De Dordtse leerregels
Dat God sommigen in de tijd met het l geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit. „Want alle zijne werken zijn Hem van eeuwigheid bekend" (Hand. 15 vs. 18) en „Hij werkt alle dingen naar de raad Zijns willens". (Eph. 1 vs. 11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te geloven; maar degenen die niet zijn verkoren, naar Zijn rechtvaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid laat. En hier is het, dat zich voornamelijk voor ons ontsluit die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der mensen, zijnde in even gelijken staat des verderfs, of het besluit der verkiezing en verwerping, in het Woord Gods geopenbaard. Hetwelk, evenals het de verkeerde, onreine en onvaste mensen verdraaien tot hun verderf, alzo de heilige en Godvrezende zielen een onuitsprekelijke troost geeft.
Hoofdstuk I. Artikel VI.
Daar is bij God een Raad, Voornemen. Besluit. Dat Besluit is van vóór de grondlegging der wereld. Die Raad Gods gaat over alles. Of iemand jong zal sterven dan wel een hoge leeftijd bereiken. Of iemand in Poederooijen zal wonen of in New-York, ja alle dingen zijn Gode van eeuwigheid bekend, want het zijn allemaal Zijn werken. Dat Besluit Gods gaat ook over de zaligheid des mensen.
Wat behelst het aangaande die zaligheid ? Volgens de Remonstranten behelsde het Besluit Gods in eerste aanleg, dat God besloten heeft om zalig te maken, die zouden geloven en in dit geloof volharden. Maar de onbekeerden en ongelovigen zou God in de zonde en onder de toorn laten. Hoe zouden de zondaren tot dit geloof komen ? Door de genade van de Heilige Geest. Deze genade is echter een medewerkende genade. Ergens heeft tenslotte de mens de beslissing in handen. Zonder de medewerkende genade kan de mens niets. Doch ergens moet de mens de hand eerst uitsteken om de aangeboden genade te grijpen. Bij het Remonstrantisme blijft altijd de mogelijkheid open, dat niemand tot Christus komt. Ik zou het nog wel anders willen zeggen.
Als de genade Gods niet overvloediger is dan de Remonstranten van Arminius geleerd hebben, kan er niet één zalig worden. De mens is immers onbekwaam óm het goede te willen. Hij is verduisterd in het verstand en al wordt hem door Jezus zelf de genade gepredikt dan kan hij er nog niets van verstaan. De Remonstranten lieten de mens in zijn ellende liggen. Zo doet in deze tijd Karl Barth. Volgens hem heeft God alle mensen uitverkoren. Dit schijnt een grote vastheid te geven aan ieder. Nu hoeft geen enkele zondaar te vrezen, dat hij verloren zou kunnen gaan. Maar die vastheid is blijkbaar toch niet zo groot, want ook bij Barth blijft de mogelijkheid van het eeuwig verderf bestaan. Dus een uitverkorene kan verloren gaan. Hoe kan dat? Omdat Barth wel het woord uitverkiezing gebruikt doch niet in de zin der Heilige Schrift. Volgens de Heilige Schrift kan er geen enkele uitverkorene verloren gaan. De gouden keten uit Romeinen 8 laat daar niet de minste mogelijkheid voor open. , , Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder de broederen.
En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen ; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt". Zo'n tekst laat toch zeker niet de minste mogelijkheid open, dat er één uitverkorene verloren gaat? Wat zegt prof. Barth van deze tekst ? Och, het is al meer opgemerkt, dat zijn betoog op het punt van het Schriftbewijs ernstig in gebreke blijft. Schriftplaatsen als Efeze 2:8, Fil. 1 : 29, Hand. 13 : 48, Matth. 11 : 25 zoekt men tevergeefs in zijn uitvoerig deel over de uitverkiezing. Andere teksten, die wel in het register genoemd worden krijgen een enkel woord. Daar is b.v. Romeinen 8 : 30. Deze tekst wordt op blz. 88 van genoemd deel van „Die Kirchliche Dogmatik" alleen genoemd in een weergave van Calvijns gedachten. Op blz. 15 wordt Rom. 8 : 30 alleen aangehaald. Doch daar treft men ook aan een kort woord over het Boek des Levens. Dat korte woord zegt van het Boek des Levens dat het terecht met de uitverkiezing in verband gebracht is: men kan niet in dit boek staan, men kan er weer uitgedelgd worden ; maar het boek bevat geen twee zijden, doch slechts een. Dat laatste is bekend. Alleen vermeldt prof. Barth er niet bij, dat wie bij de grondlegging der wereld er niet in stond er ook nooit meer in komt. Dat weet ieder, die zich rekenschap gegeven heeft van Openb. 13:8 en 17:8. Het is evenzeer onbewezen, dat een uitverkorene daar weer uitgedelgd kan worden. Daar is geen enkel voorbeeld van in de Heilige Schrift. De exegese van Karl Barth inzake de uitverkiezing is wel erg summier en oppervlakkig. Hij gaat op weinig teksten werkelijk in. Dat geldt helemaal van Romeinen 8 : 30, want ook op blz. 94 wordt deze tekst maar genoemd en niet uit-gelegd.
