Het overgeleverd geloof I
Rede van Ds. Jac. Vermaas gehouden 18 april 1956 In „Tivoli" te Utrecht
In. zijn brief heeft Judas het tot zijn lezers en ook tot ons o.m. over het geloof dat den heiligen is overgeleverd. Ongetwijfeld wordt hier bedoeld de de waarheid, waarop het geloof zich richt, de inhoud des geloofs, datgene wat geloofd wordt. Wanneer het zo staat, dan worden wij onmiddellijk gebracht bij de openbaring Gods, zoals deze ons in het Woord des Heeren is geschonken. Calvijn wijst er terecht op, , , dat het geloof in voortdurende betrekking staat met het Woord, en evenmin daarvan kan worden losgerukt als de stralen van de zon, van welke ze hun oorsprong hebben. Daarom roept God bij Jesaja (55:3) : „Hoort naar Mij en uw ziel zal leven". En deze zelfde bron des geloofs wijst Johannes aan met deze woorden: „Deze dingen zijn geschreven, opdat gij gelooft" (Joh. 20 : 31). Ook de profeet zegt, wanneer hij het volk wil vermanen tot geloof: , , Heden, indien gij Zijn stem hoort." (Ps. 95 : 8). En horen wordt op verscheidene plaatsen gebruikt in de betekenis van geloven. Eindelijk, niet zonder reden onderscheidt God bij Jesaja (53 : 13) de kinderen der kerk van hen, die daarbuiten zijn, door dit kenmerk, dat Hij die allen zal onderwijzen, , opdat ze door Hem geleerd zijn." (Inst. Boek III, hoofdstuk 116).
Wij belijden dat God door dit Woord en Zijn Geest Zijn kerk vergadert. Zijn gemeente wordt door dit Woord toegebracht, gevoed, verlicht en het is dat Woord, ontvangen als de grote schat, dat de gemeente heeft uit te dragen in deze wereld. Door dat Woord openbaart God ons, om maar enkele dingen te noemen, hoe Hij de hemel en de aarde geschapen heeft, hoe Hij de mens riep tot het aanzijn en plaatste in Edens hof. Door dat Woord laat God ons zien hoe wij in ongehoorzaamheid ons van onze Schepper hebben afgewend en dood in zonden en misdaden aan allerhande ellende, ja, aan de verdoemenis zelve onderworpen zijn. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Door dat Woord openbaart God ons wat Hij gedaan heeft, n.l. Zijn Zoon overgegeven om zondaren te zoeken en zalig te maken. De Christus wordt ons voorgesteld, in alles wat Hij gedaan heeft, in Zijn gehoorzaamheid, in het volbrengen van alle gerechtigheid, in Zijn lijden en sterven, in Zijn overwinning van dood en graf, in Zijn opvaart ten hemel, in Zijn zitten aan Gods Rechterhand, totdat Hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden. Door Zijn Woord komt de Heere tot ons, in de belofte des Evangelies met Hem, die door Zijn plaatsvervangend lijden en sterven de enige en algenoegzame verzoening is voor de zonden, en in Wiens gerechtigheid er alleen vrijspraak is in het oordeel Gods en bevrijding van de vloek der wet.
Door dat Woord wordt ons de rijkdom en de noodzakelijkheid van het werk des Heiligen Geestes getoond, van die Geest, die Gods wet hanteert om te ontdekken aan zonde en schuld en die in het verbrijzelde hart de Christus verheerlijkt. Hem toeeigent en het geloof werkt, waardoor wij Hem omhelzen als onze enige Borg en Koning, ja, die ons in Christus legt aan het Vaderhart Gods. Alleen zo komt er van Woord en Geest een volk, dat uit wederliefde begint te leven naar de wil des Heeren en dat zichzelf leert verloochenen om te doen wat God alleen welbehagelijk is.
Met deze schat der kerk, met dit Woord Gods, staat en valt de Gemeente des Heeren. Hier geldt in het bizonder : Tot de wet en de getuigenis, als we niet spreken naar dit Woord dan zullen we geen dageraad hebben.
