De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET BESTAANSRECHT VAN DE GEREFORMEERDE BOND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET BESTAANSRECHT VAN DE GEREFORMEERDE BOND

REDE VAN PROF. DR. J. SEVERIJN IN DE DOMKERK TE UTRECHT OP 18 APRIL 1956

22 minuten leestijd

Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Hervormde (Geref.) Kerk.

Vijf en twintig jaar geleden heeft ds. Remme in zijn herdenkingsrede de vreemde situatie, welk uit deze titel spreekt, op de hem eigene wijze uitdrukking verleend in het beeld van een steigerwerk, dat een kostelijk monument van voorvaderlijke bouwkunst ommantelt. 1)

Ook deze vergelijking gaat mank, evenals iedere comparatie, maar de bedoeling is duidelijk. Steigerwerk om een monument van voorvaderlijke bouwkunst, zegt, dat het met het monument niet in orde is, en dat men bezig is de tekenen van verval weg te nemen, opdat het in verjongde pracht verrijze.

Nu zonder beeldspraak. Het is met de Kerk niet in orde. Immers dan zou zij zelf de verbreiding en verdediging van het Evangelie overeenkomstig haar belijdenis ter harte nemen en er ware geen aanleiding voor een Gereformeerde Bond om in haar midden te doen wat naar het bevel van haar Koning de roeping der Kerk is.

Men gevoelt wel, dat de praegnantie in de formulering van de doelstelling in het statuut van de Gereformeerde Bond een noodtoestand van de Hervormde Kerk signaleert. Dit is het, wat ds. Remme bij een andere gelegenheid zo treffend nuchter uitdrukte : De nood der Kerk, het bestaansrecht van de Bond.

Bij het vijf en twintig jarig bestaan van de Bond kon men wel terugzien op enkele mislukte pogingen om het kerkelijk vraagstuk op te lossen, en schoon het jeugdig elan van de voortrekkers in eigen gelederen reeds gebroken was, heeft het niet ontbroken aan taaie volharding bij mannen, die een open oog hadden voor de nood van een kerk, die aan waarheid en dwaling in haar midden gelijke rechten verleent. Tegen hope op hope hebben zij de arbeid voortgezet, omdat de nood nog altijd en niet in mindere mate bleef dringen, als om het bestaansrecht van de Gereformeerde Bond te bevestigen. Daarom kon van geen al te blijde jubel sprake zijn en hoezeer wordt ook thans bij het vijftigjarig herdenken de juichtoon gedempt. Ofschoon in het herdenken ook veel te danken valt vanwege de weldaden Gods over ons, de stoute verwachting, bij sommigen onzer in de dagen van vreemde overheersing en verdrukking gekoesterd, dat een nieuwe dageraad over het kerkelijk leven zou opgaan, daar de kerk zich roeren ging en zich opmaakte tot bevrijding van de organisatie van 1816, is op een pijnlijke teleurstelling uitgelopen.

Wenkte soms een ogenblik de hope, dat de Gereformeerde Bond aan opheffing zou kunnen denken, althans zijn doelstelling zou kunnen veranderen omdat deze overbodig ware geworden en uitgediend, wijl de Kerk, teruggekeerd tot de Wet en de getuigenis, de weg naar een gezond kerkelijk leven hadde gevonden, de ervaring heeft geleerd, dat ondanks de invoering van een nieuwe kerkorde de noodtoestand voortduurt en dat de weg der sanering niet werd gezocht, althans niet gevonden.

Het is er verre vandaan, dat wij ons zouden verheugen in het feit van de dag, dat de huidige kerkelijke situatie het bestaansrecht van de Gereformeerde Bond in geen enkel opzicht heeft verzwakt. Het is zelfs niet moeilijk het tegendeel aan te tonen. De nieuwe koers, waarin het kerkelijk leven wordt gedreven, kan daarvan een welsprekende demonstratie worden genoemd.

Zeg overigens niet, dat er geen aanleiding is gegeven om betere dingen te hopen. Ik moge er toch op wijzen, dat tegen alle bezwaren van zekere formalisten in, de Hervormde Kerk, die gezegd werd geen mond te hebben, onder de pressie van de omstandigheden in het rampjaar 1940 toch is gaan spreken, ondanks de organisatie van 1816 en haar reglementering van het kerkelijk leven, die terecht de gedachte aan verburgerlijking heeft opgeroepen, en haar verburgerlijking van meetaf heeft beoogd.

