De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Niet één muske

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet één muske

8 minuten leestijd

Als de Heere de Schepper der aarde is, zo zeiden wij, kan de wereld niet aan het toeval overgelaten zijn. En wij belijden, dat God de Schepper van hemel en aarde is en van al wat daarin is.

Hoe getuigt de Christus zelf aangaande de voorzienigheid Gods. Ik denk aan de woorden van Matth. 10 : 29 : Worden niet twee musjes om een penningske verkocht ? En niet èèn van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader. En ook de haren des hoolds zijn alle geteld. Vreest dan gij niet, gij gaat vele musjes te boven.

Met zulk een God hebben wij van doen.

Daarom juist dringt zich de vraag op : Hoe kan er dan zoveel ellende in de wereld zijn?

En het boze hart zegt, dat dan de zonde ook niet buiten God in de wereld gekomen is, en tracht zich al vast te verontschuldigen. Maar die God vrezen zeggen, dat nooit. God is geen auteur van de zonde. Hij is te rein van ogen dan dat Hij de zonde kan zien. Het geloof zegt, dat God rechtvaardig is in al Zijn weg en werk.

Indien gij echter den vrome en godvruchtige vraagt: Meent gij dan, dat de zonde in de wereld kan komen buiten God om?

Kan er enige macht in de ganse schepping van buiten af binnen dringen? Neen, want alle machten zijn van God. Kan er dan enige macht binnen de schepping opstaan buiten God om?

Gij hebt zo juist opgemerkt, dat geen muske ter aarde valt zonder uw Vader en dat de haren uws hoofds geteld zijn en zou dan de zonde buiten Hem om in de wereld zijn ontstaan en haar verwoestende werking zijn begonnen ?

Ziedaar een moeilijk stuk, dat de theologen van alle tijden heeft bezig gehouden. Het geloof in de levende God laat niet toe, dat Zijn heerschappij door enige macht van buiten zou worden doorkruist en bedreigd. Maar het geloof kan God ook niet als de auteur der zonde zien en Hem iets ongerijmds toeschrijven.

En nu datzelfde beschouwd in het licht der praedestinatie: verkiezing en verwerping. Het geloof belijdt onmiddellijk en zonder enige restrictie, dat het welbehagen Gods in Zijn genadige verkiezing oorzaak is van de opening des harten voor Zijn openbaring, van de overreding des Heiligen Geestes en van de zaligmakende kennisse Gods.

Maar het is ook al weer zo, dat het weerstand biedt aan de gedachte, die bij de goddeloze opkomt, dat ongeloof op gelijke wijze oorzaak zou nemen als een voornemen of besluit Gods om deze en die te verwerpen.

Zo is ook de verkiezing in Christus op de persoon van de bevoorrechte en begenadigde gericht, gelijk deze zich realiseert in de geloofsgemeenschap met die persoonlijke God.

De verwerping echter heeft altijd haar oorzaak in de zonde. , , Ga weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb u nooit gekend". (Vgl. Matth. 7 : 23).

In het vorige stuk waren wij daaraan toegekomen, dat het zo door de Schrift wordt geleerd en in het geloof bevestigd.

Dan echter staan wij ook voor de bovenstaande vraag, maar kan dan de zonde buiten God in de wereld komen ?

Neen, dat kan ook niet worden aangenomen, wijl dat met de Almacht Gods in strijd zou zijn.

Calvijn zegt: door onze schuld, nochtans ontkent hij ook in dit stuk de ordinantie Gods niet. Wij kunnen het ook zo zeggen : God ordineert en wij zijn de schuldigen en dan God toch niet auteur der zonde?

Kunnen wij dat Calvijn nazeggen? Kunnen wij iets van deze zinsnede verstaan ?

Vlak geredeneerd, zoals wij gewoonlijk doen, zal iemand opmerken, dat het zeggen van Calvijn toch innerlijk tegenstrijdig is. Door onze schuld, terwijl God ordineert, dat het geschieden zal.

Dan is God de werker der zonde en gaat de mens vrij uit ?

Zo vlak ligt het toch niet. In de eerste plaats, omdat het albestuur en de voorzienigheid Gods alleen door het geloof worden verstaan. Alleen uit de werkelijkheid des geloofs kan men belijden, dat alle dingen geschieden door goddelijke beschikking. (Inst. I. 17. 6).

En wat die schuld betreft? Wat zegt uw geweten ? Of klaagt niet de consciëntie ons aan? Onbetwistbaar staat dit feit vast, dat onze consciëntie zegt: dat wij de schuldigen zijn.

Dat geweten nu en de werking van het geweten neemt ook een plaats in in de werken Gods. Daarom doen wij naast een beroep op het geweten een beroep op het geloof, omdat het geloof klaar en duidelijk verstaat, dat God God en geen mens is. Het geloof onderscheidt. De maatstaf der zedelijkheid, waaraan de mens gemeten wordt, en die God zelf bepaald heeft in Zijn Wet, mag men niet op God toepassen. Men kan God niet afmeten naar de wet eens mensen.

Het begrip zonde valt op het gevallen schepsel, maar niet op God. Wie dat niet ziet, doet te kort aan de souvereiniteit Gods. Daarom kan men met toepassing op God niet van zonde en schuld spreken.

