De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het overgeleverd geloof II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het overgeleverd geloof II

17 minuten leestijd

Rede van Ds. Jac, Vermaas gehouden 18 april 1956 in „Tivoli" te Utrecht

Wie in ons kerkelijk leven geen vreemdeling is weet, dat na de Dordtse Synode tot nu toe de heerschappij van het profetische Woord en het daarmee samenhangende gezag der belijdenis, veelszins niet werd erkend. Binnen het geheel van de Hervormde kerk zien we, oude ketterijen in nieuw gewaad opkomen. Leringen, die elkander volkomen uitsluiten, worden den volke verkondigd. Denk maar aan wat er gezegd wordt en verkondigd wordt over de Heilige Schrift, over de Christus, over de verzoening, over de verkiezing. De meest vitale delen der Schrift worden aangetast, ontkend, verloochend. De Heilige Schrift zou een menselijk getuigenis zijn aangaande de openbaring, vol fouten over heel de linie. De maagdelijke geboorte van Christus, Zijn verzoenend lijden en sterven door voldoening, Zijn lichamelijke opstanding wer­den en worden geloochend. De Drieëenheid wordt in de discussie betrokken. En zo kunnen we maar doorgaan.

We hebben u juist dit alles gezegd, om u te laten zien waarom de Geref. Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid in de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk werd opgericht en deze nog, helaas, bestaansrecht heeft in het midden van de Hervormde Kerk. Deze Bond is niet opgericht om een soort „partij" te stichten in de Kerk. Van méér dan één kant wordt deze beschuldiging geuit, ook wanneer men beter kan weten. Ik ben mij ervan bewust, dat het vaak moeilijk is, om, althans voor het oog van de buitenstaander, geen partij te zijn en te willen zijn. En toch is dit het geval, We beogen geen partij en geen partijmacht. We hebben niet het doel om zo gezegd als partij de macht in handen te krijgen of enkele van "onze" mensen met de kerkelijke „macht" te zien bekleed.

De Bond is ook niet opgericht omdat we zo graag organiseren en al maar weer organiseren. Ik geloof, dat juist de organisatie zeker niet de sterkste kant geweest is van de Bond.

Het doel is niet, om deze organisatie anderen zo mogelijk dwingend op te leggen. Neen, we zijn ons wel degelijk ervan bewust dat we met organisaties op het terrein der Kerk zeer voorzichtig moeten zijn.

Maar hier gold het bij de oprichters en hier geldt het ook nu nog: de nood is ons opgelegd. Het gaat nergens anders om dan om het geloof, dat de heiligen is overgeleverd. En het gaat om dat geloof-niet maar voor een klein stukje van het kerkelijk leven en voor een bepaalde groep gemeenten. Het gaat om dat overgeleverde geloof voor de gehele Hervormde Kerk. Het gaat in die gehele Hervormde Kerk ons niet om de heerschappij van mensen, om Geref. Bondsheerschappij, het gaat om de heerschappij van het Woord Gods voor allen, en om het leven naar de belijdenis der Kerk, de belijdenis, die er nog altijd is en beleden wordt. Het gaat om het gezag der Schriften en om het gezag der belijdenis. We erkennen wel degelijk, dat de belijdenis nog invloed heeft. We weten, dat het geloof, dat in deze belijdenis spreekt, ook nóg getuigt, belijdt, in het midden van onze Kerk. Maar dit geloof spreekt niet alléén en getuigt niet alléén, 't Mag er zo gezegd ook zijn als een stem in het , , veelstemmig lied, dat gezongen wordt in de Kerk", een lied, waarin dan intussen de scherpste dissonanten worden gehoord. Maar deze belijdenis heeft geen gezag in het geheel van het kerkelijk leven. En dat dit gezag er v/eer zijn zal, in onderworpenheid aan het absolute gezag van 'het Woord Gods, daar gaat het' om. Dat geldt over de gehele linie voor ons en voor de ander, voor de ander en voor ons — opdat zó de Kerk uit haar verwording worde opgericht en staan zal als een pilaar en vastigheid der Waarheid in het midden van ons volk. Als we letten op de ontrouw, het ongeloof, de leugen, de verloochening van de Waarheid Gods, alle eeuwen door, ook nu, dan wordt het nog zijn van de Kerk ons steeds een groter wonder Gods,