De Kerk begon oog te krijgen voor haar wanverhouding tot wat een kerk behoort te zijn, bestuurd als zij werd op de voet van een burgelijke vereniging. Dat betekende immers ontkenning van haar geheel eigen karakter en van de aard harer openbaring, waarom terecht van knellende banden, ja, van een gevangenis is. gesproken. Dat zijn geen overdreven termen. Klacht daarover en protest daartegen zijn heus niet uitingen van bekrompen confessionalisme, dat zijn tijd niet verstaat.

De onrechtmatigheid van het regeringsbeleid, dat deze stand van zaken in het leven had geroepen, is telkens weer en met name ook na 1852 aangetoond door theologen, juristen en politici.

't Heeft na de invoering van de kerkorde 1951 geen zin voorbeelden van dergelijke uitspraken te geven.

Deze kleine uitwijding kan echter wel doen begrijpen, dat de vraag bij sommigen wel eens opkwam of de Hervormde Kerk rechtens nog wel Kerk genoemd kon worden.

Spoedig echter zouden van een zijde, die vroeger boos zou geworden zijn op zulk een vraag, uitlatingen gehoord worden, die daaromtrent geen twijfel laten.

Aan de ontdekking harer verburgerlijking ging — hoe kon het anders — de ontdekking der kerk gepaard. Zo kon men het althans verstaan en zo had het ook kunnen zijn. Schreef Kraemer niet over de herontdekking der kerk ? Werd niet de leuze verheven : de kerk moet weer kerk worden ? Was vrijmaking van de synodale orde, van het collegiale stelsel niet het eerste, waarop men zich zou richten, een nieuwe kerkorde, presbyteriaal en zij, die hun krachten daaraan zouden geven, grepen naar de Dordtse kerkorde om te zien, hoe de vaderen het deden. Naar catechismus en confessie werd de hand uitgestoken, studiecommissies werden gevormd, om de achterstand in allerlei verhouding en opzicht te constateren en de lijnen uit te bakenen, hoe die zou kunnen worden ingehaald en de nieuwe koers nader in bestek gebracht, die was uitgestippeld in het brein van een aantal geesten, die zwanger gingen aan vernieuwingsideeën.

Zo kwamen wij tot de werkorde, die ook in onze kring — zij het niet onverdeeld, maar toch met verwachting werd begroet.

Verwachting? Wat wij dan wel verwachten ? Dat zij ons een nieuwe kerkorde zou brengen ? Zeker, maar dat deze binnen enige jaren de Kerk zou herschapen hebben in een, die als twee druppels water zou gelijken op de Kerk der vaderen, zoals deze leeft in de gedachte van sommige idealisten, kon slechts een droombeeld zijn van sluimerende zielen en misschien ook wel van een vreesachtig slag libertijnen, bij wie een inquisitie-complex wakker wordt als zij een gereformeerd man over belijdenis en kerkelijke tucht horen spreken. Zulke kerkelijke verwachtingen werden onder ons niet gewekt en zulke uitkomsten niet gevreesd, maar was het onbehoorlijk, om te verwachten dat men de Kerk aan haar eigen belijdenis zou herinneren ?

Was het onbillijk of ook maar partijdig, te verwachten dat de kerkhervormers, die zich opgeworpen hebben, van die belijdenis der Kerk zouden uitgaan bij het zoeken van wegen en middelen, die tot sanering van het kerkelijk leven zouden kunnen leiden ?

Was het onredelijk te verwachten, zoals dezerzijds op desbetreffende vragen is geantwoord, dat de wacht zou betrokken worden bij de poort van de toelating tot het ambt en dat het kerkelijk leven geleidelijk weer aan de tucht van het Woord zou worden gewend?

Was het een dwaas advies, als wij in verband met zulk een geleidelijke gang van zaken als ons oordeel uitspraken, dat men slechts een kerkorde van geringe omvang zou voorstellen, alleen de voornaamste aanwijzingen bevattende voor een presbyteriale kerkregering en haar belangrijkste handelingen?

Wat zullen wij verder vragen ?

De ervaring is ten aanzien van deze verwachtingen, die kerkelijk en geestelijk beoordeeld volkomen redelijk zijn, op een grote teleurstelling uitlopen ?

