De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GISBERTUS VOETIUS II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GISBERTUS VOETIUS II

9 minuten leestijd

We besloten het vorige artikel met een kort overzicht van de tegenstanders, die Voetius tegenover zich heeft gezien. Zo op 't eerste gezicht lijkt de Utrechtse hoogleraar dus nogal een weerbaar, strijdlustig man. Dat is hij ook inderdaad wel, maar niet van harte. Het aantal der gereformeerde theologen, die naar de vrede haken, inplaats van naar polemiek, is opvallend groot en Voetius heeft onder hen een goede plaats. Maar om de ere Gods en het heil der zielen meende hij te moeten spreken, waar zwijgen schuld zou betekenen.

Deze vredelievende houding komt heel fijn uit in de plaats, waar men Voetius menigmaal kon aantreffen. Dat was zeker de hogeschool, waar hij vele colleges had te geven. Maar daarnaast was hij vaak te vinden in de Regulierenkerk op de Springweg, om daar aan de kleinste kinderen catechisatie te geven. (!) Wie daarin smaak heeft en daarin weet uit te blinken, is stellig een groot man in het Koninkrijk der hemelen en een man des vredes.

Had Voetius vele tegenstanders : hij heeft ook het voorrecht gehad vele goede vrienden te hebben bezeten. We noemen voorop in die rij : Jodocus van Lodenstein, omdat hij naar ons besef de meester bijzonder goed begrepen heeft. Daarnaast noemen we de hoogleraren Hoornbeek en Essenius, beide intussen jong overleden. Onder de Utrechtse predikanten had Voetius verdere aanhang, denk aan ds. Gentman, ds. J. Teellinck en ds. V. d. Boogert. De afgestudeerde leerlingen bleven dankbaar aan hun leermeester verbonden en raadpleegden hem, met hun kerkeraden, in allerlei moeilijkheden. Dat vertrouwen moet Voetius wel zeer gesterkt hebben.

Wat Voetius' werken betreft : de meeste daarvan zijn niet in eerste instantie voor de „kleine man" bestemd. Daartoe hebben ze wel nodig de , , vertaling" van b.v. de dienaren des Woords. Aan hèn dacht Voetius heel sterk, als hij zijn pen roerde. Daaraan danken we in de eerste plaats zijn 5 dikke delen Disputationes selectae (uitgezochte disputaties). Dat riekt naar de academie. Anders dan in onze tijd, nam in vorige eeuwen het disputeren, het aanvallen en verdedigen van bepaalde stellingen, een grote plaats in. Dat kan een bedenkelijke kant hebben : een grote mond en wat handigheid maken werkelijk nog niet tot theoloog. Maar zou ook in onze tijd deze toerusting wel zo overbodig zijn ? Op ons huisbezoek komen we de wonderlijkste en afwijkendste gedachten tegen en het vereist zekere scholing, daarop gevat te antwoorden. En ook in ambtelijke vergaderingen, waartoe al eens aanleiding bestaat, het een en ander op te merken. Siert het de predikant niet zeer, als hij helder en bondig z'n pleit weet te voeren ? We zijn daarom van mening, dat iets van die academische disputaties wel mocht herleven.

In die disputaties behandelt Voetius de dogmatiek, met van alles en nog wat. Wel eens peuterig en schools, doch ook vaak meesterlijk en helder.

Daarnaast staat zijn Politica ecclesiastica (kerkrecht) in 4 forse delen. Alles wat maar met kerk, kerkinrichting, kerkorde enz. te maken heeft, vinden we daar verhandeld.

Deze twee grote reekswerken zijn dan de hoofdwerken. Daarnaast staat allerlei kleingoed. Zo het al genoemde boekje tegen de Remonstranten : Proeve van de klacht der godzaligheid. Jammer, dat we maar een heel enkele preek van Voe­tius hebben en dat zijn dan nog gelegenheidspreken, die niet zo gemakkelijk een oordeel doen vormen over zijn hele preekwerk.

Het heeft niet veel zin, hier al maar titels op te sommen van boeken, die de lezer toch niet gemakkelijk onder het oog krijgt. We zullen er toch nog één noemen, dat nogal vaak voorkomt en ook wel bijzonder belang heeft. Het is Voetius vermaarde Catechisatie over de Heidelb. Catechismus in 2 delen, dat zo ongemerkt is gezet op naam van de latere uitgever van een editie ervan, genaamd ds. Poederoyen. Dr. Kuyper heeft in de tijd, dat hij nog hart had voor de Nadere Reformatie, d. w. z. eer hij dat hart zozeer verpandde aan de algemene genade en dus aan de cultuur, waarvoor de Nadere Reformatie maar een zeer getemperde belangstelling heeft, een nieuwe uitgave van dit boek bezorgd.

Het doet ons Voetius haast ten voeten uit kennen. En wie de weg door de 5 dogmatische delen van de straks genoemde Disputaties te hoog en te ongebaand vindt, die wete, dat de kern der daar verhandelde zaak, maar dan veel toegankelijker, ook is te vinden in deze uitgave van de verklaring van de Heidelberger. Intussen is het ieder te raden van dit „ezelsbruggetje" een gebruik te maken, dat uitgaat boven de vlakke verzekering, dat het gemak de mens dient!

