VERKIEZING EN PREDIKING
Dit onderwerp moest natuurlijk ook aan de orde komen.
Op zich zelf beschouwd kan het eigenlijk geen vraag zijn, of de verkiezing ook gepredikt moet worden.
Tegenstanders van de leer der verkiezing hebben het antwoord al gereed, voordat de vraag goed en wel gesteld is. Zij kunnen zelfs het woord niet verdragen, omdat zij de zaak niet kennen.
Doch, als de verkiezing Gods door de Heilige Schrift geleerd wordt, terwijl wij toch geroepen zijn, naar de Schriften te prediken, wie — die deze eis beaamt — zal durven zeggen, dat de verkiezing nief gepredikt moet worden ?
Er kan derhalve geen aanleiding zijn lang bij deze vraag stil te staan, voor iemand, die de Schriften kent en daarin het leven der gemeente van Christus gevonden heeft. Hij zou zich kunnen verwonderen over het feit, dat prof. Berkouwer daaraan een hoofdstuk van 50 pagina's heeft gewijd.
Nu is het waar, dat deze auteur ook aangelegen vragen daarbij ter sprake brengt en tegensprekers en dissenters ruimschoots aan 't woord laat, met veel geduld aanhoort en met zachtmoedigheid behandelt. Men merke b.v. op, hoeveel aandacht hij schenkt aan de strijd rondom het z.g. algemene aanbod dei genade, welke in de Christian Reformed Church in Amerika werd gevoerd. (Blz. 263).
Duidelijk wordt daardoor in ieder geval, dat de hoofdvraag, of de verkiezing zal gepredikt worden, en de nevenvraag, of zulk een prediking niet een rem wordt voor de Evangelieprediking, worden overgebracht naar het terrein van een niet juist voorgestelde leer der verkiezing, of een verkeerde uitlegging van wat de Dordtse leerregels daaromtrent zeggen. Woorden als : , , dat de geroepenen tot Hem komen" (Can. Ill en IV, vgl. 9 de bediening des evangelies) en , , Christus door het Evangelie aangeboden zijnde" (Can. Ill en IV, 9) zoudeji niet tot hun recht komen.
Voor alles mag wel worden opgemerkt, dat onjuiste d.i. met de Heilige Schrift in strijd zijnde voorstellingen en verklaringen van de leer der verkiezing, onder alle omstandigheden schadelijk en daarom verwerpelijk zijn.
Tot die verkeerde voorstellingen behoort ook de z.g. deterministische, waarover in het voorafgaande artikel gehandeld werd. Als iemand zou menen, dat hij het Woord bedient, als hij de gemeente voorstelt, ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, maar bedenkt wel. God heeft voor de grondlegging der wereld bepaald, dat sommigen uwer uitgesloten zijn van de genade, welke voor anderen is weggelegd.
Dat nu is een bedenkelijke voorstelling van zaken, waaraan bovendien alle pastoraal besef ontbreekt. ledere prediking, welk op zulk een wijze de verkiezing in haar sfeer betrekt, schiet haar doel voorbij.
Een dergelijke prediking moet niet alleen een rem zijn voor het Evangelie, maar getuigt ook van gebrek aan inzicht en kan moeilijk een predicare d.i. getuigen worden genoemd.
Voorstellingen van de verkiezing, die universalistisch (algemeen) van strekking zijn, gaan uitteraard aan dezelfde euvelen mank.
De Heilige Schrift brengt de verwerping altoos weer in verbinding met de zonde. De zonde is oorzaak van verwerping, en wijl de zonde is doorgegaan tot alle mensen, zijn alle mensen verwerpelijk voor God.
De verwerping kan men — dank zij het Evangelie der genade — niet als algemeen en universeel stellen, wel de verwerpelijkheid van allen voor God. Dank zij het Evangelie der genade, zo moest reeds worden ingevoegd, want als de Heere God Adam na zijn val niet had opgezocht, zou er geen hope op verlossing geweest zijn en ware de algemene verwerping een feit geweest.
De algemene verwerpelijkheid voor God is de Schriftuurlijk aangewezen voorbereiding voor de prediking van het Evangelie, omdat dit de reëele toestand is, waarin wij naar onze gevallen natuur verkeren.