Om bij het laatste te beginnen, wijl het raakt aan een gedachte, die van de eerste aanvang af de voortrekkers van de Gereformeerde Bond heeft bezield : n.l. de vrijmaking van de Synodale Organisatie, , , om de ontwikkeling van het kerkelijk leven in gereformeerde zin mogelijk te maken, zonder anderen te be­moeilijken of door anderen bemoeilijkt te worden". *)

De gang van zulk een weg zou zeker één of twee generaties hebben gevraagd en zou ook als vanzelf gelegenheid hebben geschonken om allen, die de mond vol hebben van repristinatie, te beschamen. Het geruisloos en ongemoeid verdwijnen van dissenters, die met hun ketterijen en aanhang langzaam zouden versterven, tenzij zij zelf een andere weg verkozen, zou aan de andere kant worden begeleid door het eveneens geleidelijk en ongemoeid inburgeren van kerkelijke gebruiken, waartegen principieel gezien van gereformeerd standpunt geen bezwaar kon zijn.

Men heeft zulk een geleidelijke sanering niet gewild. Het psychologisch ogenblik moest waargenomen. Dat betekent het psychologisch moment, dat door sommige leidende figuren geschikt werd geacht om, in hetgeen zij zich aangaande de nieuwe koers voorstelden, te kunnen slagen. Al te lang kon niet meer worden uitgesteld, want het getij begon reeds tekenen van verloop te tonen.

Het is wel duidelijk geworden, welke geest deze haastige lieden aangaande het „kerk-zijn" bezielde en dat zij door een kerkideaal werden aangevuurd, dat in zeer fundamentele stukken van de 'Kerk, die in de belijdenis aan het woord is, verschilt.

Om diezelfde reden heeft men de diepgaande verschilpunten der richtingen onderschat, zoals blijkt uit het feit, dat men ze modaliteiten ging noemen, als gold het zovele aspecten, van een in wezen hetzelfde gemeenschappelijk, zij het dan niet nader te bepalen geloof. Het begrip modaliteit is dan ook van oorsprong negatief gekleurd, uitgaande van de onderstelling, dat de waarheid slechts benaderd, doch niet adcequaat kan gekend worden.

En schoon een bekend geworden zinsnede zegt, dat niemand kan zeggen, hoeveel ketterijen een mens er op na kan houden en nog een Christen zijn, wordt deze toch weersproken door de feiten in zoverre , , de Christusbelijdende volkskerk", die men zegt te zoeken, op een rechter- en linkervleugel stoot, die daarin naar het oordeel der voorstanders van dat kerkideaal niet passen. Zij zijn klaarblijkelijk ook volgens hun inzicht over de grens der modaliteiten heen. Het is een , , volkskerkelijk" probleem, hoe zij met die „vleugels" zullen handelen. Dit probleem wordt nog moeilijker, omdat de aanpassingsmethoden, op hen toegepast, falen. Over de linkervleugel kunnen wij gevoegelijk zwijgen, maar wat de rechtervleugel aangaat, kan niemand met een eerlijk hart betwisten dat de mannen, die kerkelijk naar de belijdenis begeren te leven, volkomen terecht legitieme leden der kerk worden genoemd.

Daar hapert toch wat aan het inzicht van de voorstanders van de nieuwe koers en de profeten van de , , Christusbelijdende volkskerk", als het „legitieme" wordt geweerd, althans niet begeerd en zij niet nalaten zich van het legitieme afkerig te tonen.

Vraagt iemand nog bewijs ? Of acht iemand het misplaatst, als wij degenen, die zulke dingen doen, een gebrek aan inzicht toeschrijven? Laat hij dan zijn oog richten op de grote stad en zien, wat de resultaten zijn van een splitsing der gemeenten in wijkkerken naar geografische indeling. Gewisselijk is de bedoeling geweest de wijkverdeling te doen werken als een mengkraan der „modaliteiten" en de ervaring schijnt nog niet genoegzaam doorgedrongen tot degenen, die zo denken, dat het reformatorisch geloofsleven, zoals het ook uit de belijdenis der kerk kan worden gekend, zich niet laat beroven van zijn meest fundamentele waarheden.

De herhaalde vraag, aan een iegelijk vrijheid te schenken zich te voegen bij de wijkkerk zijner keuze, vindt geen gehoor. De erkenning van de , , modaliteit" bij degenen, die zo spreken, blijft ook in dit opzicht beperkt tot die, waartoe men zich zelf rekent.

