Om het wezen en welwezen der kerk
Gedachtenwisseling over positie en problemen van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk, tussen dr. H. Berkhof en ds. G. Boer.
III
Zeer geachte Collega Boer,
Nu we onze derde ronde beginnen, mogen we wel zeggen, dat we geheel in het middelpunt van de zaak zitten. Het is uit mijn en vooral uit uw tweede brief wel gebleken, dat onze verschillen zijn te herleiden tot een verschil in geloofsbeleving, vroomheidstype of hoe u het noemen wilt. U zult het vast anders willen noemen. U vindt deze uitdrukkingen zeker te subjectief. Dat herinnert mij aan de teleurstellingen en vragen, ook aan de misverstanden, die uit uw laatste brief spreken. Wilde ik ze stuk voor stuk behandelen, dan zou de grote lijn van onze discussie niet duidelijk zichtbaar blijven. Ik concentreer me dus op wat me de hoofdzaak dunkt, in de hoop dat vandaar uit mijn antwoord op uw verdere bedenkingen zich wel laat raden.
Ik begin met drie zinnen uit uw laatste brief te citeren : „De vaderen stonden in het theologische vlak. U staat veel te veel in het anthropologische vlak". „-Bij de vele veranderingen, waaraan wij onderworpen zijn, verandert dé ontmoeting met de levende God niet". „In de ontmoeting met God krijgt niemand een aparte behandeling". Deze zinnen duiden het kernverschil aan. We zijn hier vanzelf bij de vragen van de bevinding en van de prediking. Tegelijk is het goed, dat we die eens van een andere kant benaderen. Ik geloof zelfs dat onze toegang tot deze vragen wezenlijker en vruchtbaarder is dan de traditionele.
U stelt het zo : Als moderne christenen komen wij geestelijk van verschillende kanten en veelal van andere kanten dan de reformatoren. Men kan b.v. worstelen met de vraag : Is er wel een God ? Maar daarna komt pas het eigenlijke, als het gaat om zonde en vergeving en alleen de schreeuw om genade overblijft.
Daartegenover stel ik : Het eigenlijke komt niét na de moderne vragen en is niét voor ieder hetzelfde. Daarmee schijn ik ver van u af te staan. Tegelijk moet ik zeggen: het eigenlijke zal in andere gestalte toch steeds weer hetzelfde zijn wat u centraal stelt. Daarom weet ik me toch dicht bij u te staan, al vrees ik, dat u deze overtuiging niet deelt.
Wat ik bedoel, kan ik waarschijnlijk het best duidelijk maken aan de hand van Paulus' prediking. Deze is niet uniform. Daar is de prediking, die cirkelt rondom de werkelijkheden van zondekennis, wet Gods, gerechtigheid Gods, toorn Gods, rechtvaardiging door het geloof. Deze prediking vinden we vooral in de brieven aan de Romeinen en de Galaten. Deze prediking is door de reformatie weer met kracht opgenomen. In de brieven aan de Efeziërs en de Colossenzen worden andere klanken gehoord, zó anders, dat vele geleerden deze brieven aan een ander meenden te moeten toeschrijven. Daar gaat het om de machten, die de wereld in hun greep houden, om Christus als scheppingsmiddelaar, als Hoofd van het Lichaam, als bevrijder uit de machten. Meer dan de rechtvaardiging van de goddeloze, staat daar de heiliging der ganse gemeente in haar inzicht, haar vormen van samenleven en haar strijd tegen de machten, in het middelpunt. Nu denk ik er niet aan, deze twee typen van verkondiging in absolute zin tegenover elkaar te stellen. De tonen der rechtvaardiging worden ook in het tweede type gehoord. En in de Galatenbrief staat ook 4 : 1— 11 ; dat zozeer bij het tweede type behoort. Maar het grote verschil is onmiskenbaar. Het is m.i. geen verschil van auteur, maar een verschil van situatie. Met het eerste type spreekt Paulus Joden-christenen of door het Judaïsme beïnvloede heidenchristenen aan, die uit een wettisch verstarde oud-testamentische achtergrond leven. Met die prediking zijn de reformatoren de verwettelijkte kerk te lijf gegaan. Met het tweede type spreekt Paulus tot echte heidenchristenen, die een geheel andere achtergrond hebben, niet in de wet, maar in de gedrevenheid door de machten en wereldgeesten. Zij krijgen (om uw woorden te gebruiken) „wel een aparte behandeling". Toch is het één Woord Gods. .Op beide fronten gaat het om de kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar wat op het éne front heet: schuldig staan tegenover de wet, heet op het andere front: zonder hoop en zonder God in de wereld zijn, wandelen overeenkomstig de macht der lucht. Wat hier rechtvaardiging en bevrijding van de vloek der wet heet, heet daar bevrijding van de slavernij der machten. Wat hier. wandelen in vrijheid van de wet heet, heet daar wandelen in vrijheid van de overlevering der mensen, enz.