Er zou aanleiding zijn, eens enkele grepen in dit populaire boek te doen en zo te pogen, het uit een onverdiende vergetelheid op te wekken. We zullen dat toch maar niet doen, omdat we dan nog niet ons eigenlijk doel zouden bereiken. We zeiden immers, dat Voetius behoort tot de piëtisten, tot de mannen van de Nadere Reformatie. Het zal dan zeker wel mogelijk zijn, dat te belichten uit het zoeven genoemde boek. Maar er is een betere weg. Voetius heeft zijn idealen inzake het christelijke, het gereformeerde geloofsleven neergelegd in een latijns werk, dat hij getiteld heeft (vertaald) : „De ascetiek, of de beoefening der godzaligheid". Het woord ascetiek , , ligt" ons wat moeilijk; latere tijden hebben er het woord : , , beoefeningsleer" of praktische theologie voor gegeven, dat ook al niet zoveel meer licht geeft. We delen uit dit werk van bijna 900 blz. het een en ander mee. De hele Voetius spreekt uit dit werk niet. Hier spreekt zijn voorliefde voor het ingekeerde leven, de verborgen kant van wat in de uitleving openbaar wordt. De dogmatiek en de ethiek, alsmede het kerkrecht, worden daarin dus alle voorverondersteld. Maar de ascetiek is toch wel, wat Voetius ergens noemt: de , , Sauce der practijke", en daar bedoelt hij mee, dat de christelijke, kerkelijke rechten, zonder die saus, toch maar smakeloos en onverteerbaar zijn.

Wat Voetius dan bedoelt met die praktijk ? Hij weet heel goed, dat velen er de neus voor ophalen en het gebeuzel en erger vinden. Maar hij antwoordt onvervaard : de rechtzinnige godgeleerdheid is naar haar aard al praktisch. Hoe kan die dan ook anders dan praktisch worden behandeld ? Het gaat hier om grote dingen : aan de poort van de tijd klopt de eeuwigheid.

In dat verband doet hij prijzende klanken horen betreffende een man, die ook onder ons, althans wat zijn naam betreft, nog wel bekend is : Thomas a Kempis. Dat was een monnik van het klooster

Bergklooster, bij Zwolle, die o.a. een veel gelezen boekje heeft geschreven : De navolging van Christus. Dit boekje is niet protestants, al is het evenmin fel rooms. Het doet wel wat denken aan de dichter Guido Gezelle, bij wie Maria en de heiligen evenzo maar een kleine plaats innemen. Voetius heeft dat boekje gelezen en het geprezen, als een gulden boekje.

En daarmee was dan het hek van de dam. De op Voetius' aanzien jaloerse Maresius wees dat met de vinger na : Hoe is het mogelijk, dat boekje te prijzen, als je goed-gereformeerd wilt zijn ! En velen hebben daarop het refrein aangeheven : Voetius weet niet eens te onderscheiden tussen rooms en gereformeerd ! Dat wist Voetius intussen wonder wel. Hij geeft dan ook scherpe kritiek op het roomse in Thomas a Kempis, maar meent toch, dat ook een gereformeerd mens daar lering en stichting uit zal kunnen halen. Maar dan moet men overal behoorlijk uit z'n ogen kijken en valse en echte mystiek goed onderscheiden.

De praktijk van het geloof noemt Voetius graag devotie. Van dat woord schrikken vele protestanten : dat klinkt zo rooms. Ja maar, zo antwoordt Voetius : het is toch helemaal niet , , rooms", maar echt bijbels-gereformeerd. Want devotie betekent: zich de Here geheel toewijden, met lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid. '

Daar wordt het hele mensenleven dus mee bedoeld. De buitenkant ervan wordt niet versmaad ; maar de binnenkant heeft extra aandacht. Een grote plaats geeft Voetius daarbij aan de meditatie (overdenking), waarbij hij zeker denkt aan Calvijn's overdenking van het , .toekomende leven". In het hart daarvan staat het gebed, de omgang met God, die de Kroon des levens is.

Zo geeft hij een pleidooi voor een bijbelse, gereformeerde mystiek. Hij kent de gevaren daarvan evengoed als Van Lodenstein ze signaleert in de tweede samenspraak van zijn Beschouwinge van Sion, maar hij betuigt, even rustig als die, dat misbruik het recht gebruik nooit opheft: Deze mystiek leeft daar, waar tijd en eeuwigheid elkaar raken. Dat doet de verzoeking wel opkomen, om de boze wereld maar helemaal uit te lopen en in de kloosterlijke beschouwelijkheid heel de tijd maar te vergeten, om als de engelen de pure eeuwigheidslucht in te ademen. Maar daartegen waarschuwt Voetius met kracht. Dat is ontrouw en vermetelheid. Wij wandelen hier, als mensen, alleen door geloof, niet door aanschouwen. Daarom kent Voetius ook geen andere mystiek dan één, die in Christus haar begin en eind heeft. Wij aanschouwen God in dit leven alleen in Christus, door het geloof. Daarmee moet elk christen vertrouwd zijn, en heel apart zij, die in het ambt staan. Merkwaardig, hoe Voetius hier erkent, dat hij meer is gevorderd door te bidden dan door te studeren. Zo alleen kan de prediking levend en 'levenwekkend zijn. Daaruit valt op te maken, hoeveel nadruk Voetius op het gebed legt, dat hij zeer uitvoerig bespreekt. Naar de vorm kan dat ons wel vreemd aandoen. Vele schoolse onderscheidingen geeft hij, die wij niet meer zo maken en verstaan. Maar de kern der zaak wordt daardoor niet geraakt. Ondanks de gesignaleerde schoolse aankleding, treft ons telkens weer de praktische aanpak. Helder wordt ontdekt waar het om gaat, waar de middelen en wegen liggen en waar bezwaren worden ontmoet, alsmede, hoe die uit de weg worden geruimd. Eenvoud is heel zeker een kenmerk van het ware. Maar echte eenvoud is naar haar aard nóg diepzinnig en alomvattend ! Wie het gereformeerde leven zo heel eenvoudig wil voorstellen, loopt groot gevaar, het te vervlakken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GISBERTUS VOETIUS II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's