En wat zal alle , , nieuws", alles wat , , anders" is, maar dat afwijkt van de Heilige 'Schrift en de belijdenis ondermijijt, tenslotte anders baren dan teleurstelling, verwarring, duistenis en ondergang, wanneer we ons daaraan onderwerpen. Vandaar worden wij geroepen door Judas om te strijden voor het overgeleverde geloof. Met de belijdenis, dat ook hier alles van de Heere verwacht moet worden, van Zijn genade, van Zijn Geest, hebben we te bedenken dat de Levende God in Zijn wondere genade ook hier mensen gebruikt en gebruiken wil en ons van Zijnentwege een taak schenkt in het kerkelijk leven. Want in dat kerkelijk leven is het waarlijk niet zo bemoedigend. We kunnen ons heel goed vinden in wat ds. Kievit daarover zei op een Bondsdag van onze jeugd : Het kerkelijk leven stond eertijds in het midden, nu toeft het aan de rand van het moderne leven. Het werkelijke leven heeft voor heel velen niets meer met de Kerk te maken. Daarbij denk ik ook aan kerkelijke mensen. Het leven verslindt hen met huid en haar, het maatschappelijk leven, het politieke leven, het amusementsleven. Wie houdt hoofd en hart vrij voor het kerkelijk leven ? . .. . Daar komt bij, dat de geest dezer eeuw geen halt maakt bij het huis der Kerk; hij dringt er binnen! De matheid heeft zich als een klamme mist over het hedendaagse leven gelegd. Dat bevreemdt ons niet, we zijn beu van alles, er viel te veel te beleven aan ellende en leed, haat en strijd. Wat we vragen, is wat vrede en wat vertier. Het levensgevoel is niet moedig, het is moede en de jacht naar het amusement misleide ons niet; die jacht is er veeleer een teken van. Zou dit gevoel zich ook in het kerkelijk leven niet wreken? We zijn ook daar kinderen van onze tijd. We moeten dat erkennen, om er ons tegen te kunnen verweren!

Maar als erger wordt nog gesignaleerd, dat de geest van de tijd blijde wordt ingehaald als een bevrijdende geest. Eindelijk krijgen we de ruimte in ons kerkelijk leven. Een wereldse inflatie en deformatie wordt als Christelijke vrijheid verdedigd en bejubeld. Zo wordt de verwereldlijking in de hand gewerkt. Wat ons hiertegenover past is een grote terughoudendheid, een zekere bekrompenheid, zoals men dat noemt. Er staat te veel op het spel; langs dit hellend vlak glijdt het kerkelijk leven weg (Zie referaten Bondsdag 1952).

Inderdaad, zo moet het wel gaan als de strengen van Schrift en belijdenis zijn en worden losgemaakt.

Daarom smart bet ons diep, dat de kerkelijke situatie ook heden ten dage zó is, dat de Geref. Bond er moet zijn en niet mag worden opgeheven.

En het verheugt ons, maar dan met beving, dat God de Heere de Gereformeerde Bond gedurende 50 jaar heeft laten bestaan en heeft laten werken.

***

't Is allerminst een tijd, dat we op eventuele lauweren zouden gaan rusten en met voldoening zouden kunnen zeggen : Ziezo, dat is gebeurd. Het is geschied. We hebben het doel bereikt.

We worden ook op deze dag tot vernieuwde strijd geroepen.

Een strijd in onderworpenheid aan het Woord, niet voor eigen standje, maar voor het geheel der kerk, tot verheerlijking van Gods Naam.

Waar de fronten liggen, kan u, uit wat we gezegd hebben, duidelijk zijn.

We hebben de geesten te onderkennen. En de geesten, in welk schoon gewaad ook gehuld, die niet uit God zijn, hebben we met het zwaard des Geestes, dat is, met het Woord, te bestrijden. Overal waar we daartoe maar enigszins in staat zijn. We zullen ons daarbij onze gereformeerde belijdenis niet hebben te schamen. Tenslotte heeft alleen deze belijdenis recht in onze Hervormde kerk. En wat dunkt u, zou ons gehele volk daarmee niet het meest gebaat zijn, met het herstel onzer Hervormde kerk, zó, dat naar Schrift en belijdenis werd geleefd en gehandeld?