Geen aparte behandeling ? Dan denk ik aan de zeer uiteenlopende termen en gedachtengangen bij Paulus, Johannes en Jacobus. Dan denk ik aan het diepe verschil tussen de oosterse en de westerse kerk ; hier staan zonde en genade, daar staan sterfelijkheid en onsterfelijkheid centraal. U meent, dat Augustinus, Luther, Calvijn en Kohlbrugge dezelfde behandeling ondergingen. Maar Augustinus' bekering, cirkelend enerzijds om de waarheidsvraag, anderzijds om de heiligmaking, was geheel anders dan die van Luther, die vanuit een wettische heiligingsopvatting naar de heilszekerheid vroeg. De theologische accenten zijn bij de gewezen monnik Luther èn de gewezen humanist Calvijn zeer verschillend blijven liggen. De gevolgen daarvan zijn nog steeds als scheidsmuren zichtbaar. Kohlbrugge ging opnieuw Luthers weg, nu tegen de achtergrond van een wettisch piëtisme. Bij bijv. Schortinghuis, predikende in een lauwe staatskerk, ligt de verkondiging wéér geheel anders.
Nu moet ik oppassen, dat ik de bedoeling van onze correspondentie niet vergeet en billijk blijf. Wij, de anderen, gaan vaak zeer weifelend en tastend onze weg. Heel vaak hebben we het gevoel, het woord voor onze generatie niet te kunnen vinden. Vaak bewegen we ons dan maar in de traditionele schema's, maar met een schraler verkondiging dan u en de uwen bieden, omdat wij het gevoel hebben dat het anders zou moeten. U gelooft dat het precies zo en alleen zo moet. Soms benijden we u daarom. En uw kritiek op onze prediking moeten we vaak als juist erkennen. Wij kunnen zo zelden de grote woorden van ellende, verlossing en dankbaarheid met nieuwe volmacht en nieuwe relevantie laten klinken. En toch kunnen wij uw overtuiging niet delen. De Heilige Geest beperkt zijn werk niet tot de bevindelijke groepen van Nederland en Schotland. Maar de prediking van de Gereformeerde Bond komt steeds weer op dezelfde begrippen en zelfs woorden neer. Dezelfde weg in vaak dezelfde termen. Elke tekst wordt op hetzelfde toegespitst. Daardoor wordt de verrassing aan het Woord ontnomen. Begrijpt u mij goed : deze prediking moet er ook zijn. Het moet ons ook zó worden aangezegd. Maar : ook. En u zegt: alleen. Ziedaar ons diepste verschil.
Opzettelijk spreek ik niet over andere bezwaren, over lijdelijkheid, subjectivisme, enz. Deze bezwaren gelden zeker niet algemeen. Persoonlijk geloof ik dat ze in afnemende mate gelden. In elk geval miskennen wij uw bedoelingen en veler preekpraktijk in uw kringen, als we het zo stellen. Maar wij zien voor ogen, dat de Gereformeerde Bond met haar prediking slechts (een deel van) de mensen met een goed-kerkelijke achtergrond aanspreekt. De anderen begrijpen u niet, omdat ze ergens anders staan.