Het is daarom terdege te verstaan dat de tegenstander van God, dat de satan door allerlei middelen en op allerlei wegen gepoogd heeft en poogde en pogen zal om dat Woord te verduisteren, om dat Woord krachteloos te maken, om de kerk van dat fundament af te schuiven. Het ligt voor de hand dat de eeuwen door getracht is dat Woord van zijn gezag en heerschappij te beroven en het leven der kerk en der volkeren los te maken van deze openbaring Gods, van dit onwankelbaar getuigenis, van de Christen der Schriften.
Telkens zag Gods kerk zich geplaatst in een worsteling op leven en dood met die dwalingen, die de hartader der Gemeente van Christus trachtten door te snijden. In langdurige strijd werd ze gedrongen om krachtig en duidelijk en onomwonden uit te spreken wat ze, onder de leiding des Geestes, mocht verstaan in de waarheid Gods. Zo was het reeds toen de apostel Paulus moest getuigen tegen een dwaling, welke de Christen zou ijdel maken. Zo was het, als hij zich te weer stelt, met apostolisch gezag, tegen een ander Evangelie dan dat hij van God had ontvangen en van Godswege moest en mocht verkondigen. En niet anders is het als Gods Kerk zich gesteld ziet tegen de dwaling van een Pelagius en een Arius, Neen, dan gaat het maar niet om wat menselijke meningen. Om het gedachtenspinsel van de een tegenover dat van de ander. Dan is het geen kwestie van machtpositie en derzelver handhaving, 't Gaat nog veel minder om het berijden van een of ander stokpaardje. Waar het dan wèl om gaat? Om de diepte van zonde en genade. Om het nemen van het uitgangspunt in de mens, of om Gods onverdiende en vrije gunst alleen. Om de zaligheid, alleen uit genade. 't Gaat maar niet om de een of andere beschouwing over de persoon en het werk van Christus. Beschouwingen, neergelegd in de formuleringen, die best naast elkaar kunnen bestaan in een en dezelfde kerk, die met elkaar verenigd kunnen worden, die min of meer gelijke rechten hebben, die evenzeer gerespecteerd moeten worden, waaruit men in langdurig en liefdevol gesprek de waarheidselementen moet uitpuren en zo elkaar moet vinden. Geen sprake van. 't Gaat over Christus, naar de Schriften, waarachtig God en waarachtig mens. Het Evangelie der zaligheid, het Woord Gods, het overgeleverd geloof staat op het spel. En dan wordt het: óf — óf. Of het een, of het ander. De God en Vader van de Heere Jezus Christus heeft mannen als Athanasius en Augustinus willen begiftigean met Zijn Geest om Zijn Kerk bij het overgeleverde geloof te bewaren. Zo heeft het ook de trouwe God behaagd om in de donkerheid van het ongeloof en bijgeloof der Rooms kath, kerk het licht des Woords, het overgeleverde geloof weer op de kandelaar te plaatsen.
Zijn arm heeft wonderen gewrocht in en door mannen als Luther, Zwingli en Calvijn. Het werd weer: Het Woord alleen, Christus alleen, genade alleen, geloof alleen. Daarvoor wilde men het hoofd op het blok leggen, de brandstapel beklimmen, beroving van alle goederen lijden. Het ging toch om de eer des Heeren in het werk van de Drieënige God. Het heeft God behaagd om ook in deze landen de Kerk te hervormen en het Woord, dat Hij gegeven heeft, weer te doen uitstralen als een licht, schijnend in een duistere plaats. Door de Heilige Schrift heeft de Heere inzicht willen verschaffen in de dwalingen, die de Kerk geheel dreigden te verstikken en een ander Evangelie brachten dan het Evangelie Gods. De mens werd weer op de plaats gezet, waar de Schrift hem zet. Niet de mens of de daad van de mens in het middelpunt, zodat de mens met de eer gaat strijken. Geen pelagianisme of semi-pelagianisme, geen leer van werkheiligheid, geen vrije wil, geen mensen-inzettingen en menselijke willekeur, maar alleen Gods Woord, Gods weg der zaligheid, een verloren, verdorven, aan het oordeel onderworpen zondaar, en de algenoegzame, noodzakelijke Borg en Zaligmaker. Alleen de rechtvaardiging van de goddeloze en de verheerlijking en eer des Heeren.