Intussen is men bereid afzonderlijke bepalingen te maken voor z.g. minderheids-groepen, die uitgesproken aanhangers zijn van de eveneens z.g. midden-orthodoxie, die zich onder de prediking van de orthodoxe kerkeraad niet voegen, teneinde nevenpastoraten in te richten of een neven-gemeente naast de legitieme te vormen.

Wat heeft iemand nog nader bewijs nodig, die de interpretatie van artikel X der kerkorde uit de geschriften en .herderlijke brieven, welke van de Synode uitgaan, wil leren kennen en tot de conclusie te komen, dat de Synode zich zelf behoorde te censureren, daar zij leringen verkondigt, die openlijk en voor ieder duidelijk in flagrante strijd zijn met de fundamentele stukken der leer. Dat weegt nog dubbel zwaar, als men bedenkt dat dergelijke afdwalingen worden gevonden in publicaties, die als proeve van hernieuwd reformatorisch belijden worden aangeduid. Wij denken aan , , Fundamenten en Perspectieven" en , , de Leer aangaande de Heilige Schrift".

Volkomen welbewust en beraden distantieert de Syonde zich in deze geschriften van wat de kerkelijke confessie aangaande de Heilige Schrift belijdt.

Wat baat het, of mannen, die dit standpunt toejuichen, al verklaren op conferenties en vergaderingen, dat zij de Heilige Schrift houden voor de enige bron en regel der prediking, als zij het heel gewoon vinden haar te onderwerpen aan wat men de resultaten der Schriftkritiek pleegt te noemen, even alsof de methode der wetenschap over de religie van de Christus der Schriften kon heersen.

Blijkens de inhoud der officiële geschriften zijn zij, die daarvoor verantwoordelijk zijn, vergeten, dat de belijdenis aangaande de Heilige Schrift, wel het meest fundamentele stuk des geloofs is.

Het geloof belijdt de Heilige Schrift als Gods Woord. Het geloof omhelst haar als zodanig, grondt zich daarop, richt zich daarnaar, leeft er uit. Dat kan het geloof zo, omdat de gelovige betrokken wordt niet alleen bij de dingen, die God in Zijn Woord geopenbaard heeft, niet alleen, omdat de geopenbaarde dingen vat op hem krijgen, maar zij krijgen vat op hem, omdat het geloof uit dé gemeenschap met God, de God der Schriften, opkomt, wijl God zelf met de gelovige in gemeenschap tredende door Zijn Woord en Geest, die mens bij het werk der openbaring Zijner liefde in Christus betrekt.

God, die zich geopenbaard heeft, wordt door het geloof gekend als de Zich openbarende God der Schrift. De Schrift wordt ontdekt als het levende Woord Gods.

Calvijn heeft dat alzo uitgedrukt : , , Maar aangezien geen dagelijkse Godspraken uit de hemel gegeven worden en alleen de Schriften bestaan, door welke het de Heere goedgedacht heeft zijn Waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven, bezit de Schrift door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat ze uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden". *)

De goddelijke onderwijzing door Woord en Geest, waardoor de Heilige Schrift geloof vindt en gezag heeft, onttrekt deze dingen aan het oordeel der kerkelijke autoriteiten en dat van de hedendaagse en vroegere Schriftgeleerden, die het anders leren. Dezulken betonen zich slechte leerlingen van de Heere Jezus Christus en Zijn apostelen en lopen gevaar te vervallen in de , , zeer verderfelijke dwaling" waarop Calvijn in het aangehaalde verband wijst, „dat de Schrift slechts zoveel betekenis heeft, als haar door het oordeel der kerk wordt toegestaan: alsof de eeuwige en onaantastbare Waarheid Gods op het oordeel 'van mensen steunde !"

Kritisch of voor-kritisch, deze , .verderfelijke dwaling", welke zo men ziet, niet van gisteren of eergisteren is, is een dwaling van ongeloof.