Daarom zeggen wij „neen" tegen wat we als verabsolutering van één geloofsweg beschouwen. Daarom zeggen wij „ja" tegen de Gereformeerde Bond als modaliteit. Ook wij weten, dat de kerk grenzen heeft, maar dat daarbinnen een grote verscheidenheid haar plaats heeft, zoals de Schrift en de kerkgeschiedenis ons leren.
Mag ik u voorstellen, dat u in uw antwoord eens nader ingaat op het type der prediking in uw kring ? Natuurlijk moogt u ons, de anderen, daarbij aanvallen. Als u maar in de eerste plaats ons laat gevoelen wat u drijft tot dit type van prediking dat u als het enig juiste beschouwt, terwijl het op de buitenstaander zo vaak de indruk maakt van traditionalisme of uniformiteit.
In afwachting van uw antwoord,
Met hartelijke groet.
Uw H. Berkhof.
Zeer geachte dr. Berkhof,
Uw derde brief heb ik met veel belangstelling gelezen en herlezen. Als ik u goed begrijp, wilt u mijn indringende vraag uit mijn laatste brief, n.l. wat u meer of minder wilde dan de belijdenis der Kerk, herleiden tot een verschil in geloofsbeleving of vroomheidstype, met als illustratie Romeinen- en Galatenbrief enerzijds en Efeze-Colossenzenbrief anderzijds. Toch meen ik, dat u op deze wijze de gestelde vraag geen recht doet. Immers de verschillen, die er tussen ons zijn, kunnen niet zomaar tot een verschil in geloofsbeleving of vroomheidstype worden herleid, omdat hier niet alleen de fides, qua (het geloof, waarmee wij geloven), maar ook de fide quae (het geloof, dat wij geloven) in het geding is. Ongetwijfeld spelen ook deze verschillen hun rol en zijn die er ook. Maar ze komen pas aan de orde, wanneer wij het over de fides, quae eens zijn. Het ging mij bij de vraag van het meer en minder dan de belijdenis der Kerk over datgene, wat de Kerk gehoord en beleden heeft uit en van het Woord Gods. Dat is bepalend voor de fides, qua. De bijbel benadert de mens vanuit de openbaring. U benadert de bijbel te veel vanuit de situatie, waarin de moderne mens staat. Hier is de prioriteit van de Schrift in het geding, omdat wij het Woord Gods willen bedienen in deze tijd en u vanuit deze tijd tot het Woord Gods poogt te komen, maar daarbij teveel aandacht besteedt aan de situatie van. de moderne mens, ten koste van de eenheid in de fides, quae.
Voordat Adam de vraag kan stellen : Wie is God ? , heeft God zich aan hem geopenbaard en gezegd : wie hij is, waar hij is, ook wie God is en zijn wil. Bijbels gezien is de vraag : Is er wel een God, ontoelaatbaar. Het is de vraag van Ed. D. Dekker, die ook geen antwoord kreeg. De bijbel zegt: Wie tot God komt, moet geloven, dat Hij is en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken. Met deze vraag kunnen wij wel bij Thomas van Aquino terecht, niet bij de Schrift en de Reformatoren.
Het eigenlijke, het hart der zaak, is de kennis Gods door Christus Jezus. Het gaat om de kennis van deze God door deze Christus. Zonde en genade staan centraal in de gehele Schrift. Alleen hier krijgt het Kruis zijn centrale betekenis. Wanneer u dan ook één- en andermaal mijn opmerking : In de ontmoeting met God krijgt niemand een aparte behandeling, citeert, moet u dit vanuit deze achtergrond verstaan. U had gesteld, dat de vaderen ergens anders stonden dan wij. Zij worstelden met de vraag : Hoe krijg ik een genadige God ? Wij staan — volgens u — veeleer voor de vraag : Is er wel een God ? Toen heb ik geantwoord, dat de moderne mens deze God niet op een andere wijze ontmoet dan de generaties vóór hem en dus geen aparte behandeling heeft te verwachten. Maar daarmee ontken ik allerminst de verscheidenheid in wegen en situaties, waarlangs God mensen leidt en waarin Hij hen plaatst. Integendeel! Maar het verwonderlijke is juist, dat, uit welke situatie een mens ook komt, en langs welke weg hij ook geleid is, zodra hij voor God komt, alleen de schreeuw om genade overhoudt. Ik weet zeer wel van de verscheiden situaties van Augustinus, Luther, Calvijn en Kohlbrugge. Maar in de diepste kern waren deze mensen één. Hoe lief hadden zij allen de boetpsalmen ! Welke verschillen hebben zij in de uitlegging van deze psalmen ?
