, gaat de ontdekking van de Heilige Geest, wanneer wij gesteld worden in de ontmoeting met de levende God, die ons verbrandt in onze problemen en aanvechtingen en de grondvraag aan de orde stelt, n.l. onze schuld. Hier komen de volle tonen van zonde en genade tot ontplooiing. Wie voor God staat, blijft alleen de schreeuw om genade over. Wij staan daar niet als mensen van de twintigste eeuw, maar als goddelozen en vijanden. Wie van ons in dat gericht betrokken werd, weet, dat hij daar nooit uit was gekomen, wanneer zich niet een ander had gemeld, n.l. onze Here Jezus Christus, die zich om ons in dat gericht heeft gesteld. Daarom hebben wij Hem onuitsprekelijk lief. Hij daalde en daalt neer om onze handen, die gebonden zijn door vele banden, te ontbinden. Hij is het antwoord op de meest indringende vraag : Hoe krijg ik een genadige God ?
Wij hebben Hem niet alleen lief in alles, wat u noemt, maar ook in alles, waarin de Belijdenis der Kerk Hem prijst. Immers wij weten, dat Hij nooit onze Verlosser zou kunnen zijn, indien Hjj niet was Gods eigen eniggeboren Zoon. Daarom is Zijn dienstknechtsgestalte ons lief, maar ook Zijn godheid. Zijn waarachtig God zijn. Hier ligt de verbondenheid aan de belijdenis van de Kerk, ook aan de Geloofsbelijdenis. Weergaloos schoon vertolkt toch deze de inhoud van ons geloof. Hier ligt ook de verbondenheid van de eenvoudigen in het land aan de belijdenis verklaard. Immers hier wordt hun geloof, dat ook mijn geloof is, verklaard op een wijze, die nimmer verbeterd is. In de vergelijking van het reformatorisch belijden met het huidige belijden merken wij een ontstellende verarming op.
Geloof mij, dr. Berkhof, dat het ons meermalen tot in ons gebeente verdriet, dat wij steeds voor het gezag van de belijdenis der Kerk moeten opkomen, alsof het ons alleen maar ging om de formele juridische handhaving van de belijdenis. Neen, het gaat ons ten diepste bij dit opkomen voor het kerkelijke gezag van de belijdenis om de bewaring van de schat, waaruit wij zelf leven. Daarmede verabsoluteren wij onszelf niet. Wij weten maar al te goed, dat aan de beleving van deze schat ook onder ons veel ontbreekt. Dat vervult ons meermalen met zorg en droefheid. Maar hoe gebrekkig dan ook, het gaat ons om de bewaring van het geheim der godzaligheid.
U schrijft: Wij staan ergens anders dan de vaderen stonden. Hier neemt u uw uitgangspunt in een bepaalde cultuurfase, maar niet in verhouding van God tegenover de mens. Dit is cultuurfilosofisch juist, maar theologisch onjuist. Ik vrees, dat u de voortgang der eeuwen veel te veel verabsoluteert en op zichzelf stelt buiten de relatie God-mens. De vaderen stonden in het theologische vlak, u staat veel te veel in het anthropologische vlak. Nooit kan de theologie vanuit de anthropologie verstaan worden, maar wel omgekeerd. Nimmer kan dan ook de Waarheid worden verstaan vanuit een bepaald punt in de historie, omdat dit punt dan overbelast wordt. Ook ben ik erg beducht, dat u de cultuurcrisis, waarin wij verkeren, vervlecht met de crisis, die ontstaat in de ontmoeting met God. De crisis, waarin God ons brengt, is van geheel andere aard dan welke cultuurcrisis ook. Bij de vele veranderingen, , waaraan wij allen onderworpen zijn, verandert de ontmoeting met de levende God niet. Deze situatie is beslissend tot aan de wederkomst van Christus. In deze situatie komen wij inderdaad van verschillende kanten. Dat is ook onder ons zo. Maar in de ontmoeting met God krijgt niemand een aparte behandeling. Daar staat niet de antieke mens, ook niet de reformatorische mens, ook niet de moderne gehavende mens, maar de mens, de zondaar, de goddeloze. Hier ontmoeten elkander eenvoudigen en ontwikkelden, mensen, die door het nihilisme zijn heengegaan eh die ervoor bewaard zijn gebleven, ouderwetse en moderne mensen. In dit gezelschap staan profeten en apostelen, kerkvaders en hervormers, mensen van alle eeuwen. Wie voor de God van de Bijbel staat, schreeuwt om genade en ontvangt ook genade. Hier gaat het niet over bepaalde accenten, nog minder om die hiërarchie van de accenten, maar om de kennis Gods in Jezus Christus, door de Heilige Geest.
Hier heeft Augustinus geworsteld, hier is Luther tot zijn gebeente uitgekleed, hier is Calvijn door de Vader tot Christus getrokken, , hier heeft Kohlbrugge gestreden en gejuicht over het Lam Gods, dat hem genoeg was voor de tijd en de eeuwigheid. En met hen willen 1 ook wij belijdenis doen van ons algemeen en 1 ongetwijfeld christelijk geloof. Waar de vaderen het Woord Gods hebben gehoord, willen 1 ook wij in deze tijd staan, met hetzelfde geloof.