Even reëel, is het, dat wij als verwerpelijke mensen — blijkens het feit, dat wij nog leven — niet aan de verworpenheid zijn prijsgegeven — zodat de gemeente kan spreken van het heden der genade. Niemand kan daarom met recht zeggen : , , Ik ben verworpen. Voor mij geen genade". Doch een iegelijk, die enige kennis van God en enige zelfkennis in zijn boezem ronddraagt, moet bekennen, dat hij voor God verwerpelijk is, d.w.z. dat hij tegen God en tegen zich zelf heeft gezondigd en naar het rechtvaardig oordeel Gods eeuwige straf verdiend heeft.
Niemand kan dit als een grond of aanleiding aanvoeren om zijn hart te sluiten voor de roepstem van het Evangelie, bewerende, dat de beloften Gods voor hem niet gelden. Hij kan alleen beweren, dat zijn verwerpelijkheid hem der weldaden Gods onwaardig maakt.
De weg des Evangelies is dan ook een weg der genade, wijl God goddelozen rechtvaardigen wil in de Heere Jezus Christus.
De prediking van onze verwerpelijkheid kan dus nimmer een rem zijn voor de roep tot bekering. Bovendien heeft zij altijd een bondgenoot in de consciëntie. Veeleer zal deze uitdrijven tot zelfonderzoek en tot ontdekking.
Het kan ook niet anders, of zulk een ontdekking moet op haar beurt uitgaan naar de beloften van het Evangelie, dat de Christus voorstelt als de Verlosser, welke de Vader in de wereld gezonden heeft, opdat Hij Zijn volk zou zalig maken.
En wat de verkiezing tot het eeuwige leven en de zaligheid Gods betreft, de wetenschap, dat God een volk heeft verkoren tot de gerechtigheid, de heiligheid en de heerlijkheid van de Bruid des Lams, kan voor allen, die de verwerpelijkheid van de mens voor God ook in zich zelf hebben gevonden, geen sta in de weg zijn voor de prediking van het Evangelie.
Wat toch kan de zodanigen méér ter harte gaan dan de nodiging om tot de Christus te komen, welke ons in het Evangelie getekend wordt als de Zaligmaker, die om onze zonde in de dood is gegaan, opdat Hij ons het leven zou geven ?
Als de prediking op die wijze Wet en Evangelie volgt en deze verhouding niet omkeert, zoals sommigen willen, dan getuigt zij vanuit de verkiezing, aangezien ook de openbaring der Wet aan de gevallen mens een genade-daad is, welke bewijst, dat God hem ondanks zijn verwerpelijkheid tegenkomt met een roep tot ontdekking en bekering.
Dan ook is de eerste vraag niet: , , Ben ik wel uitverkoren? " Geldt dat Evangelie wel voor mij ?
Maar, het eerste en voornaamste is, dat men zich zondaar voor God weet, en daarom verwerpelijk voor Zijn aangezicht. De Christus is immers niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering. Zo loopt de weg des geloofs, waarin Woord en Geest de verkiezing Gods uitwerken en het is d© heerlijkheid des geloofs de verkiezing vast te maken in de uitnemende kennis van de Heere, Jezus Christus. In deze kennis roemt de barmhartigheid Gods tegen het oordeel.
Alleen in het hart van een zondaar voor God kan de genadige verkiezing Gods als een machtige vertroosting worden gekend. Wie is het die verdoemt? Christus is het, die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. (Rom. 8 vs. 34).
Wij noemden dit vanuit de verkiezing prediken, omdat ook de openbaring der Wet en de ontdekking der ongerechtigheid onder de werking der genade vallen, die uit de verkiezing is. En aangezien heel Gods openbaring van Oude en Nieuwe Testament — en derhalve ook de Dienst des Woords — uit de genadige verkiezing Gods is opgekomen, is een Schriftgetrouwe preek altijd naar de verkiezing en overeenkomstig het leven der Kerk, dat uit Christus is, in Wien de gemeente is verkoren.
Deze werkelijkheid echter komt niet tot haar recht bij allen, die het bijzonder en genadig karakter der verkiezing loochenen, waarin God de Eerste en de Laatste is in de rechtvaardiging, heiliging en zaliging der-Zijnen.