Uw constructie Romeinen-Galatenbrief enerzijds en Efeze-Colossenzenbrief anderzijds om daarmee twee typen van verkondiging te rechtvaardigen, lijkt mij zeer aanvechtbaar. Immers het gaat hier niet om twee parallelle lijnen, maar om de éne verkondiging van het éne Woord Gods tot joden en heidenen samen, In de Efezebrief is de zaligheid door het bloed van het kruis, begin en einde van de zaligheid. In Colossenzen 1 : 14 staat: In Welke wij de verlossing hebben door zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden. Denk ook aan Col. 2 : 11—15 enz. Het gaat in al deze brieven om dezelfde zaken, wat het fundament der zaligheid betreft. Ongetwijfeld is er verschil. Daarover kunnen wij het van harte eens zijn. Maar mijn bezwaar gaat tegen de toepassing, die u van deze verschillen maakt. Wij mogen hier wel spreken van nadere ontvouwing, maar niet van twee typen, die min of meer gelijkberechtigd hun eigen weg gaan. Wanneer de apostel naast de schuld der zonde ook de macht der zonde aan de orde stelt, naast de vergeving ook de verlossing van alle machten en krachten, betekent dit toch niet, dat wij de schuld der zonde enerzijds en de vergeving en de verlossing der zonden anderzijds mogen uiteentrekken ? Of, wanneer u dit niet de weergave van uw mening vindt, als twee typen in de verkondiging naast elkander stellen? U spreekt over : Wat op het ene front heet.....heet....op het andere front. Hier dreigt de eenheid teloor te gaan ! Want het geloof in Jezus tot rechtvaardiging ontsluit al de schatkamers van de genade, zoals wij deze vinden in de Efeze- en Colossenzenbrief.
Dat Luther met de Romeinen- en Galatenbrief de verwettelijkte Kerk te lijf is gegaan, lag inderdaad aan de situatie. Maar Calvijn heeft in zijn Commentaren evenveel aandacht besteed aan de Efezebrief als aan de Galatenbrief. Calvijn heeft stellig niet, noch in zijn Commentaren, noch in zijn Institutie tekort gedaan aan de Efeze- en Galatenbrief. Wanneer wij deze eenheid niet in het oog houden, houden - wij wel een verlossing over, maar niet de verlossing door het bloed van Christus. Wanneer wij alleen maar spreken uit de Galaten- en Romeinenbrief, onthouden wij de gemeente grote schatten, die in de Efeze- en Colossenzenbrief te vinden zijn.
Ook het verschil tussen oosterse en westerse Kerk gaat niet op, wanneer dit wordt sterfelijkheid-onsterfelijkheid enerzijds en zondegenade anderzijds. Immers Paulus van Tarsen kwam toch óok uit het oosten ?
Maar nu de prediking !