Sommigen zien de Bijbel als een boek over geopenbaarde dingen en werpen tegen, dat wij niet met geopenbaarde dingen, maar met de zich openbarende God van doen hebben,

Het is waar, zolang de Heilige Schrift voor ons een boek met geopenbaarde dingen is en blijft, leven de geopenbaarde dingen niet in ons. Maar als het geloof komt, worden wij gewaar, dat de God van de geopenbaarde dingen de zich openbarende God, de levende God is, die achter Zijn Woord staat, door Zijn Woord spreekt en dat Woord bevestigt. Voor het geloof verschijnen de geopenbaarde dingen in het heden van de zich openbarende God. En daarom kan Calvijn zeggen : „geen ander gezag dan door het geloof", en het geloof is een gave Gods.

Wij vragen nu, wordt de gemeenschap met het geloof der vaderen onderhouden, als men breekt met hun belijdenis aangaande de Heilige Schrift ?

En als zij dan toch van gemeenschap spreken en ze welbewust het geloof der vaderen tegenstaan en verwerpen, wat zal men dan van zulke mensen zeggen? Ja, wat kan men zachtmoediger ordelen, dan dat zij het geloof der vaderen helaas niet kennen en daarom niet moesten begeren over de erfenis der vaderen de scepter te zwaaien ?

Intussen is dat die situatie, waarin de Kerk verkeert, n.l. dat ze wordt geregeerd — om geen .ander woord te gebruiken — door degenen die in het voornaamste stuk van het geloof der Kerk falen, hetwelk uit de aard der zaak op alle kerkelijke handelingen zijn invloed moet laten gelden.

Of degenen, die voor deze situatie verantwoordelijk zijn, omdat zij willens en wetens een koers drijven, welke anders is gericht, zo verzekerd zijn, dat zij op de goede weg zijn ?

Het antwoord, dat men nu en dan beluisteren kan, houdt zich verre van een besliste bevestiging en is van twijfel vervuld.

Het kerkelijk compromis tussen midden-orthodoxie en gematigde vrijzinnigheid kan weinig uitzicht geven op een gezond kerkelijk leven in gemeenschap met het geloof der vaderen.

Het kan deze vrijzinnige van gemoderniseerde stijl welgevallig zijn, als een verdediger der midden-orthodoxie, de naam van Arminius noemt in verband met zijn midden-orthodoxe inzichten, maar in de kringen van zijn geestverwanten moet dat toch enige onrust wekken en de vraag oproepen: Zijn wij wel op de goede weg?

Onzerzijds kan de vraag slechts ontkennend worden beantwoord en dan hebben wij nog niet gesproken van de prediking, over een volkomen willekeurige ongemotiveerde omkering van Wet en Evangelie, en een even onverantwoordelijke wijze, waarop de leer der goddelijke verkiezing wordt voorgesteld, om nog te zwijgen van raden en commissiën, die een veel ernstiger bedreiging van verburgerlijking vormen dan de Organisatie 1816. 

Wij zouden minder kritisch tegenover al deze vernieuwingspogingen staan, indien wij ook maar enigszins ontdekken konden, dat zij uit een waarachtige, door de Schrift geboden , , correctie" voortkwamen op hetgeen de vaderen beleden en ons hebben overgeleverd.

Indien klaar werd gemaakt, dat zij op enig punt gedwaald hebben, hoe hoog de gereformeerde traditie bij ons staat, onze eerbied voor de traditie zou moeten wijken voor de klaarheid der Schrift. Dat zou trouwens geheel in de geest der vaderen zijn en de gemeenschap met hen onderhouden.

Doch hier zijn wij nu juist bij het kritieke punt aangeland. Zulk een Schriftbewijs kan de geest van de nieuwe koers niet geven en daarom kan een dergelijk vergelijk zich niet voordoen, gelijk de welmenende dragers van die geest schijnen te wensen.

In de eerste plaats onderschatten zij de betekenis van de traditie, maar ook dat vindt zijn oorzaak in hun kritisch uitgangspunt ten aanzien van de Heilige Schrift. Dientengevolge ontbreekt het aan een gemeenschappelijk norm-besef, hetwelk door het geloof gegeven is. In de grond der zaak hapert het aan gemeenschap des geloofs met de, reformatorische vaderen te leven, zonder zelfs de meest kapitale stukken hunner belijdenis te aanvaarden, zoals kan worden aangetoond, zowel uit de officiële uitingen in de publicaties der Synode als uit de particuliere van sprekers, schrijvers en dominees, welke men kan vernemen door pers en radio.