Geen priester-heerschappij of welke heerschappij van mensen ook, maar alleen het gezag van de Heilige Schrift, en overeenkomstig deze Schrift een leven voor Gods aangezicht, in gebondenheid aan het Woord, in geheel het leven, ook in geheel het kerkelijk leven.
Wat heeft de Heere inzonderheid aan de hervormer Calvijn de genade gegeven het overgeleverde geloof in zijn diepte en breedte te verstaan en te verkondigen. En ook in ons land heeft de Heere daarvan de rijke vruchten doen groeien en smaken.
Daarom kan het niet anders of in de strijd tegen het Remonstrantisme laaide de strijd hoog op. Ook hier ging het niet om beuzelingen, maar om het overgeleverde geloof. „Het ging" —om eens anders woorden te gebruiken — „in deze strijd niet om een formalistische onbeduidendheid, noch ook om zinledige termen en dogmatische bekrompenheden".
In de diepste grond was het een strijd om de kern der Christelijke religie zelve, om het behoud van hetgeen de drijfkracht geweest was in de heroïke worsteling, waaruit de, jonggeboren natie was voortgekomen. Het kan niet betwijfeld worden, dat het Remonstrantisme in beginsel op de lijn stond van het oude Pelagianisme. En in dat Pelagianisme schuilde een niet-christelijk element, hoe christelijk het zich ook trachtte aan te dienen. Dit had het met het klassieke heidendom gemeen, dat het zich de mens dacht als zich opheffend tot het hoogste goed door de streefkracht zijner edelste driften. En in de christelijke religie is het niet de mens, die tot God opvaart op de wieken zijner geesteskrachten, maar God, die afdaalt tot de mens, zich aan hem openbarend in de vleeswording des Woords. De grondtoon in 't. lied van het Christelijk geloofsleven is steeds het , , van boven geboren", , , van boven verkregen". , , Het was de vraag, waar het uitgangspunt ligt. In God of in de mens? Daarover ging het in de grote worsteling, die de Nederlandse kerken in de XVIIe eeuw beroerden".
Als uit één hart en met één mond heeft Gods Kerk, buigend onder de autoriteit van het Woord alleen, verlicht door de Heilige Geest, in de bovengeschetste worsteling de dwalingen bestreden en afgewezen en het overgeleverde geloof beleden. Een belijden, dat neergelegd werd, ook voor de nageslachten in de belijdenisgeschriften der kerk. De Heilige Schrift was bij dit alles de norm, omdat deze als openbaring Gods beleden werd. Het is niet zó, dat de Kerk aan de Heilige Schrift haar goddelijk gezag verleent en dat de Schrift dus autoriteit heeft bij de gratie der Kerk. Neen, de Schriften brengen hun eigen gezag mee en God de Heere betuigt en bevestigt dat door de Heilige Geest in de harten van Zijn kinderen, in Zijn toegebrachte en bewaarde Kerk. Wanneer de Schrift als zodanig wordt losgelaten, dan is het hek van de dam voor allerlei wind van leer. Vandaar wordt dit geloof aangaande de Schrift duidelijk tot uitdrukking gebracht in de belijdenis der Kerk. En al haar belijden wordt daardoor gedragen en bepaald. Het kerklid staat niet individualistisch op zichzelf. Neen, dat lid der gemeente is verbonden met allen die éénzelfde dierbaar geloof deelachtig zijn. Christus vergadert Zijn kerk in de enigheid des waren geloofs. Gemeenschappelijk wordt beleden, wat onder de leiding des Geestes verstaan mocht worden van wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Het belijden, neergelegd in de belijdenis, is een getuigenis naar de Schrift, waaraan de Kerk zich gebonden weet.
