GISBERTUS VOETIUS I
De man, wiens naam hierboven staat, is wel de bekendste van de groep, die we bespreken. We zullen niet zo ver gaan met te zeggen, dat Voetius zo ongeveer de hele Nadere Reformatie is. Maar deze laatste is zonder hem toch wel heel moeilijk te verstaan.
Voetius is oud geworden: 87 jaar. Hij zag velen komen en gaan, vrienden en bestrijders. Heel hard heeft hij de franse overheersing van 1672 gevonden : de Domkerk van Utrecht weer in roomse handen; Van Lodenstein als gijzelaar meegevoerd; een toestand, die men immers pleegt te stempelen met de woorden : radeloos, redeloos, reddeloos. Maar hij mocht toch de kentering na deze harde tijd beleven en hield weer de eerste preek in de , , gezuiverde" Dom.
We spreken hier al gedurig van Utrecht, waar hij de laatste 40 jaar van zijn leven gewoond heeft, waar hij ook overleed en waar hij, in de nu weer roomse Catharijnekerk (met Koelman) ligt begraven. Maar Voetius is er niet geboren. Hij is afkomstig uit Heusden, waar hij later een paar jaar predikant was, een profeet, dan toch wél geëerd in eigen land. Hij is geboren in 1589. Dus zowat midden in de 80-jarige oorlog. Die heeft hem nog gevoelig geraakt : Vader's vroege dood werd door die oorlog veroorzaakt. Hoewel de familie van goede afkomst was, heeft dat de gezinslasten van Voetius' moeder toch wel te zwaar gemaakt. De regering van Heusden zag er een erezaak in, Gisbertus op haar kosten te laten studeren. Daar hij de studie der theologie had gekozen, betekende dat, dat hij te Leiden moest studeren, - daar Utrecht immers pas in 1636 haar hogeschool zou krijgen (met Voetius als eerste hoogleraar !)
Die gang naar Leiden heeft Voetius ten dele wel gesmaakt. Hij had veel goeds gehoord van Franciscus Gomarus, die hoogleraar was in de Leidse theologische faculteit. Intuïtief voelde zich Voetius tot hem aangetrokken en heeft zich dankbaar zijn leerling genoemd. Toch is er nog wel enig verschil tussen Gomarus en de volgroeide Voetius. Het piëtisch ideaal van de laatste werd door de eerste, zo goed als door al de Zuidnederlanders en Fransen (Taffin uitgezonderd en een heel enkele andere) niet gedeeld. Ook inzake de sabbath lopen de opvattingen wat uiteen. Maar ondanks dat alles horen ze toch samen.
Even intuïtief en instinctief als Voetius zich tot Gomarus voelt aangetrokken, even spontaan voelt hij zich afgestoten door Petrus Bertius, vriend van Arminius en wat later openbaar als één der voorvechters der remonstranten.
Zij, die een beurs genoten, woonden samen in het z.g. Statencollege. Aan het hoofd, daarvan stond een regent en dat was in Voetius' dagen de genoemde Bertius. Die was half hoogleraar, half, wat wij , , repetitor" noemen, d.w.z. bestemd, om de studenten zoveel mogelijk te trainen.
Bertius is stellig wel een kundig man geweest. Maar tact was even zeker zijn sterke zijde niet. En we nemen daarbij graag aan, dat de kleine student uit Heusden, die zo hoog met Gomarus weg liep en aan diens oordeel anderer uitspraken afmat, de regent ook wel een beetje uitgedaagd heeft. Het kwam tot een harde botsing en Voetius werd uit het Statencollege verbannen. Daar ligt een persoonlijke wrok in, maar ook wel een eerste symptoom van de komende botsing van remonstranten en contraremonstranten. Als Bertius hier de eerste ronde gewonnen heeft, dan wint Voetius na 1619 de tweede : de Dordtse Synode, waarvan ook Voetius lid is, zet Bertius buiten werk en ambt. Maar Voetius, die zo door de achterdeur van het Statencollege wordt verjaagd, treedt spoedig als vrij student de voordeur van de Universiteit weer binnen. Hij studeert breed en diep, maar toch vlot en wordt, 22 jaar oud, predikant in Vlijmen en Engelen (in Nd. Brabant). Daar staat hij 6 jaar en verhuist dan naar Heusden.
We merken, dat men hem in die jaren langzaam maar zeker is gaan ontdekken.