Laat ik mogen beginnen met op te merken, dat u ons nooit groter onrecht kunt aandoen, dan wanneer u ons als een bevindelijke groep in het kerkelijk leven een plaats wilt geven. Immers daarmede hebt u ons niet alleen geregistreerd en geclassificeerd, maar ook van onze eigen grond afgedrongen, n.l. niet anders willen zijn dan dienaren van het goddelijk Woord. Dat daaraan in de praktijk veel mankeert, zij u onmiddellijk toegegeven. Maar dat doet aan het uitgangspunt niets af. Wij weten zeer wel, dat de Heilige Geest zijn werk niet beperkt tot de bevindelijke groepen van Nederland en Schotland, maar tot zijn Woord en de bediening ervan. Gij gaat met de uwen — zoals ge zelf zegt — weifelend en aarzelend uw weg en weet vaak niet het woord voor deze generatie te vinden. Maar u behoeft dit woord toch niet te vinden ? Heeft God dan zijn Woord niet ook tot deze generatie gezonden ? Het moet anders gezegd, zegt ge. Moet het dan anders dan de Schrift het zegt en voordoet ? Wanneer de verschraling van de verkondiging er is, is er tegelijk de verschraling van de werking van de Heilige Geest. Dat is het meest ontroerende in de prediking van deze tijd. Wanneer de volmacht in het Woord zoek raakt, is ook de volmacht van de Heilige Geest niet meer aanwezig. Omgekeerd drijft de volmacht van de Heilige Geest tot de volmacht van en in het Woord.
U vindt onze prediking traditioneel en uniform. Dit verwijt is reeds zeer oud en hardnekkig. Men heeft Luther in zijn tijd reeds hetzelfde verweten. Het kon ook tegen Paulus gezegd zijn (zie b.v. zijn prediking in de Handelingen der Apostelen). Maar daarmede wil ik mij er niet afmaken. Ik ben met u eens, dat er nog veel intenser gewerkt moet worden aan de prediking om de veelkleurige wijsheid Gods in de prediking uit te dragen. Ook onder ons zijn clichédominees. Dat er onder u waarschijnlijk procentsgewijs nog meer zijn, die hun cliché's buiten de bijbel ontleend hebben, is voor ons nog niet eens een schrale troost, die ik daarom hier niet in het geding wil brengen. Wij willen de prediking der Midden-Orthodoxie gaarne naar haar beste preken waarderen. Welnu, dan is ons hoofdbezwaar, dat zij niet bijbels genoeg zijn. Vandaag vormt een film, morgen een toneelstuk, dan weer een boek het begeleidende, zo niet het toonaangevende thema. Wij hebben maar voortdurend de indruk, dat u het met het Woord Gods niet aandurft. Ons stoot vooral, dat in de prediking zo weinig de gezaghebbende plaats van het Woord Gods wordt erkend en gehonoreerd. Daardoor klinkt de gezaghebbende stem van de levende God zo weinig tot de gemeente door. De bazuin geeft geen zeker geluid en daarom wordt het volk door deze prediking ook niet vergaderd. Uw aarzelingen en weifelingen worden wel terdege door de gemeente onderkend. Het hart der prediking komt zo zelden bloot. Het maakt op ons de indruk, dat men meer bezorgd is over de mens dan om de eisen en de beloften van God. Deze prediking wordt zo bloedarm, dat naarmate men zich meer gaat afzetten tegen geref. prediking, deze naar diezelfde mate aan ingang wint, ondanks het verzet en de bestrijding, waaraan zij bloot staan. Het gaat ons niet om z.g. Bondsprediking. Ook al weten wij zeer wel van nuanceringen en verscheidenheid van „liggingen", het gaat er ons niet om de grenzen van de gereformeerde prediking langs de grenzen van Geref. Bond te trekken. Zo gezien willen wij geen Bondsprediking, maar de absolute heerschappij van de levende Christus, door zijn Woord en Geest. Wat mij betreft sterft de Bond, als het Woord van God maar op iedere kansel heerschappij krijgt. Deze heerschappij van het Woord Gods is maar niet een particulier zaakje van de Bond, maar is de zaak van de Kerk. Denk aan Art. 3—8 van de Ned. Geloofsbelijdenis.