Hier ligt een geweldige roeping, juist voor de Gereformeerde Bond, voor allen die de gereformeerde belijdenis zeggen lief te hebben. Bij de gecompliceerdheid van het kerkelijk vraagstuk belijden we toch van harte dat terugkeer uit het slop, waarin we gekomen zijn, onder de heerschappij des Woords naar de belijdenis onzer kerk, voorwaarde is voor gezondwording van het kerkelijk leven. Hier ligt voor ons allen een taak. Inzonderheid mag ik wijzen op de roeping van de predikanten om met woord en daad, in getrouwheid in de gemeente bezig te zijn, in al het ons aanbevolen werk. Om met de gemeente te worstelen aan de troon der genade om waarachtig leven des geloofs, om de doorbraak des Geestes, en ook om van de Heere des oogstes af te smeken arbeiders, dienaren des Woords, voor de vele vacante plaatsen, die er nog steeds zijn. Geldelijke bijdragen worden ten zeerste gewaardeerd, en zijn onmisbaar, maar ze zijn niet alles en zelfs niet het eerste. Het eerste is dat we onze roeping verstaan in het geheel van onze Hervormde kerk en dat we naar deze roeping handelen in onze gemeenten. Als - we in de Hervormde kerk blijven, dan ligt daaraan toch het geloof ten grondslag, dat we in 't midden van deze kerk deze roeping en taak van Godswege hebben. We denken daarbij aan onze jongere predikanten, die nu in de problematiek van deze tijd en van het kerkelijk leven nog maar kort als dienaren des Woords hun arbeid zijn begonnen. Het gevaar is er om mee getrokken te worden in bewegingen die, beslist niet de kerk als gereformeerde kerk kunnen en willen herstellen. Anderzijds dreigt het gevaar van traditionalisme en verstarring. We kunnen ons kerkelijk zo gedragen dat wij aanleiding geven dat anderen ons als partij of wilt ge als secte typeren. Temidden van dit alles hebt ge te staan in de juiste Schriftuurlijke, gereformeerde kerkelijke houding met 't oog op het geheel der Hervormde kerk en haar taak in ons volksleven. In de eerste plaats is daarvoor nodig met volharding de Schrift te onderzoeken en in te duiken in de schat der kerk, ons overgeleverd in de gereformeerde belijdenisgeschriften.

Er moet gestudeerd worden om de dwalingen te onderkennen en de rechte weg te zien en te bewandelen. Wel toegerust, biddend en studerend hebben we de gemeenten te leiden. De gemeenten moeten door deze arbeid zó worden geleid en gebouwd, dat ze bekwaam zijn om te doen wat ze naar haar roeping doen moeten in de kerk en in de wereld. We zouden willen zeggen: doe wat uw hand vindt om te doen om van uw gemeente te maken een Geneve. Vanzelf betrekken we daarbij zeer in het bizonder onze kerkeraden, onze ouderlingen en diakenen. We mogen geen ogenblik vrede hebben met de toestand, waarin eigen gemeenten en de hele Hervormde kerk zich bevinden. Hierover moet heilige onrust en bewogenheid zijn. Als we belijden gereformeerd te zijn dan wil dit nog al wat zeggen in verband ook met onze taak in 't geheel van de Hervormde kerk. Als God in de Reformatie Zijn Woord weer op de kandelaar plaatst, dan wilde God mannen gebruiken om met dat Woord te kloppen en te blijven kloppen op alle deuren.

Zo moet het ook nu zijn. We doen met dat Woord en met het gereformeerd belijden een appèl op onze synode. Een beroep op al onze kerkelijke vergaderingen en commissies. Als één man hebben we op te staan in heilige ernst en met gelouterde geestdrift, aangegord met kracht van boven — niet, om vanuit de verte slechts kritische pijlen af te schieten op alles en nog wat, neen, maar om wat we begeren te zijn, als het geweten der kerk allen op te roepen tot waarachtige bekering. En allen, die in de eerste plaats daartoe geroepen zijn, van Godswege voor te houden dat middelen en wegen gezocht worden dat de Hervormde kerk zich weer ga openbaren naar de Schrift als Gereformeerde Kerk in deze landen. Als we daarover diep bewogen zijn en velen met ons bewogen worden, dan is dat rijke winst.

't Is geen wonder dat Jezus weent als Hij Jeruzalem binnenrijdt.

Geen wonder, dat Hij over Jeruzalem het oordeel Gods ziet komen.

Zo straks moet Hij de tempel reinigen. Ze hebben het huis Zijns Vaders tot een huis van koophandel, tot een moordenaarskuil gemaakt. Als het zo met de priesters staat, hoe moet het dan met het volk wel niet gesteld zijn ?