In dat alles moet een ander geloof aan het Woord zijn dan dat der vaderen, waar niet ook kan worden verklaard, dat men bij het kerkewerk niet van de confessie uitgaat, en derhalve bezwaarlijk verwachten kan, dat men bij de confessie uitkomt. Zulk een verwachting zou goede grond hebben, indien men de Heilige Schrift in navolging van de vaderen als Gods Woord ontving, zoals zij dat deden. Dan zou men zich ook onder de tucht des Woords stellen. Doch — in ander verband werd er reeds op gewezen — wijl men in dit voornaamste stuk de gemeenschap met het geloof der vaderen verbroken heeft, kan van tucht des Woords de facto geen sprake meer zijn, omdat met het geloof ook het normatief gezag der Heilige Schrift wordt miskend.

Een kerkelijke tucht, die men zou willen nastreven, kan onder zulke omstandigheden slechts de toegang naar een kerkelijke rechtspleging openen, waarbij het reglement in de plaats treedt van het Woord Gods.

Vervolgens kan ook de belijdenis in zulk een situatie niet functioneren of geleidelijk gaan functioneren, omdat het geloof, dat in de belijdenis met hart en mond belijdt, niet in zijn waarde en bijzondere betekenis naar de Schriften wordt erkend door degenen, die verantantwoordelijk zijn voor de gang van zaken in de Kerk.

Hoezeer dit alles in strijd is met de aard en het wezen der Kerk, kan slechts worden beseft door degenen, die in waarachtige gemeenschap met het geloof der vaderen leven.

Tenslotte nog de opmerking, dat het kerkelijk leven op die wijze steeds meer wordt overgeleverd aan ontbinding, terwijl haar regeneratieve invloed op het volksleven allengs geheel dreigt te worden uitgeblust.

Wij vragen: Is het gezocht, te spreken van het bestaansrecht van de Gereformeerde Bond?

Is het teveel beweerd, als wij begonnen te zeggen, dat ons hart met droefheid vervuld is, wijl de nood der Kerk nog altijd gebiedt te volharden in de hem opgelegde taak : verbreiding en verdediging der Waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk?

En wat dunkt u, die ons hebt aangehoord?

Lijkt U het verwijt gegrond, dat wij als Hervormd Gereformeerden niet inbrengen in — ja in wat eigenlijk ? in het kerkewerk? in het stuurhuis van een koers, die wij niet voor onze verantwoording kunnen nemen ?

Oordeelt zelf, of de mannen van de Gereformeerde Bond enige andere taak kan worden toegeschreven, dan te bewaren het ons toebetrouwde pand, en te roepen tot de Wet en de getuigenis — zij het vaak als een roepende in de woestijn.

Terecht zou men ons veroordelen van een kerk in de Kerk te willen zijn, als wij verschillende kerkelijke vragen, die om een oplossing schreeuwen, naar het richtsnoer des geloofs trachtten te regelen in eigen kring : wij denken o, a. aan de nieuwe Bijbelvertaling, aan de liturgie, enz. Wij onthouden ons daarvan op principiële gronden, onderwijl gaan de kerkelijke organen voort met allerlei de kerk in te zenden, terwijl het ontbreekt aan een zodanige orde en regel, waardoor zij bij machte zou zijn een en ander op de juiste waarde te schatten en op kerkelijke wijze te behandelen.

Zeg ons, wat staat ons anders te doen dan op te komen voor de waardering der kerkelijke confessie, welke daaraan toekomt en voor de haar toekomende functie in de kerkelijke samenleving ?

Deze taak wordt door de kerkelijke situatie ten enenmale bepaald en wij vragen slechts ruimte om te doen naar uitwijzen van ons statuut: verbreiding en verdediging van de Waarheid in onze Kerk. Het bewaren, dat God van ons vraagt is immers nooit een opsluiten in de brandkast, maar het is in de eerste plaats gehoorzaam betrachten, wat Hij ons beveelt en toebetrouwt. Bewaren in geloof is geen dood werk, maar een levende betrekking tot God, die ons Zijn Woord te bewaren geeft. Zalig worden zij gesproken, die Zijn Woord bewaren enkel en alleen, omdat de zaligheid in het bewaren van Gods Woord besloten ligt. Gods Woord bewaren is uit Gods Woord leven, ook alweer enkel en alleen, omdat het als het Woord van de levende God gekend wordt. Het Woord is de gemeenschap met de levende God zelf. Door dat Woord wordt de kerk geboren, gelijk de apostel Petrus betuigt: Wedergeboren door het Woord. '*)

Zo kan het leven der Kerk niet mistekend zijn, als wij zeggen, zij heeft het Woord te bewaren, op straffe, -^ dat het van haar wordt genomen. *)

Dat betekent ook getuigen van haar uit dat Woord. Vandaar verbreiden der Waarheid, prediken, de prediking des Woords bevorderen, ook daar, waar zij niet is, om anderen deelgenoot te maken van de kennis van het Koninkrijk Gods.