Hij was van postuur klein en nietig, naar karakter bescheiden en dus een man, die heel licht in kerk en samenleving wordt vergeten. Wat Samuel immers deed, toen hij de Koning over Israël moest gaan zalven, is na de scherpe afkeuring, die de Heere daarover uitsprak, nog allesbehalve zeldzaam, ook onder ons. Wij letten zo vaak toch meer op postuur en , .vrijmoedigheid" en allerlei uiterlijks, dan dat wij het hart aanmerken. En daardoor leeft nog wel menige , , Voetius" onder ons, vergeten en miskend, terwijl men zeer onkritisch en ongeestelijk kan oordelen over de , , talenten" van hen, die dan meer in het oog springen.
Het zal Voetius stellig wel eens gestoken hebben, dat hij, een man van onmiskenbare diepgang, eerst aan de kant bleef staan. Maar, zoals gezegd: het licht kon op de duur niet onder de korenmaat blijven. Naarmate de dagen van , , Dordt" naderen, wordt Voetius vertrouwensman van de contra-remonstranten. Z'n classis erkent hem wel degelijk, want stellig door haar steun zien we hem, als 29-jarige jongeman, op de synode van Dordt, waar hij zich nog bescheiden op de achtergrond houdt.
Een tijdlang dient hij in 1629 als veldprediker onder Frederik Hendrik, ook dat is al 'n oud ambt. Een tijdlang wordt hij dan , , uitgeleend" aan Den Bosch, om de gemeente wat voort te helpen. De beroepen komen los, en hier zeggen we met overtuiging : Die eren de beroepene zogoed als de beroepende gemeenten. Voetius blijft intussen , , honkvast". Hij helpt allerlei , , dolerende" gemeenten, allerlei groepen van , , Slijkgeuzen" {mensen, die 's winters door de modder heen moeten om niet tegen hun geweten in ter kerk te gaan), maar werkt zoveel hij kan aan z'n eigen gemeente én op de studeerkamer. En langzamerhand dringt het in het land door, dat dit , , stille water" van Heusden een vaste en diepe grond heeft. In 1634 zoekt men in Utrecht een eerste hoogleraar voor de op te richten Hogeschool. Hij zal aanvankelijk alleen een hele theologische faculteit uitmaken en alle vakken onderwijzen en, alsof dat nóg niet genoeg was, er ook nog de oosterse talen bijnemen.
Daar zal dan wel een ware Goliath voor nodig zijn? Neen, daartoe kiest men de kleine dominee van Heusden, die met z'n tengere figuur niet - aanstonds doet vermoeden, dat hij een , , binnenvetter" is.
In 1636 houdt Voetius in de Domkerk zijn intreerede. Hij is beroemd geworden : Vroomheid voorwaarde voor wetenschap. Vermoedelijk stelt de lezing ervan u wel iets teleur. Het is n.l. geen vakrede, zoals dat tegenwoordig het geval is. Het is meer een preek, waarin de academiezaken zo goed het gaat zijn verwerkt.
Het beeld, dat Voetius van de studenten van zijn tijd tekent, is zeer donker. En Voetius ziet de wortel van het kwaad niet in het verstand liggen, maar in het hart, als levenscentrum. Vandaar zijn appèl aan zijn studenten, waarbij hij ze op het hart bindt, dat hart en hoofd, kennis en een geloof, dat heiligt, moeten samengaan.
Allerlei boze machten ziet hij opdoemen : epicureïsme en atheïsme, ja, de anti-christ zelf. Vandaar z'n besluit: alleen als we innerlijk onderwezen zijn door de Heilige Geest, kunnen we vast staan. Dan staat de academische leerstoel wel op aarde, maar de Leermeester is van de Hemel!