Zulke gedachten, trekken God neer om Adam te onderwerpen aan Zijn eigen ordeningen. Daarom is het goed gezien van Calvijn, dat alleen het waarachtig geloof kan belijden, dat alle dingen geschieden door goddelijke beschikking. Het is trouwens den christen een bron van vertroosting, dat alle dingen in Gods hand zijn, zodat zelfs geen musje ter aarde valt zonder Zijn wil.

Het geloof maakt ook onderscheid tussen het welbehagen Gods en het willen van de mens. Immers dit laatste is altoos gebonden aan het schepselmatige en daarom aan het gegevene. Zo is het met het menselijk kennen, kiezen, willen en besluiten. Het is nooit in de ware zin des woords souverein, maar altoos afgeleid, betrekkelijk en afhankelijk van hetgeen onder bepaalde omstandigheden voorhanden is.

Daarentegen is het kennen en willen Gods waarachtig souverein, het is niet afhankelijk van het voorhandene maar scheppend. De wil Gods is de laatste grond en oorzaak van alle dingen. Denk aan Christus' woord : Ik heb u nooit gekend (zie boven). Daarentegen als God zegt: Ik heb u gekend dan betekent dat: Ik heb u het leven gegeven en tot Mijn kind gemaakt. Vgl. ook psalm 142:4 : Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. God heeft zijn pad gebaand.

Dienovereenkomstig is ook de goddelijke verkiezing in Christus een levend werk. Geschapen in Christus Jezus tot goede werken. (Efeze 2:10). Die in Christus is, is een nieuw schepsel.

Uit een en ander kan wel duidelijk zijn geworden, dat de verwerping niet op gelijke wijze geschiedt, maar voortkomt uit de straffende gerechtigheid Gods, die de zonde thuis zoekt.

Gelijk nu de verwerping geschiedt wegens de zonde, zo geschiedt de verkiezing tot een bestemming: tot pro­ feet, tot priester, tot koning, tot erfgenamen des levens.

Zijn dan de verworpenen niet met een eeuwige bestemming geschapen ? zo vraagt gij.

Zonder twijfel. Doch die eeuwige bestemming kan ook zeer verschillend zijn. Daarom is het wellicht juister bij de verkiezing het kindschap Gods voor ogen te stellen. Verkoren tot het kindschap Gods, als de bijzondere bestemming dezer verkiezing. En nu gelet op het feit, dat de Heilige Schrift dit telkens ziet in verband met de bruid des Lams, met welke naam immers de gemeente versierd wordt, of anders : een volk van koningen en priesters.

Dan wordt de goddelijke verkiezing bepaald tot de eeuwige bestemming, welke op genoemde wijze wordt uitgedrukt.

Acht men het nu zo onwaarschijnlijk, dat niet alle nakomlelingen van Adam door God zijn verkoren om verwaardigd te worden tot de bruiloft des Lams en daarin tot het kindschap Gods in Christus ? '.

Indien wij dit voor ogen houden, kan men niet meer gewoon menselijk logisch concluderen : wat niet verkoren is, is verworpen. Dat is weer zulk een vlakke redenering : De Heere heeft een volk verkoren en niet verkoren is bij logisch gevolg verdorven.

Zo staat het toch niet, want de Heere heeft een volk verkoren tot een bepaalde bestemming der heerlijkheid, maar dat betekent op zich zelf nog niet, dat degenen, die niet tot de heerschappij met Christus verkoren zijn — daarom verloren en zelf verworpen zouden zijn.

Maar het betekent wel, dat een deel der mensheid niet tot de Bruid des Lams is verkoren, hoewel ook dat deel de eeuw in het hart draagt en voor de eeuwigheid is geschapen.

Ook dit deel, hoewel niet verkoren tot de zaligheid van het kindschap Gods in Christus, is nog object van velerlei verkiezing tot allerlei diensten in de geschiedenis der mensheid: overheden, machten der aarde, mannen van wetenschap en kunst, en zoveel meer.

Met de val van het mensengeslacht is ook het volk van Gods bijzondere verkiezing verloren in het algemeen verderf. Terwijl de Heere de Zijnen uit de duisternis, waarin zij gevallen zijn, roept tot Zijn wonderbaar licht, nieuw leven schenkt, hen rechtvaardigt en verheerlijkt, laat Hij de anderen in hun val, zoals ook de belijdenis het uitdrukt. Hij doet hen geen onrecht, maar bewijst Zijn verkorenen genade niet om hunnentwil maar om Zijnentwil.

Zij zijn dus niet gekomen in hun val tengevolge van de verwerping, maar zij worden door God verworpen vanwege hun val.

En voorts, hóe,  dat in de Raad Gods ligt, dat de zonde niet buiten God om in de wereld is gekomen, terwijl wij toch schuldig staan en onder het rechtvaardig oordeel Gods vallen, wie zal dat uitvinden ?

Maar de Heilige Schrift stelt ons schuldig voor de Rechter der ganse aarde en onze consciëntie zegt, dat wij niet te verontschuldigen zijn. Overigens heb ik het gevoel, dat 's mensen schepping naar Gods beeld in deze aangelegenheid ook betekenis heeft. Deze sluit n.l. in, dat een mens een zedelijk wezen zou zijn, hetgeen de mogelijk­heid van de val insluit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Niet één muske

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's