Wie aan deze plaats voorbij is, wie aan dit geloof ontgroeid is, is er nog nooit aan toe geweest. Wanneer andere vragen de vraag naar een genadig God verdringen, zijn wij op weg ; het contact met de levende gemeente te verliezen. Immers de gemeente weet ervan en getuigt ervan. Wie dit niet doet, verwatert en verarmt het Evangelie. Dit is helaas schering ; en inslag in deze tijd. Wie de huidige cultuurfase en de vragen van de moderne mens teveel eer aandoet, buiten deze centrale vragen om, raakt de wortel van het Evangelie kwijt. De ware religie is rein, onbesmet, van welke ; filosofie dan ook. De levende geloofskennis ! van God in het aangezicht van Christus, toegepast door de Heilige Geest aan ons hart, in gebondenheid aan het Woord Gods, is het enig bederf werend zout in het verval van onze tijd. Immers de religie staat vandaag in de Kerk : op het spel. De praktijk van de godsvrucht is ; reeds in vele kringen zoek. Maar nu gaan in ontstellende vaart de beseffen van de religie mede. Wie deze levende geloofskennis mist, , gaat ongetwijfeld vroeg of laat mee en wordt van de diepste kern van het Evangelie vervreemd.
U wilt meer aan bijbelse inzichten, dan de : belijdenis vertolkt. Daartegen hebben wij geen enkel bezwaar. Maar noemt u dan eens zeer concreet, welke bijbelse inzichten u hebt ontdekt, die door de belijdenis niet zijn gezien en vertolkt. U wilt meer, maar u maakt niet duidelijk, waarin dit meerdere bestaat. Bovendien bent u beducht, dat het kerkelijk gezag ; van de belijdenis u iets ontneemt, dat u om Gods wil niet mag loslaten. Maar wat raakt u dan kwijt ? Dat de ontmoeting met God vandaag niet wezenlijk anders is dan vroeger, poogde ik zoeven duidelijk te maken.
Tenslotte wijst u erop, dat de verkondiging : der Schrift niet kan worden vastgelegd in het ene patroon der belijdenis. Maar dit is niet juist. Immers de belijdenis geeft geen patroon, maar inhoud aan de verkondiging. De patronen der onderscheidene belijdenisgeschriften zijn al zeer verscheiden. Voor de prediking moeten wij immer verder, maar met dezelfde gegevens. En deze gegevens willen wij niet met de Remonstranten van Dordt telkens disputabel stellen. Wanneer u zegt: Niet bij de belijdenissen, maar bij het Woord hebben wij te beginnen, dan doet u het klassiek gereformeerd standpunt onrecht. Immers het beroep op de opengeslagen Bijbel wordt nooit opzij gedrongen door het kerkelijk gezag van de Belijdenis. Nog nooit is bij mijn weten met de stukken aangetoond, dat het kerkelijk gezag van de belijdenis een verdringing inhield van de allesbeheersende plaats van de H. Schrift. Het z.g. beroep op de open Bijbel ook in deze tijd, doet ons altijd denken aan de Remonstranten van Dordt, die buiten de klassieke weg van het gravamen om steeds de inhoud van de belijdenis disputabel wilden stellen. Ook in uw schrijven wordt op geen enkel punt concreet gemaakt (behoudens een vage aanduiding in de richting van de Dordtse Canones) waarin u minder wilt en waarin u meer wilt. U doet mij en wellicht de gehele Kerk er een dienst mede, wanneer u dit in een van de volgende brieven concreet aan de orde stelt. In uw uitingen meen ik te moeten opmaken, dat u de belijdenis meer als een muilkorf der Kerk waardeert dan als een spreekregel der Kerk. Ook wij willen vooruit, maar met medeneming van de volle geestelijke bagage. Luther heeft eenmaal in een bepaalde strijdpositie gezegd : Liever valle de hemel en verga de aarde, dan dat één kruimel van de Waarheid verloren ga.
Het slot van uw brief is zeer individualistisch. Wij begeren geen andere Kerk, dan van, welke ook onze Kerk belijdt in art. 27 van de Ned. Geloofsbelijdenis : Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest, enz. Het is niet de vraag, of er in de Kerk plaats is voor wat u of ons beweegt, maar of wij instemmen met dit belijden van de Kerk. Wij wensen ieder, die, vanuit welke situatie dan ook, dit Woord hoort en met dit belijden instemt, te erkennen als broeders en zusters in Christus. Het is ons alles waard, dat niet de een of andere groep het voor het zeggen krijgt, maar dat de Kerk in al haar geledingen door de regenererende werking van de Heilige Geest uit haar ingezonkenheid en betovering oprijst, om te horen het oude Woord dat telkens opnieuw fonkelnieuw blijkt te zijn en het belijden der Vaderen niet vervaagt of reduceert, maar van harte beaamt en honoreert.
Gaarne hoor ik uw reacties op dit schrijven. Met hartelijke groeten.
Uw G. BOER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's