Maar nu de reden, waarom ik Remonstranten en Karl Barth even genoemd heb. Zij spreken beide van uitverkiezing. Maar er zit geen vastigheid in. Zij laten beide iets voor de mens over. Hoewei Barth het ongeloof tot een onmogelijke zaak verklaart, laat hij toch ruimte voor de mogelijkheid van dat ongeloof. Een uitverkiezing die niet betekent dat God alles wat tot de genade nodig is, onwederstandelijk werkt is een waardeloze uitverkiezing voor de mens zoals hij door de val geworden is. Het schijnt tot Remonstranten en Barthianen en allen, die met hen op dezelfde wijze denken totaal niet door gedrongen te zijn, wie de mens door de val geworden is. Hij is niet een onmachtige alleen, doch ook een onwillige. De mens is niet dan een slaaf der zonde. Het bedenken van het vlees d.i. de natuurlijke mens is vijandschap tegen God. De mens wil niet eens uitverkoren zijn. Als God niet in de mens het willen en werken werkt is het een verloren zaak. Hallelujah, God werkt het willen en het werken in Zijn uitverkorenen naar Zijn welbehagen. Hij schenkt het geloof, , doch niet aan allen. Immers, het geloof is niet aller. Hoe kan men dan zeggen dat alle mensen uitverkoren zijn ? Dat kan men niet met recht tenzij men onder uitverkiezing iets verstaat, dat niet beslissend is, dat door de mens verijdeld kan worden.
Voor de Dordtse Leerregels is de uitverkiezing beslissend. De vaderen zagen voor zich een hard mens, zoals ieder van nature is. Die harde mens is dood in zonde en misdaden. Hij is een natuurlijk mens, die niets verstaat van de dingen, die des Geestes Gods zijn. Hoe gaat hij deze nu verstaan ? Daar is een ingrijpen Gods voor nodig. Zovelen, die een vreemde onschriftuurlijke uitverkiezing leren, plegen te zeggen dat er niets meer in of aan de mens behoeft te gebeuren. Alles is gebeurd. Zij halen er dan zelfs een kruiswoord bij. Alsof de Heere Jezus voor hen bekeerd is en wedergeboren is en nog meer. De Leerregels spreken van een vermurwen en buigen om te geloven. Dat gebeurt niet bij alle mensen. Hoe zouden de niet gereformeerde predikers zich deze dingen denken? Men komt daar niet gemakkelijk achter. Hun prediking is binitarisch, niet trinitarisch. Zij preken van de Vader en de Zoon. Maar het werk van de Heilige Geest wordt niet gepredikt of half of verkeerd gepredikt. Zij vermengen de Geest Gods en de geest des mensen. Zij .prediken de mens. Maar ik zou toch wel eens willen weten, of zij zich wel rekenschap geven van wat zij preken. Meestal zeggen zij : ik ben het geheel met je eens, maar wij zeggen hetzelfde met een beetje andere woorden.
Jullie zijn echt een beetje ouderwets en wij zijn wat moderner, zie je. Wij hebben zo wat frisser ideeën, maar in de grond is het toch hetzelfde. Dat is erg mooi gezegd. Maar in wezen beroven zij God van Zijn eer en verheffen de mens. De Leerregels spreken over een buigen tot het geloof. Dat is dan een terugbuigen uit de stand, waarin de mens door de zondeval gekomen is.
