De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN RIJKE TROOST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN RIJKE TROOST

6 minuten leestijd

En schrijft aan de engel der gemeente van die van Smyrna. Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weder levend is geworden. Openb. 2 : 8a

Ook aan Smyrna moest Johannes, die op Patmos in ballingschap zit, een brief schrijven. En deze stad was rijk begenadigd, want in haar woonde een gemeente van Christus, die deel had aan de zalfolie van de Heilige Geest. Maar dit voorrecht is geen waarborg voor uitwendige welvaart. Het is vaak juist in de weg der tegenspoed, dat de Heere zijn volk tot lichten maakt. En nu is er voor Smyrna een moeilijke weg bestemd. Er waren verdrukkingen geweest, er zouden nog verdrukkingen komen. Daarvan spreekt de Heere in deze brief, maar Hij doet 't op zodanige wijze, dat dit schrijven voor deze gemeente een bron van troost is.

Reeds het opschrift, reeds de aanduiding van de afzender gewaagt daarvan : . Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weer levend geworden. Christus vestigt daarmee dus het oog op zichzelf, omdat Hij alleen alle zorgen en moeiten met Zichzelf kan goed maken.

Daarom zegt Hij ook hier: Ik ben de eerste en de laatste. Op Zijn onveranderlijkheid en getrouwheid vestigt Hij de aandacht. Degene, die begon is dezelfde die voltooit. Hij was over hen gekomen met de onwederstandelijke werking van de Heilige Geest. Toen waren ze voor Hem neergevallen. Hij was de eerste geweest. Maar Hij zou ook de laatste zijn. Die uit de klauwen van de Satan en hel kon uithalen, zou ook de machtige blijken om Zijn volk te bewaren. Het is dan ook een bijzondere troost, dat Smyrna die uit de aanhef van de brief vernemen mag : Ik, de Heere, ben de Almachtige, die niet varen laat het werk Mijner handen. Tegenover het geweld, dat aanstormt, was het nodig dit te weten.

Ik ben de eerste en de laatste, de onveranderlijke. Maar nu kan de vraag wel eens opkomen : zou de Heere wel willen bewaren, daar wij het zo verbeurd hebben ? Zeker, het is waar, dat de gemeente van Smyrna een licht was, maar dat zal ook daarin bestaan hebben, dat zij zich van eigen onwaardigheid bewust was en al haar eigen denkbeeldige gerechtigheid voor God geheel en al verwerpt. Maar nu zegt de Heere: Ik ben, die Ik ben. Die Ik kom opzoeken in hun dood, zal Ik waarlijk niet verlaten, ook als zij bewijzen, dat ze naar het vlees nog midden in de dood liggen.

Welk een voorrecht voor allen, die deze wetenschap bij ervaring hebben, dat Christus de onveranderlijke blijft. Nu is er een vaste hoop, terwijl anders de laatste lichtstraal zou worden uitgedoofd. Wij zijn zo veranderlijk. Wij kunnen soms heden roemen, terwijl we morgen bij de pakken neerzitten. Vandaag zal het Woord ons zoet zijn en tot vertroosting der ziel wezen, maar even later kan het weer reukloos voor ons geworden zijn. Daarom hebben we tegenover onze veranderlijkheid de onveranderlijkheid van Christus nodig, die in liefde en almacht altijd Dezelfde blijft.

Die verzekering geeft de Heere hier aan Smyrna. Maar nu kan men in het gewone leven iets aanvangen zonder het te voltooien. Dat kan tweeërlei oorzaak hebben. Een zaak beginnen zonder hem af te maken kan het gevolg zijn van het feit, dat we er in feite geen hart voor hebben, dat de ware liefde er toe ontbreekt, 't Kan ook zijn oorzaak vinden in onze onmacht, onze onbekwaamheid. En nu zegt de Heere tot Smyrna : hiervan moogt ge Mij nooit verdenken: want Ik ben dood geweest en weder levend geworden. Uit die woorden stralen zijn liefde en almacht. Ja hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaren waren. O, Smyrna, zo zegt de Verheerlijkte Zaligmaker, vrijwillig uit liefde ook tot u, legde Ik mijn leven af. Zo groot was uw schuld en zo streng de eis der goddelijke gerechtigheid, dat met niet minder dan Mijn dood kon betaald worden. Ik ben het, die dood ben geweest. Ziet, hoeveel hart Ik voor u had. Aan mijn liefde behoeft ge niet te twijfelen. Welk een gedachte : dood geweest. In alle dood is Hij ingegaan om zichzelf een volk te eigenen, dat leven zou door de genade Gods.