Ongeveer 40 jaar heeft Voetius het hoogleraarsambt bekleed. Er was in die oude tijd geen leeftijdsgrens : mien hield vol, tot het helemaal niet meer ging. Dit academisch pad was wel met rozen omtuind, maar de doornen hebben niet ontbroken! In het begin was Voetius alleen werkzaam. Dan krijgt hij hulp van een paar geestverwanten, zoals Hoornbeek, Essenuis e.a. Maar de uitbouw van de academie gaat voort en dan komt er al meer verschil openbaar. Twistappel zal dan vooral zijn de wijsbegeerte van Descartes, waarin de moderne tijd zich aandient. Ze betekent een sterke overschatting van het verstand en van de cultuur en daarmee overeenkomstig een zich afwenden van de vragen van het hart en die der eeuwigheid. Het is boeiend, Voetius de strijd daartegen te zien opnemen. Het is echter ook verdrietig en zelfs beschamend. In zijn verbittering en bezorgdheid heeft Voetius n.l. niet altijd met open vizier gestreden en b.v. zijn leerling Schoock aangezet tegen Descartes te gaan schrijven, terwijl hij daarna loochende, daarvan te weten. En we verwonderen ons ook niet, dat Voetius in deze strijd geen overwinnaar bleef. Want de wapenen, die hij voerde, waren van vreemde makelij en niet alleen die uit de wapenkamer van Efezen 6. Descartes en zijn aanhangers wilden breken met het gezag van de wijsbegeerte van Aristoteles, waaraan Voetius vasthield, alsof z'n leven ervan afhing. Hij schatte Aristoteles zeer hoog, noemt hem een wonder der natuur, de adelaar onder de filosofen. Hij kon toch weten dat juist in de , , praktijk der godzaligheid", die hij door Descartes bedreigd zag, ook van Aristoteles niets goeds was te verwachten. Voetius strijdt tegen verstandelijkheid en ongebrokenheid. Dan had hij ook tegen Aristoteles moeten strijden, want die is daarin geen haar van Descartes verschillend. Het moet ons wel zeer verbazen, dat de Hervorming, zeg Luther en Calvijn, die beide op zeer diepe, religieuze, , , bevindelijke" wijze met de roomse kerk hebben gebroken, daarmee meteen aan de optimistische, griekse wijsbegeerte, die in de roomse kerk zo sterk gangbaar is, haar congé hebben gegeven, terwijl Voetius toch wel in diepe zin geestverwant van die twee, daar toch weer zó kan zweren bij die door hen afgezworen filosofie. We hebben daarover hier een enkel eerste woord gezegd, maar het laatste woord over deze verwonderlijke, onnatuurlijke zaak is nog lang niet gesproken. Men heeft Voetius en de zijnen wel van half-roomse praktijken beschuldigd, denk aan hun voorliefde voor vasten, zwijgen en eenzaamheid. We hebben de overtuiging, dat daarin werkelijk geen roomse besmetting ligt, maar dat deze zaken hier op zeer gereformeerde wijze worden bedoeld. Maar de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat het meeslepen van een door de Hervorming afgedane griekse, heidense wijsbegeerte, voor de Nadere Reformatie het meeslepen van zware, onnutte ballast heeft betekend, die haar eigenlijk program in de weg heeft gestaan. Amesius zag hierin veel scherper en wilde los van Aristoteles. Van Lodenstein heeft naar ons besef Voetius beter begrepen, dan die zichzelf verstaan heeft. Want Van Lodenstein volgt wél in de , , praktijk der godzaligheid" Voetius' mystieke kant, maar de wijsgerige, , aan Aristoteles ontleende verstandelijke overleggingen heeft hij kunnen missen.
Deze strijd tegen , , de nieuwe filosofie" heeft Voetius veel verdriet bezorgd en geen overwinning. Op andere terreinen was hij meer in zijn kracht. Krachtige polemiek heeft hij tegen de roomse kerk gevoerd, waarvan o.i. nog veel te weinig nota is genomen. Hij streed met name tegen het kunstmatig in het leven houden van oude roomse gebruiken, zoals de Kapittels van Utrecht en de Bossche Broederschap. De remonstranten heeft hij op een fraaie manier geantwoord. Bij monde van Tilenus zeiden die: Het gereformeerd geloof is fatalisme, het doodt de vroomheid. Daarop antwoordt Voetius in zijn boekje : Proeve van de kracht der godzaligheid. Tegen de staatsoverheersing in de kerk heeft Voetius krachtig geprotesteerd en in verband daarmee tegen misbruik en roof van kerkegoed door de regenten. Triest, dat zijn ambtgenoot en mede- -gereformeerde Maresius in Groningen, naar ons besef sterk door afgunst bewogen, daarin tegenover hem stond. Zijn strijd tegen de Coccejanen is wel het meest , , populair". Deze ging niet tegen het Verbond als zodanig — integendeel — maar tegen de uitholling van het Verbond, die hij bij Coccejus zag.
Ziedaar een kleine schets van Voetius' leven. Hij heeft dat, als opdracht en als geschenk, dapper geleefd. Maar moet het ontbonden worden om met Christus te zijn toch tenslotte wel verreweg het beste hebben gevonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's