Wat zal een kerk, die tegen zichzelf verdeeld blijft, het volk hebben te zeggen en te geven ? Hoe zal deze kerk een dam kunnen opwerpen tegen ongeloof en revolutie, tegen de ontkerstening van het volksleven ? Met welke banden moet het volk gebonden worden als in de kerk zelf de banden des Heeren, waarmee Hij ons tot ons heil bindt, worden afgeworpen? Dan baat geen enkel geneesmiddel meer. Die kerk kan het meest het volk ten zegen zijn, die zich diep buigt voor haar Heere en Koning, die Zijn juk op zich neemt en in onderworpenheid aan het Woord van Christus hun arbeid verricht. Daarom hebben we bij het herstel der kerk ook het geheel van het volksleven op 't oog. Om ook dat te brengen, met al wat er in beweegt en leeft, onder het beslag van Christus en onder de staf van Zijn Getuigenis. Maar dan zal ook in 't geheel van de Kerk alles weer moeten zijn naar dat Woord en de belijdenis. De prediking, de catechese, de zending, de evangelisatie en noem maar verder op. Laten we de prediking nog eens bijzonder mogen onderstrepen, vanwege haar hoog belang. Van meet af aan is ook dit door de Gereformeerde Bond ingezien. En onder Gods zegen mocht, mede door de financiële steun van de Gereformeerde Bond, niet minder dan een tweehonderdtal jonge mensen zich bekwamen om als dienaar des Woords in Gods Koninkrijk te arbeiden en de rijkdom der Schrift, Wet en Evangelie beide, naar Gereformeerde belijdenis uit te dragen.

We roepen elkander op, broeders, om met deze arbeid, in dezelfde lijn, met verdubbelde kracht en toewijding, met onderkenning en inachtneming van de huidige situatie, voor te gaan. Om te blijven strijden voor het overgeleverd geloof.

Maar hoe zullen we dat alleen, op de rechte wijze, wettig kunnen doen?

***

Het antwoord hierop willen wij met diepe ernst in uw midden neerleggen. Groen van Prinsterer noemt in zijn , , Ongeloof en revolutie" enkele oorzaken, waardoor zijns inziens de kracht der reformatie in Europa spoedig werd gebroken. Het kostelijk erfgoed der reformatie is niet getrouw, er uit levend in ware eenheid, bewaard. Hij wijst er op, dat het Protestantisme zich spoedig in vele onderlinge twisten heeft verloren. Als we nu rondzien, moet ons hart wel breken van smart over zoveel splitsing en verdeeldheid. Verdeeldheid óok onder degenen, die de Gereformeerde belijdenis zeggen lief te hebben. Met allen, die Gods Waarheid liefhebben in en buiten onze Hervormde Kerk, gevoelen we ons nauw verbonden. We zouden tot hen, die buiten de Hervormde Kerk staan, willen zeggen : Broeders, onze strijd kan u niet onverschillig zijn en mag u niet onbewogen laten. Tenslotte gaat het hier ook mede om uw zaak. Daarom roepen wij u op mee te worstelen en mee te bidden. Wil het kerkelijk vraagstuk ooit een goede oplossing vinden in ons vaderland, dat zal hiervoor toch zeker nodig zijn de redding uit de nood, waarin de Hervormde Kerk zich bevindt.

Daarom doen we een ernstig beroep, inzonderheid op die kerkformaties, die de Gereformeerde belijdenis de hare noemen. Laat er onder u aangrijpende bewogenheid zijn en verontrusting over de voortgaande scheiding en versplintering. Laat er onder u bezinning zijn over de oorzaken, welke hiertoe leiden. Als we sommige briefwisselingen lezen om eikaars standpunt uiteen te zetten, te verdedigen en te handhaven, dan kan dit soms vermoeiend werken en moedeloos maken. Zou er geen dringende noodzaak zijn, dat u allen dag en nacht bezig bent om de geslagen breuken te helen en voor Gods Aangezicht, in gemeenschapelijk buigen voor de Koning der Kerk, elkaar te zoeken en te vinden in waarheid en enigheid des geloofs ?

