Gemoderniseerde volkszending
Ds. F. J. Pop schrijft in Woord en Dienst d.d. 5 mei j.L, onder de rubriek „Apostolaat" over Evangelisatie: Methode of inhoud.
Het heeft wel iets te zeggen, dat het woord „Evangelisatie" hier wordt ingevoerd. Dat. bespaart ons enigermate de moeite om op het misbruik van het woord apostolaat in de nieuwe koers de aandacht te vestigen.
Intussen hebben wij reeds een en andermaal daarop gewezen.
Overigens zou het artikel, op zichzelf genomen, geen aanleiding geven om er nader op in te gaan, ware het niet, dat er enkele klanken in worden vernomen, die zelfs een enigszins critische zin verraden, n.l. ten aanzien van de praktijk van het apostolaat, naar de opvatting van de nieuwe koers.
In hoeverre een en ander hoopvol mag heten voor de toekomst, laten wij maar in het midden. De opmerkingen, waarop wij 't oog hebben, zijn ontleend aan of ingegeven door een paar Duitse geschriften en op zichzelf genomen zijn zij juist.
Zo wordt de bewering gememoreerd, dat 't oude Evangelisatiewerk nog lang niet op een verloren post staat. Bedoeld wordt n.l. de verbreiding van het Evangelie door de „Woordverkondiging". , , Als bewijs dient", zo wordt opgemerkt, , , het grote gehoor van Billy Graham en het wel kleinere, maar toch altijd nog belangrijke aantal onkerkelijken, dat naar andere evangelisten komt luisteren". (40—20%).
In ons land had ds. Pop wel kunnen wijzen op de gereformeerde gezindheid, die ook daarin overeenkomst met de oudste christelijke kerk vertoont, dat de dienst des Woords haar grootste kracht is en dat zij niet nodig heeft naar andere middelen te grijpen. Wij komen daarop zo straks nog terug.
Daarop wordt niet gewezen. Of dat ook bij ds. Pop zo is, weet ik niet, maar de leidende geesten in de Hervormde Kerk schijnen de gereformeerde gezindheid voor een phaenomen uit het verleden te houden dat door de penetratie van de nieuwe richting spoedig tot uitsterven gedoemd zal zijn.
In dat opzicht kan het wel nodig zijn op de aanrakingspunten van de gereformeerde gezindheid en het oer-christendom te wijzen.
Was het onlangs niet prof. Quispel, die verwantschap zag tussen de , , bevinding of bevindelijkheid" van de Gereformeerde Bond en het oer-christendom? En wijst nu ds. Pop niet op de uitspraak van een Duits theoloog dat er in de oude kerk zo weinig geëvangeliseerd is. Geen z.g. wervende prediking, maar wat hij noemt, en die prediking kon men slechts beluisteren, „Woordverkondiging" in de gemeentelijke samenkomsten.
Wij gaan op deze uitspraken niet in, omdat wij de bronnen, waaruit zij geput zijn, niet gelezen hebben, maar het is stellig juist, dat de oude kerk geen , , wervende" prediking heeft gekend, althans zich daarop niet heeft toegelegd, als men daarmede bedoelt zoiets als thans onder de leuze apostolaat wordt gedreven, waarbij men alle middelen, waardoor men buitenkerkelijken en on-kerkelijken meent te bereiken, toepast. Men noemt dat modernisering van de , , volkszending", door invoering van , , team-werk", theater-evangelisatie (chr. toneelstukken met discussie), evangelisatie in bedrijven, film, televisie, radio, pers, evangelische academiën, enz. , , Door deze lawine van activiteiten, gecombineerd met veel reclame, hoopt men de aandacht te trekken en gehoor te vinden".
Ds. Pop voegt daaraan toe : , , In Nederland kennen wij dit allemaal ook wel. Zelfs zouden wij nog een aantal manieren aan het lijstje kunnen toevoegen, zij 't ook, dat we er toch nog altijd iets minder lawaai bij maken dan onze Duitse broeders".
Hij vervolgt dan : , , Wij zijn echter ook al sinds enige jaren bezig er een beetje kritisch tegen aan te kijken en het geloof in de grote publieke acties te verliezen. De ervaring heeft ons trouwens wel geleerd, dat nuchter bezien de resultaten van dit alles niet zo daverend zijn".
Deze kritiek is, zo men ziet, wel aarzelend en er wordt onmiddellijk aan toegevoegd : , , Natuurlijk wijzen wij ze niet helemaal af", maar het kan een wolkje als eens mans hand zijn van bezinning op het wezen der kerk en het geheel bijzonder karakter van de dienst des Woords, zoals wij daaromtrent door de Heilige Schrift worden onderwezen.
Zulk een onderstelling schijnt nog te meer gerechtvaardigd, als ds. Pop de onder ons zo bekende, maar nog weinig in praktijk gebrachte stelling (cursivering van mij, S.) : De kerk moet weer kerk worden, op deze wijze van zijn Duitse zegsman aanhaalt en klaarblijkelijk onder instemming met diens oordeel : eerst als de kerk weer kerk wordt, zullen de problemen van het evangelisatie-werk opgelost kunnen worden. , , Deze ziet slechts één weg, die daartoe leiden kan : de rechtvaardigingsleer — het hart der kerk — moet opnieuw het centrum van prediking en leven worden".
