De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om het wezen en welwezen der kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om het wezen en welwezen der kerk

8 minuten leestijd

Gedachtenwisseling over positie en problemen van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk, tussen dr. H. Berkhof en ds. G. Boer.

IV

Zeer geachte Collega Boer,

Inderdaad zal dit, zoals U al veronderstelde, mijn laatste brief zijn, waarna dan het laatste woord aan U zal zijn. Nog eenmaal vat ik de bedoeling van deze correspondentie in het oog : wat de Gereformeerde Bond belijdt en afwijst op zulk een wijze op tafel te krijgen, dat de stukken kunnen worden opgesteld voor een rustiger en grondiger gesprek dan tot nu toe veelal placht plaats te vinden. Dat is zeker voor een goed deel gelukt. Meer durf ik niet te zeggen, omdat ik er zeker van ben, door bepaalde argumenten te gebruiken dan wel te verzwijgen, niet de „doorsnee-middenorthodoxie" (maar bestaat die ? ) te vertegenwoordigen, zoals ik ook aanneem, dat U op een persoonlijke wijze de zaak van de Gereformeerde Bond vertolkt. Nu ik min of meer moet samenvatten en formuleren, waar m.i. de grondvragen liggen, zal ik me moeten concentreren op wat typisch is voor onze kerkelijke situatie en de meer persoonlijke sectoren van ons gesprek ter zijde moeten laten of in dat licht moeten bezien.

Wat ik dan te zeggen heb, wil ik in drie punten onderbrengen.

1). Er is een diepgaand mentaliteitsverschil. U stelt het anders en zegt: wij verschillen over de inhoud van het geloof, omdat de andere groepen in de kerk niet de openbaring, maar de situatie van de moderne mens primair stellen. Zelf zien we dat anders. Wij geloven dat de openbaring zulk een volheid van accenten in zichzelf bezit, dat ze in haar weerspiegeling in het geloof der Gemeente, tot modaliteiten moet leiden en dat uniformiteit hier ongehoorzaamheid betekent. Wij zien, dat deze overtuiging, als ze zich in vervlakte vorm voordoet, kan leiden tot een aanpassing van de openbaring aan de moderne mens. Wij zijn u dankbaar, als u ons daarop wijst. Maar u moogt daarin ons wezen evenmin zoeken, als wij u met „lijdelijkheid" en „subjectivisme" mogen afdoen, al zult u niet ontkennen dat deze gevaren bij u dreigen.

Dat het u moeilijk valt ons hierin te begrijpen, bewijst ook uw laatste brief. U noemt de vraag „Is God er ?" ontoelaatbaar en verwijst voor het zinloze er van naar Douwes Dekker en Thomas van Aquino. Dat is juist, als de vraag beschouwelijk is bedoeld, want God heeft haar door Zijn spreken reeds beantwoord. Maar dan geldt dat evenzeer van de vraag „Hoe krijg ik een genadige God? ", waarmee tallozen in uw kring tobben. Ook deze vraag is zondig en zinloos, als ze beschouwelijk wordt gesteld. Want God is met Zijn genade ons al voorgekomen.

Maar beide vragen zijn echt en wettig, als ze uiting zijn van de aanvechting van de mens die met Gods Woord te doen krijgt. En dan houd ik vol, dat beide vormen van aanvechting schriftuurlijk zijn en dat een begrenzing van de prediking tot antwoord op slechts één van beide ongeoorloofd is.

Formuleer ik de zaak algemener, dan moet ik het zó zeggen : wij gaan op een verschillende manier met de Schrift om, of liever : wij horen haar op verschillende wijze tot ons spreken. Die tegenstelling is diep. Maar ze is niet hopeloos. In dit geding zal de Schrift zelf, waaruit wij allen zondag aan zondag preken, uitspraak doen. Dat gaat niet ineens. Men kan haar, uniformerend of moderniserend, lang van haar kracht beroven. Maar zij is niet die „wassen neus" die men naar believen draaien kan. Haar gezag is machtiger dan al onze aantastingen er van. Dat geloof verbindt de Gereformeerde Bond met ons, anderen. Dat gemeenschappelijk geloof kan en moet de grondslag zijn, waarop we in de komende jaren met elkaar over de inhoud en de accenten der Schrift hebben te spreken.

2). U schrijft over de midden-orthodoxe prediking. U wilt die naar haar beste voorbeelden beoordelen. Maar juist daarvan geldt: „Vandaag vormt een film, morgen een toneelstuk, dan weer een boek het begeleidende, zo niet het toonaangevende thema". Ik kan niet geloven, dat deze beschrijving juist is en dan nog wel voor de beste preken karakteristiek is. Mijn eigen ervaring klopt daarmee niet. Wel wordt meestal in de midden-orthodoxe en zeker in de vrijzinnige prediking breder plaats ingeruimd aan psychologische overwegingen die als een min of meer geslaagd „aanknopingspunt" fungeren, maar ze dienen in de regel slechts als voorbereiding voor een exegese van de tekst, die de verdere preek beheerst.