In de discussie aangaande de verkiezingsleer, in het leven geroepen door allerlei geesten, die mét de gereformeerde confessie daaromtrent, inzonderheid met die der Dordtse leerregels op gespannen voet staan, wordt een kwestie gemaakt over de aanbieding der genade.
Indertijd hebben wij over deze aangelegenheid geschreven, naar aanleiding van de strijd daarover in de Gereformeerde Gemeenten.
Deze kwestie kan eigenlijk in bovengegeven verklaring van de weg des geloofs niet aan de orde komen, omdat zij uitgaat van de algemene toestand, waarin wij mensen verkeren, n.l. een staat van verwerpelijkheid voor God vanwege de zonde, die tot allen is doorgegaan. De Schrift predikt de verwerpelijkheid van allen : Niemand is goed, tot niet één toe, tezamen verdorven en verwerpelijk. (Vgl. Rom. 3 vs. 9 v.v.). In dit opzicht is de prediking zo algemeen mogelijk.
Tegenover deze algemeenheid kan men echter de particulariteit der genade niet ontkennen. (Vgl. Dordtse Leerregels II, 8). En dat komt ook in de Schriftuurlijke prediking van het Evangelie uit, omdat zij uitgaat tot zondaren. Doch alleen reeds vanwege de algemene verwerpelijkheid kan de prediking zich tot allen richten.
De prediking des Woords laat de roep tot bekering uitgaan tot allen, omdat zij allen zondaren zijn en derven de heerlijkheid Gods.
De prediking des Woords getuigt tot allen van de Christus, zoals die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. Ook waar die prediking geen geloof vindt, blijft het Woord niet werkeloos, want de Christus zelf zegt, dat zij, die Hem niet aannemen, door het Woord zullen geoordeeld worden.
Daarom kan de vraag omtrent een algemeen aanbod der genade, die zich altijd in de discussie over de preedestinatie mengt, niet ernstig genomen worden. Wat betekent toch aanbod in de mond van de vrager ? Betekent dat een aanbieden in eigenlijke zin, zodat men kan weigeren en aanvaarden, ja, zo dat men God kan bejegenen als een marskramer, die het ons lastig maakt ?
Of betekent het, dat God door de prediking des Evangelies de weg der genade voorstelt aan allen? Niet, zo dat Hij wacht op de beslissing van deze en gene, die aanneemt of weigert, maar, omdat Zijn Woord alles zal doen, waartoe Hij het zendt, en is als een tweesnijdend scherp zwaard.
Tegenover de algemene verwerpelijkheid van de mens staat geen algemene verkiezing tot zaligheid, doch wel een bevel van Christus om het Evangelie te prediken aan alle creaturen.
Tegenover de roep des Evangelies die tot allen uitgaat, staat geen bekering van allen. De zaligmakende genade Gods is nochtans verschenen aan alle mensen tot onderwijzing. (Vgl. Titus 2 VS. 11 V.V.). Men denke in dit verband aan de gelijkenis van de getrouwe en ontrouwe dienstknecht. (Lukas 12 vs. 41 V.V., inzonderheid de verzen 47 en 48).
Het algemeen bevel der prediking moet een breder strekking in de vervulling van de Raad Gods hebben, dan alleen de toevergadering tot de gemeente, die zalig wordt. Wij denken aan de openbaring Zijner gerechtigheid.
Men behoeft dan ook waarlijk zijn toevlucht niet te nemen tot de verkiezingsleer van Karl Barth. Deze wil in het sterven van Christus voor allen, ook de verkiezing van allen zien. Het Evangelie zou dan de betekenis krijgen : , , In Christus allen gestorven, in Christus allen verkoren". De prediking des Evangelies zou opgaan in het doorgeven van deze , , boodschap". , , Zegt het voort", want er zijn er, die het weten en er zijn er, die het niet weten.
Wat moeten de gevolgen zijn van zulk een stelling? Geen principieel onderscheid tussen kerk en wereld. De hele wereld is lichaam van Christus. Het z.g. apostolaat is alles. Voor wie die boodschap gelooft, geen verdere behoefte aan Kerk of prediking, voor wie die zó niet gelooft, geen verdere behoefte aan zulk een prediking. En dan verwondert men zich er over, dat de onkerkelijkheid toeneemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's