Willen we daarmee beweren, dat er buiten b.v. de drie formulieren van enigheid niets meer te zeggen valt ? Stellen we de belijdenis op één lijn met de Schrift? Nooit zult ge dit in het Gereformeerd Protestantisme tegen komen. Het gezag van Gods Woord is primair. De belijdenis heeft een afgeleid gezag. Beroep op Gods Woord staat altijd open. Maar dan ook alléén beroep op Gods Woord.We willen ook vandaag ten volle belijden, dat wij ten dele kennen. We. willen met alle nadruk bevestigen — waarover straks meer — dat we niet klaar zijn met te wijzen op de belijdenis, die we in de drie formulieren van enigheid voor ons hebben liggen. Maar als men zich op dat ten dele wil gaan beroepen om daarmee de belijdenis van haar kracht goeddeels te gaan beroven, dan verzetten we ons daartegen met alle macht. Wil men het beroep op Gods Woord gebruiken om zo te gaan belijden, dat dit met de belijdenis der Kerk in flagrante strijd komt, of zich vrijblijvend tegenover de belijdenis te gaan gedragen, dan wijzen we dit volledig af.
Juist het feit, dat de belijdenis der Kerk alleen veranderd kan worden wanneer het bezwaar, met beroep op de Schrift alleen, steekhoudend blijkt te zijn, spreekt voor het gezag der belijdenis, meer dan iets anders
We willen dit met nadruk zo stellen, omdat juist de belijdenis, haar karakter, haar betekenis, haar gezag, haar functie heden ten dage bijzonder in het geding is. Een Rooms katholiek theoloog tekende de Hervormde Kerk als een kerk in onrust om haar belijdenis.
Welnu, we zien de belijdenis niet als een eerbiedwaardig document uit het verleden. We zien deze belijdenis evenmin als een uitgangspunt, van waaruit dan een ieder zo zijn eigen weg kan gaan, of waarna een belijden volgt dat met de gegeven belijdenis op de meest vitale punten in strijd is. Neen, met behoud van het beroep op Gods Woord, beluisteren we in de belijdenis de sprake des geloofs, in gebondenheid aan de Schrift, waaraan de Kerk ook nu haar stem heeft te paren. Hieraan behoort de Kerk te zijn gebonden. De synode van Dordrecht 1618/'19 heeft dit in een ondertekenigsformulier nader omschreven. Men volstond niet meer, in verband met de dwalingen der Remonstranten, met een ondertekening der belijdenis. Het ondertekeningsformulier had tot inhoud:
Ie. een plechtige verklaring, dat de leer van de Drie Formulieren van enigheld in alles met Gods Woord overeenkomt ;
2e. een belofte om deze leer getrouw voor te staan, zonder daartegen openlijk of bedekt, direkt of indirekt iets te leren of te schrijven en om alle dwalingen die tegen deze leer strijden, te verwerpen en te helpen weren;
3e. een belofte om een eventueel bezwaar of afwijkend gevoelen ten opzichte van de leer niet openlijk of heimelijk voor te stellen of te verdedigen, maar het eerst aan de kerkelijke vergaderingen kenbaar te maken, met de bereidheid om zich aan haar oordeel gewillig te onderwerpen ;
4e. een belofte om, als door Kerkeraad, Classis of Synode, om gewichtige redenen een nadere verklaring van gevoelen zou geëist worden om de eenheid en zuiverheid der leer te behouden, daartoe bereid te zijn, behoudens het recht van appèl.- (Zie voor samenvatting prof. Van Genderen, , , De betekenis der belijdenis" blz, 63).
Zo heeft de Dordtse Synode gewaakt voor een leren en werken, voor een leven der Kerk naar de Schrift en de belijdenis.
Het is ongetwijfeld juist, dat de belijdenis moet worden beleden. Anders wordt de belijdenis een eerbiedwaardig stuk uit het verleden, waar we natuurlijk niet aan tornen uit eerbied voor de oudheid, dat we graag eens onderzoeken, enz. Maar het geloof, dat in de belijdenis spreekt en getuigt en belijdt, wordt niet meer gekend en door dat geloof wordt niet meer beleden wat in de belijdenis werd neergelegd in onderworpeniieid aan het vaste Woord des Heeren.
En dit nu moet er wel degelijk zijn. Maar dan zijn de belijdenis en het belijden ook ten nauwste met elkaar verbonden. Terwijl verandering maar niet aangebracht kan worden of aanvulling zou kunnen plaats vinden door ieder, wie dan ook, neen, maar alleen door Gods Kerk, die haar geloof vindt uitgedrukt in deze belijdenis en rond deze belijdenis vergaderd is in enigheid des waren geloofs.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's