De Rechter staat voor de deur. De wereld is een vulkaan. De volkeren kennen niet de enige troost in leven en sterven. Temidden van dit alles belijden wij toch een boodschap te hebben, die door niets in diepte en rijkdom wordt overtroffen. Wat moesten onze harten brandende en biddende zijn om deze schat, die 't mensdom meerder waard is dan 't fijnste goud op aard, uit te stallen en aan te prijzen, als één man in het midden der volkeren., Het herstel der Hervormde Kerk en de kerkelijke éénwordmg van allen, die bij elkander behoren, zou deze arbeid ongemeen bevorderen. En Gods Naam zou er in verheerlijkt worden. Een andere oorzaak noemt Groen echter nog, die we thans niet minder op 't oog hebben. Groen bedoelt de dode rechtzinnigheid. Een dode rechtzinnigheid, die in de tijden des gevaars krachteloos bleek te zijn. We hebben het dan wel over de Heilige Schrift als Gods Woord, we vechten voor Zijn heerschappij, we heffen de vaan der belijdenis omhoog, ja, maar er zit geen hart achter dat mee-gelooft en geen mond, die mee-belijdt. De Waarheid, de Schrift, de belijdenis, het wordt een leuze, een strijdkreet, maar de Waarheid wordt als 't ware als een begrip, als een systeem gehanteerd, los van de God der Waarheid, van die Christus, Die gezegd heeft: Ik ben de Waarheid, los van het leven uit Hem, die de Opgestane is, die dood en hel overwon. Wat dunkt u, zou daar niet de wondeplek zitten in ons kerkelijk leven, ook al willen we dan gereformeerd zijn?

Belijden en beleven horen nog altoos bij elkaar en moeten, wil het wél zijn, samengaan. Als dat niet zo is, dan is tenslotte onze strijd, ons werk, alles wat in dit opzicht gedaan wordt, krachteloos. Onze gemeenten zijn dan aan het versterven. We spreken dan wel over het gezag van het Woord Gods, maar we buigen zelf niet, we vernederen onszelf niet, we bekeren ons niet, we worden niet steeds minder, opdat Christus meer, ja, alles zij in ons leven, en wij gereformeerd van hart mogen zijn. Met het vaandel in de hand zijn we revolutionairen tegen God en Zijn Waarheid. En we weerstaan en bedroeven de Heilige Geest. Als wij het herstel der Kerk niet zien, als veel ons met smart vervult, laten wij dan ook vandaag niet bij de anderen blijven staan, er niet mee beginnen en er niet mee eindigen, maar laat ons hier de hand in eigen boezem steken. Zou de belijdenis niet veel meer invloed hebben, ja, haar gezag meer erkenning vinden, als allen, die zeggen deze belijdenis lief te hebben, haar van harte beleden ? Hier ligt een grote nood, een grote schuld valn ieder persoonlijk en ons allen tezamen.Het overgeleverde geloof wordt helaas zo weinig in den gelove gekend. Wat hebben we daarom van de Koning der Kerk af te bidden ? Verootmoediging, kennis ook van deze zonde en schuld, belijdenis van deze ongerechtigheid en doodheid voor Zijn Aangezicht. Een verbroken en verslagen hart, maar dat dan ook leert worstelen aan de troon der genade dat God werke, dat God ruim baan make voor Zijn Christus, dat Hij door de kracht Zijns Geestes uit en naar het Woord doe leven. We zullen dan strijden in afhankelijkheid van en in betrouwen op de Heere en Zijn Christus.

Hij mocht Zich nog ontfermen over onze Kerk en ons volk.

Want Hij is nog een God, die op ons noodgeschrei grote wonderen kan doen. Maar Hij is ook een God, Die de lauwen uit Zijn mond spuwt.

We slaan ons dus vandaag niet voldaan op de borst, we hebben niets om ons op te verheffen. We hebben in ootmoed te danken, dat God ons nog heeft willen gebruiken, dat we ook als Bond nog ipochten werken. We bidden : Heere, maak ons levend naar Uw Woord, versterk wat Gij hebt gewrocht, maak ons getrouw in het ons aanbevolen werk en gebruik ons nog in Uw wondere en vrijmachtige genade, tot lieil van Kerk en volk. Alleen dan is er verwachting.

, , Bouw de muren van Jeruzalem op, doe wèl bij Sion naar Uw welbehagen".

We begonnen met een woord, van Judas.

We willen ook met een woord van Judas eindigen, een woord dat van Godswege tot ons komt: Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest;

bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het overgeleverd geloof II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's