Als wij dan ook zeggen : Zo moet het en zo alleen, dan is dat niet een verabsolutering van eigen standpunt, hoe groot dit gevaar ook is; maar een terugroepen naar de volle prediking van de Schriften als het onbedriegelijke Woord Gods. Wij verabsoluteren niet een bepaalde geloofsweg, maar een absolute geloofsinhoud. Wij erkennen, dat David een andere geloofsweg heeft gehad dan Paulus, omdat hij van jongsaf geleid werd, maar Ps. 32 kon in de Romeinenbrief staan. De Bond wil dan ook niet een bepaalde geloofsweg prediken, hoezeer wij erkennen, dat het geloof een weg is tot Christus en met Christus, maar Christus als de weg, de Waarheid en het Leven. Wij willen gaarne al de raad Gods en de gehele Schrift prediken. Dat wij daarin gaarne luisteren naar wat in Nederland en in Schotland voor ons is gezegd, mag iedereen weten. Wij gunnen dit onderzoek iedere dominee. Het zal tot enorme verrijking en verdieping van de prediking kunnen leiden. Deze z.g. bevindelijken vinden wij waarlijk niet alleen in Nederland en Schotland. Zij zijn overal te vinden, veelal niet in de vertegenwoordiging van de Kerken, maar temeer in de gemeenten. En zij staan voluit midden in de Kerk, omdat de belijdenis uitdrukking geeft aan hun geloof.
Wij zeggen met u neen, wanneer wij beschuldigd worden van de verabsolutering van een geloofsweg. Maar u kunt onmogelijk tegen de Bond „ja" zeggen als modaliteit. U weet even goed als ik, dat wat gereformeerde prediking als waarheid Gods verkondigt, door anderen in de Kerk óf verborgen óf verdraaid óf ontkend wordt. Tegen deze anderen wilt u als modaliteit ook ja zeggen. Maar dat is onmogelijk. U wilt wat sommige anderen in de Kerk geloven, onder één noemer brengen met wat wij geloven. U meent, dat de weg van de éénwording loopt over uw modaliteitsvisie. Voorzover deze modaliteiten zich niet buigen voor het gezag van het Woord Gods, scheiden hier onze wegen en aanvaarden wij een ons opgedrongen isolement. Het klinkt misschien wat aanmatigend, maar ik bedoel het in alle ootmoed : De klassiek reformatorische prediking was er, voordat deze relativistische modaliteitenvisie er was, en zal er zijn, nadat deze visie aan haar eigen dualisme is te gronde gegaan. Of deze prediking er ook dan nog in onze Hervormde Kerk zal zijn, zal niet van u en mij afhangen (hoe groot ook de verantwoordelijkheid is, die wij samen door deze correspondentie op ons genomen hebben), maar van de trouw Gods. Hij is immers wakker over zijn Woord. God geve u en mij te beleven, dat het dynamiet uit de Galaten- en Efezebrief, uit de Romeinen- en Colossenzenbrief, ja, van het gehele Woord Gods, onze Kerk wakker schudde uit deze valse eenheidsdroom, die de ontkerstening alleen maar in de hand zal werken, hetgeen met de stukken is te bewijzen. Kijken wij om ons heen, dan geraakt de Kerk, ondanks haar apostolaire dromen en visioenen en dank zij de niet gereformeerde preken, steeds meer haar greep op de massa kwijt. Daarom moet mij tenslotte van het hart, dat de pretentie, dat de anderen voor moderne mensen preken en begrepen worden, en wij voor mensen met een goede kerkelijke achtergrond, helaas niet waar is. Voor deze pretentie — ik zeg dit niet met leedvermaak, maar uit de ontstellende praktijk — is geen enkele reden.
Dat de anderen ons niet begrijpen, komt voor een groot deel voort uit onkunde in het Woord Gods, die wij in de prediking niet mogen tolereren in de zin van de aanpassing, maar die wij worstelend in onze catechese hebben op te vangen om hen te brengen onder het volle Woord.
Geachte dr. Berkhof, ik heb deze brief uit mijn hart geschreven. Ik hoop, dat u deze als zodanig moogt ontvangen. Met belangstelling zie ik uit naar uw vierde en wellicht uw laatste brief.
Met een hartelijke groet,
Uw G. Boer.
Erratum : In het vorig nummer op pag. 117, 2e kolom, 19e regel van onderaf, staat met afwijkend lettertype deze regel: „hebben aanvaard". Dus ook contact met".
De welwillende lezer zal wel begrepen hebben, dat deze regel hier niet behoorde te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's