Het is mogelijk, dat men zich iets meer gelegen zal laten zijn aan de woorden van die Lutheraan, dan aan de vaderlandse geloofsbelijdenis, om niet te zeggen de Nederlandse gereformeerden. Niet bij een verkeerd begrepen apostolaat, dat reeds daarom moet falen, maar bij de gemeente moet men beginnen. Zo deden de apostelen. De werfkracht schuilt niet in de door de moderne methoden gebruikte middelen, die boven werden opgesomd, maar in het Woord, waaruit de gemeente geboren wordt.
De Heere God bedient zich van Zijn Woord en Geest om Zijn gemeente te vergaderen. En laat men vooral niet vergeten, dat Christus Zijn gemeente bouwt.
Ds. Pop besluit: „Met klem zou ik willen zeggen: de gemeente zal opnieuw moeten leren de belijdenis met woord en daad te belijden, wil zij voor God een bruikbaar instrument zijn in de uitoefening van Zijn apostolaat".
Wij willen niet al te kritisch zijn, maar, hoewel de bedoeling van deze zinsnede ons sympathiek voorkomt, ligt er toch hetzelfde onklare in als in de spreekwijze : de kerk moet weer kerk worden. Immers een kerk. die kerk moet worden, ontzegt zich zelf het kerkzijn. Een gemeente, die opnieuw moet leren de belijdenis (d.i. haar belijdenis) met woord en daad te belijden, is dat een gemeente ? ?
Als dan de kerk met recht geen kerk meer genoemd kan worden, en de gemeente geen gemeente meer is, wat verwacht men dan van haar ?
Als het zo staat, wordt het heus gemakkelijker te verstaan, dat men z'n mond vol heeft van solidariteit met de wereld. Een kerk, die geen kerk meer is, heeft reeds daardoor de tegenstelling tussen de kerk en de wereld uitgewist.
Hoe kan een kerk, die geen kerk meer genoemd kan worden, wederom kerk worden?
. Deze vraag is in het licht van Hebreen 6 : 4 v.v. waarlijk ernstig genoeg. Men is maar begonnen met allerlei kerkewerk op gemoderniseerde wijze, waartegenover ds. Pop CS. een beetje kritisch komen te staan, doch wat kunnen de vruchten zijn? Het is waarlijk niet zo vreemd, dat ds. Pop, als hij de stelling , , de kerk moet weer kerk worden" opneemt, daaraan toevoegt, dat die stelling nog weinig in praktijk is gebracht. (Cursivering van mij, S.).
Wat heeft men dan in de laatste tien jaren gedaan ?
Wat was de bedoeling van al dat kerkewerk ?
Deze uitspraak van ds. Pop mogen de heren van de Synode ter harte nemen, opdat zij het ongerijmde van de veel verkondigde stelling Inzien en opmerken, dat zij geen verwachting kunnen hebben van een kerk, die geen kerk is.
De ouderwetse confessionelen waren in dit opzicht verstandiger, wanneer aan het kerk-zijn, van wat nog kerk heet, werd getwijfeld. Zij kwamen dan met de onderscheiding van wezen en welwezen en spraken van een gedeformeerde kerk. Een gedeformeerde kerk kan weer teruggeroepen worden tot de Wet en de Getuigenis. Een gedeformeerde kerk is een misvormde, een kerk in verval, zulk ene, die ontrouw is geworden aan haar belijdenis. Zij is niet ganselijk en in alles vervreemd van wat zij moet zijn. Daarom kan men van zulk een kerk zeggen, dat zij opnieuw moet leren haar belijdenis met woord en daad te belijden, of m.a.w. haar belijdenis te beleven. Maar dan zal men aan de belijdenis ook de plaats moeten geven, die haar toekomt.
Daaraan mankeert het nu juist.
De gemeente zelf het voornaamste probleem van het apostolaat, zo drukt ds. Pop zich verder uit, naar aanleiding van een buitengewone vergadering van de classis Haarlem.
Zo'n zinsnede komt toch uit een geheel andere sfeer dan de confessie.
Wat moet men toch verstaan onder „het apostolaat", waarvoor de gemeente een probleem is ?
Antiochië zendt Paulus en Barnabas uit op bevel van de Heilige Geest. (Vgl. Handel. 13 : 2 en 4). Tot de gemeente wordt gezegd' Zondert Mij af, beiden, Barnabas en Paulus.
De Heere zelf is de Zender, maar de gemeente zondert op Zijn bevel af.
Voor deze afgezonderden, Paulus en Barnabas, is de gemeente zeker geen probleem.
Maar wat wil men met een apostolaat, voor hetwelk de gemeente een probleem is ? Is zulk een apostolaat „iets buiten de gemeente om ? "
Is dat een instelling van de Heilige Geest, of van Christus ? De apostelen zijn immers daarin onderscheiden, dat zij door Christus persoonlijk geroepen zijn. Dit apostolaat bedoelt men wellicht niet, want men zal niet willen beweren, dat het apostelambt na de twaalven is voortgezet en het dus van zijn bijzondere karakter beroven.
Maar dan kan het apostolaat, om nog een Schriftuurlijke zin te bewaren, weinig anders zijn dan zending van uit de gemeente.
Dan kan de zendingsroeping in een concrete situatie wel problemen aan de gemeente stellen, doch een apostolaat, voor hetwelk de gemeente een probleem is, is een vreemdsoortige uitvinding.
Overigens houden wij ons overtuigd, dat een gezond kerkelijk leven overeenkomstig de Schriften, evenals in de oude kerk, een waarborg voor haar werfkracht is, terwijl wij geen verwachting hebben van de z.g. , , gemoderniseerde volkszending".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's