Luther heeft er sterk de nadruk op gelegd, dat het wezen van de zonde bestaat in het incurvatus-in-se. De mens is naar-zichzelf-toe-gebogen. Dat betekent dat hij alles wat hem als begeerlijk voorkomt wil gebruiken tot zijn eigen geluk of wat hij daarvoor houdt. De natuurlijke mens zoekt ook wel God, maar om Hem te gebruiken voor eigen plannen en wensen. De mens kent maar één goed d.i. zichzelf. Het middelpunt van de schepping is het eigen hart en het eigen geluk.' Dit vindt men helaas, zo vaak in de kerk, als de rechte bekering en wedergeboorte ontbreekt. De mens kan ook de godsdienst gebruiken willen. Luther wijst het aan dat het de mens in alles om zichzelf begonnen is. Onze Catechismus drukt dat uit door te zeggen, dat de mens van nature geneigd is God en zijn naaste te haten. Ieder weet, dat men z'n naaste haten kan en tegelijk willen gebruiken. Niet ieder weet, dat men God kan willen gebruiken en in het diepst van z'n wezen haten. Daar is ontdekking voor nodig. Maar wat ontbreekt er aan de meeste godsdienstige mensen en aan de meeste theologen van deze tijd? Wat Luther noemt: de experientia Dei, de ondervinding van God en de ontdekking door de Geest. De mens kan God niet kiezen en niet willen, omdat hij zichzelf wil. Buiten de verlossende genade Gods om zal de mens nooit wat anders willen dan zichzelf.
En wat is nu deze verlossende genade ? Dat het boze hart des mensen verbrijzeld wordt. Dat kan niemand, dan God alleen. In dit stuk ondervindt God niets dan tegenwerking. Over meewerkende genade spraken de Remonstranten. Hoe kregen zij het verzonnen. Als er van de mens éne zucht zou moeten komen, was het voor eeuwig kwijt.
Als God begint met het harde hart te verbrijzelen spant de mens al zijn krachten in om dat tegen te gaan. en dikwijls op vrome wijze. Als er geen verkiezende liefde Gods is en als de Heere niet standvastig blijft tegen alle tegenstand van de mens in, dan wordt er niemand zalig.
Hoe komt nu een zondaar tot het geloof ? Is het eigenlijk geen egoïsme, als Luther vraagt: Hoe krijg ik een genadig God ? Let maar eens even op de weg, waarin de Heere Zijn genade geeft. Die weg is, dat de vraag naar de weg om zalig te worden ophoudt. Wanneer is de mens miurw en is alle hardheid tegen God er uit ? Als hij zich aan Gods wil gewonnen geeft. Ik moet hier denken aan wat Eva van der Groe over dit beslissende uur schrijft: , , Ik bedong niets, ik verwachtte niets, ik vrees niets, ik hoopte niets, ik wenste niets". En juist daar, waar de mens zich gewonnen geeft aan Gods wil. Zijn veroordelend en verdoemend oordeel, daar vindt hij het leven. Als de mens het leven niet meer zoekt, dan vindt hij het. Hier wordt het incurvatus-in-se opgeheven. Doch dat vinden is niet een daad des mensen. Het is God, die het harde hart vermurwt en het is God, die het hart buigt om te geloven. Daar zijn twee-eriei soort gelovigen in onze dagen. Beide groepen zeggen dat God hen rechtvaardig had kunnen laten verloren gaan. Maar de ene groept reikt zichzelf de gouden scepter der genade toe en de andere heeft gewacht tot God hen die scepter toereikte. Voor de eersten is de begenading een massaal iets. Zij massificecen de Kerk. Voor de anderen is het een persoonlijke zaak.
Zij kunnen dan ook zeggen: Hoort, wat mij God deed ondervinden. De anderen zouden moeten zingen: Hoort wat ik mijzelf deed ondervinden. Dit grote werk, waarin God eerst de mens tot een niet maakt en uit dat niets een nieuwe mens schept, doet God niet aan alle mensen. Maar die van eeuwigheid zijn uitverkoren, krijgen dit.
We breken weer af. Als toegift twee uitspraken van Luther. Gottis natur ist, das er ausz nicht etwas macht, darumb wer noch nit nichts ist, ausz dem, kan Gott auch nichts machen. (Het is Gods natuur, dat Hij uit niets iets inaakt, daarom wie nog niet niets is, uit hem kan God ook niets maken). En de andere: , , Wie zich aan Gods wil overlevert, als het moet aan de eeuwige dood en verdoemenis, zal niet verdoemd worden. Eerder zullen zij verdoemd worden, die er voor vluchten om verdoemd te worden". Dit nu maakt God tot ondervinding als Hij de harten der uitverkorenen vermurwt en buigt om te geloven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's