De baren des doods zijn. over Hem heengegaan. Ziel en lichaam werden van elkander gescheurd. Hij was voor de Zijnen gesprongen in de afgrond des doods. En niemand heeft dat alles zo bewust doorleefd als de Heere Jezus. Hij heeft de ontzettende macht van de dood over zich voelen komen. Vrijwillig gaf Hij zich aan het schrikkelijk lijden van de dood, die ook daarin bestaat, dat God en mens gescheiden zijn. Dat zal de hellesmart uitmaken: eeuwig afgesneden van God. Zo heeft Hij de diepte des doods gepeild. Maar zie nu de troost, die daarin voor Gods volk is weggelegd. Nooit kan er dus een lijden bij hen zijn, of Christus heeft meerder gekend.

Daarom is het lijden, dat ook over Smyrna komen zal, maar een zwakke weerspiegeling van wat Christus leed. En omdat Hij alles persoonlijk ervaren heeft, kan Hij medelijden hebben met alle zwakheden. Wat een voorrecht voor Smyrna, dat Hij zich ook in deze woorden de medelijdende Hogepriester noemt.

Maar toch zegt Hij meer: die weder levend is geworden. Om Zijn werk te voltooien, ontbreekt de almacht niet. Ik ben de eerste, maar kan ook de laatste zijn, want Ik leef. De macht van dood en hel is omver geworpen. De macht van de dood kon Mij niet gevangen houden. De dood is verslonden tot overwinning. De banden des doods werden verbroken, de deuren van de hel ontgrendeld. De banier van de rode draak moest bujigen voor het vaandel van Vorst Immanuël.

Ik ben levend geworden. Mijn werk werd van God voldoende bevonden. Er bleef niets, zelfs geen penning nodig om te betalen. De kwijtbrief is getekend en blijft eeuwig geldig. Daarom, gemeente van Smyrna, kunt ge er staat op maken dat Ik de eerste ben, maar ook de laatste zijn zal. Ik ben levend geworden, de dood kan Mij niet meer schaden. Ziet Ik ben de Onveranderlijke en dat blijf Ik tot in eeuwigheid.

Het leven nu van deze Borg, .die leeft om voor de Zijnen te bidden en te zorgen, waarborgt het leven van heel Zijn kerk. Zo lang Zijn hart klopt en het klopt eeuwig, kan niemand van Gods kinderen oorzaak hebben te klagen : De Heere heeft mij verlaten. Zeker, zo kan het wel eens schijnen, zo zal het misschien Smyrna ook geschenen hebben, toen zij door zware zorgen werd gekweld, 't Leek wel dat zij onbeschut en onverzorgd was gelaten. Maar in werkelijkheid is het niet zo. De Heere leeft. Zijn Herdersoog blijft waken over Zijn schapen. Zijn arm blijft uitgestrekt over de Zijnen. Daarom zullen de poorten der hel Zijn gemeente niet overweldigen.

Welk een vertroosting ligt er voor de gemeente van Smyrna in de wijze waarop de verheerlijkte Christus zich bekend maakt. Hij zal haar niet begeven noch verlaten. Dat woord mag vreugde verwekken in eén bekommerd en verslagen hart. Wat is het rijk, om Hem toe te behoren, die zegt: Ik ben de eerste en de laatste, die dood geweest is en weder levend geworden. Dan kan, maar dan ook alleen, gezongen worden :

In de grootste smarten. Blijven onze harten In de Heer' gerust.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN RIJKE TROOST

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's