Hoe kan het anders, of deze bewarende taak sluit ook een verdedigende in. De kennis van de levende kracht van het Woord laat geen aanranding van zijn gezag en stelt zich tegen alle valse leer en alle ongerechtigheid. Dit leidt op zijn beurt tot onderzoek en verdieping van eigen leven.

Als het dan de taak der Kerk van Christus is, Zijn Woord te bewaren, te verbreiden en de kennis des geloofs te verdiepen, wat zal dan de Gereformeerde Bond?

Eén antwoord slechts : De nood is ons opgelegd. Immers, wat de taak der Kerk is, is ook de enkeling in Christus geboden en deze kan niet anders.

Het ligt voorts ook weer in de aard des geloofs, dat de enkeling medegenoten in Christus zoekt. Zou hij dat dan kunnen nalaten in een kerk, die aan Waarheid en dwaling gelijke rechten toekent ? Het geloof zoekt gemeenschap des geloofs en sterkt zich daarin. Die gemeenschap des geloofs is de kracht van de Gereformeerde Bond.

Mogen er hier en daar zijn, die persoonlijke smaak en gevoelens laten gelden boven een Schriftuurlijk gedrag en gemakkelijk buiten de Kerk zoeken, wat zij daarbinnen niet vinden, ondanks deze verschijnselen en al zulke, die tot bevordering van een gezond kerkelijk leven niet kunnen medewerken, mogen wij ons verheugen in een goede samenwerking en trouwe gemeenschap onder elkander.

Wij beweren niet, dat wij de zoeven omschreven taak met zulk een ijver hebben gediend als met de waarachtigheid en de ernst van de zaak Gods overeenkomt.

Als het daaraan komt, moeten wij met schaamte en ootmoed onze tekortkomingen belijden. De ontdekking daarvan moge uitdrijven tot gebed om vergeving -en bekering.

Wij hebben geen redenen om in onszelf te roemen. Als wij de Kerk moeten bewaren, is er geen verwachting, maar wetende, dat Christus Zijn gemeente zelf bouwt, is er goede grond tot dankbaarheid, dat wij bij dat werk in het geloof betrokken mogen zijn en worden wij aangespoord om te volharden in de verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Hervormde Kerk overeenkomstig haar gereformeerde belijdenis.

De vaste overtuiging, dat die belijdenis naar waarheid getuigt van het leven van Gods Kerk voedt het vertrouwen, dat wij niet onze eigen zaak drijven.

Daarom ook kan onze voortgang niet afhankelijk zijn van voordeel of succes, doch in de vervulling van de roeping, ons opgelegd, is een bron der hope, dat onze arbeid niet zonder vrucht zal zijn. In dankerkentenis voor alle krachten en gaven, waarmede de Heere ons in de loop der jaren gezegend heeft, lopen wij de troon Zijner genade aan om Zijn hulp en bijstand voor de toekomende jaren te mogen afsmeken, opKiat onze arbeid moge strekken tot Zijn eer en dienstbaar gemaakt aan de uitbreiding van Zijn Koninkrijk en de bevordering van de gezondmaking van het kerkelijk leven.

Dat geve de Heere God.


^) Gedenkboek 1906—1931, blz. 59.

^) Gedenkboek 1906—1931, blz. 168.

^) Gedenkboek 1906—1931, blz. 97.

*) Gedenkboek 1906—1931, blz. 112.

^) Inst. VI 4, 7, 1. Vertaling Sizöo Dl. 1, blz. 42.

®) Openbaringen 1:3.

'^) Vgl. 1 Petrus 1 : 3 en 25.

'^) Vgl. Mattheüs 21 : 43.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET BESTAANSRECHT VAN DE GEREFORMEERDE BOND

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's