Op het punt der exegese en der tekst-getrouwheid is onze generatie, dunkt me, gevoeliger dan men enige decenniën geleden was. Maar daarom gaat het mij nu niet. U constateert dan („niet met leedvermaak, maar uit de ontstellende praktijk") dat deze niet-gereformeerde preektrant bevordert, dat de kerk haar greep op de massa verliest. Ook over deze feiten denk ik anders. Ik geloof, dat de door u bedoelde preektrant zoal niet een apostolaire, dan toch een gewichtige bewarende functie heeft gehad, b.v. ten opzichte van de jeugd, ook van die uit uw kring. Maar ook daarom gaat het mij nu niet.

Laat dit alles zo zijn, dan komt dat toch bij onze collegae voort uit een sterke begeerte om de steeds breder wordende rand te bereiken en met dit Evangelie de geseculariseerde straat op te gaan. Laten ze het helemaal fout doen en laat het middel erger zijn dan de kwaal. Dan zeg ik nog : Deze begeerte zelf is uit God. En dan vraag ik : hoe staat het met die begeerte in uw kring ? Ik generaliseer niet. Ik ken bij u mensen, die ook in het apostolaat voor de anderen niet onder doen. Maar zeer vele Gereformeerde-bonds-kerkeraden maken de indruk, zich om de rand- en buitenkerkelijken in hun gemeente niet te bekommeren en ook van de leiding heeft men het gevoel, dat deze nog weinig heeft nagedacht over de achtergronden van het gewichtigste verschijnsel van onze tijd : de secularisatie. Toegegeven : de anderen zijn er niet uit. Maar is de Gereformeerde Bond er al in ? Veel watervrees voor „de Bond" heeft niets met „vijandschap tegen de Waarheid" van doen, maar komt voort uit de angst, dat deze de kern der gemeente tot geïntroverteerde en geïsoleerde groep wil maken, in plaats van een licht op de kandelaar. Wij moeten veel meer dan tot nu toe voor Gods aangezicht ernst gaan maken met uw verwijten aan ons. Maar sluit u zich dan niet af voor wat tegenover u onze diepste verontrusting is. Laten wij toch trachten van elkaar te leren en ons door elkaar tot nieuwe gehoorzaamheid aan het Woord Gods te laten oproepen. We komen dan elk in voortgaande zelfkritiek dichter bij de Heer en zullen dan tot onze verrassing bemerken, dat we daardoor (en alléén daardoor) ook dichter bij elkaar zijn gekomen.

3). Tenslotte nog een woordje over de praktijk. Natuurlijk zijn we in zekere zin met niets anders bezig geweest. Toch had ik uit wat u in uw laatste brief over de prediking schrijft, , de indruk, dat u daar het gevaar loopt om de diepste bedoelingen van de Gereformeerde Bond met twijfelachtige praktijken van de anderen te vergelijken. Zo'n strijd is bij voorbaat gewonnen. Dat bedoelt u zeker niet. Maar hier ligt een zeer gevoelig punt. Velen, die zich midden-orthodox zouden noemen, zullen in hoge mate met uw bedoelingen mee kunnen gaan. Vraagt men hen, waarom ze afkerig zijn van de Gereformeerde Bond, dan noemen ze heel andere dingen, dan wij aan de orde hebben gesteld. Dan gaat het over preeklengte, preektoon, psalmen en gezangen, tale Kanaans, kerkelijke machtspolitiek, politieke keuze, sociaal klimaat, levensstijl, aard van het jeugdwerk en dgl. Ik heb geen zin in krasse voorbeelden. U kent ze trouwens ook en zult antwoorden : dat zijn uitwassen of secundaire kwesties. Ik ben het met u eens. Maar waarom wordt dat aan de anderen zo weinig duidelijk? Waarom horen wij zelden of nooit de tonen der gezonde zelfkritiek, b.v. in uw pers ? Ik weet, dat die gezonde zelfkritiek er ook bij u is. Maar ik speur overal de angst, dat de buitenstaanders deze toon zullen horen en er met leedvermaak op zullen reageren. Laat men toch eens van die angst afkomen ' Het omgekeerde zou immers gebeuren : op deze wijze zou bij de anderen openheid, vertrouwen en een nieuw luisteren worden gewekt. Want van de kant der anderen liggen de dingen vaak juist in die zeer praktische, niet-principiële sfeer. Zij beschouwen als principe's wat voor u geen principe's zijn en onthouden zich daarom de toegang tot datgene waarom het u eigenlijk gaat. Het ingaan op al deze dingen is in een briefwisseling als de onze niet mogelijk. Maar vooral op plaatselijk vlak zal juist 't gesprek over de „non-theological factors" openhartig en deemoedig moeten worden gevoerd. Ziedaar, wat ik als lijnen uit onze discussie wilde trekken naar de gesprekken, die in onze kerk dringend nodig zijn. Ik dank u hartelijk voor uw heldere en openhartige brieven en zie uw afsluitend woord met belangstelling tegemoet. Het zal uw bede zijn, gelijk het de mijne is, dat deze gedachtenwisseling daartoe mag dienen, dat wij ons aan de waarheid houdende, in liefde naar Hem toe groeien, die het Hoofd is. Dan komt het vanzelf goed met de gemeente, zijn lichaam.

Met hartelijke dank en groet, uw

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Om het wezen en welwezen der kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's