De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GISBERTUS VOETIUS III

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GISBERTUS VOETIUS III

10 minuten leestijd

We, vervolgen ons korte overzicht van wat Voetius , , de praktijk der godzaligheid" noemt. We vermelden er terloops nog even bij, dat hij niet maar zelf daar enkele boeken aan wijdde, maar ook een voorrede en aantekeningen schreef voor een vermaard Engels puriteins boekje van Lewis Bayly, getiteld: De practycke der godtzaligheid. Dit boekje komt nogal eens voor; wie het ontmoet en zou doorbladeren of lezen, weet dus, waar het thuishoort.

Begrijpelijk, dat de bekering in Voetius' beschouwingen een grote plaats inneemt. Dat door die bekering, die een nieuw leven inluidt, er zoveel als een volmaakt geestelijk mens zou worden geboren, zoals Papisten en Wederdopers dromen, ontkent Voetius ten sterkste. Maar tegenover de Remonstranten houdt hij evenzeer vol, dat niet alles bij het oude blijft; dat er inderdaad nieuwe krachten en hoedanigheden aan de herboren mens worden geschonken. We worden hier aan de Dordtse Leerregels herinnerd en aan de bestrijding, die ze vroeger en later hebben gevonden. De tijd ontbreekt om daar nu breed op in te gaan, maar naar ons besef merkt Voetius zeer snedig op : Hoe zou de herboren wil niet móéten verschillen van de oude en verkeerde ?

We stellen vast, dat de hier voorgedragen gedachten sprekend piëtistisch en gereformeerd zijn. Maar de nieuwheid van het christenleven wordt niet boven mate , , gedreven". Daarin ligt iets typisch en on-dopers, wat o.i. meer de aandacht hebben mocht. Zoals Calvijn de Wederdopers hun harde tucht en ban verweet, die hen , , de arme zondaars" de wanhoop in de armen deed drijven, zo valt Voetius hem bij. De Gereformeerden rekenen met de , , blijvende zwakheid" van de christen, daarom beoordelen zij vallen en terugvallen wel als schuld, maar toch veel milder dan paapse en remonstrantse volmaaktheidsdrijvers.

Van de door Voetius gegeven uiteenzetting geldt weer, dat ze naar de vorm wel eens splinterig en overrijk aan in­ delingen en onderscheidingen is. Niet dat we daar makkelijk de staf over breken ! Het leven, bijzonder het geloofsleven vraagt om veel en fijn onderscheidingsvermogen en een zuiver oor, om de echtheid en zuiverheid van het getuigde of beleefde te toetsen. Daarom gaat dogmatisch en praktisch veel inniger samen, dan vaak vermoed wordt. We moeten alleen wèl toezien, dat de onderscheidingen, die we maken, profetisch en apostolisch zijn en niet vlak-schools.

Intussen is het verrassend, hoe fris en sprekend toch de inhoud is van hetgeen Voetius biedt. In antwoord op de tegenwerping, dat het leven van de tot God bekeerde zeker wel grauw en eentonig moet zijn, antwoordt hij, dat het integendeel onuitsprekelijke vrede kent en daarmee glorie en groei.

Een zeer apart hoofdstuk is het zesde, dat als opschrift heeft: Tranen en lachen. Het roert het tere punt aan, wat de rechte plaats van de droefheid en welke die van de blijdschap in het christenleven is. Wie denkt aan de veel gehoorde klacht, dat de gereformeerde prediking altijd maar weer te somber, te weinig blij gevonden wordt, merkt, hoe actueel ook in dezen dit boekje van ongeveer 300 jaar geleden is. Sprekend, dat Voetius er meteen van zegt: In dit tranendal kunnen de tranen geen mens onbekend zijn, laat staan de christen. Niets kan ons meer vertrouwd zijn dan zij, waar begin, verloop en eind van ons leven rijkelijk ermee besproeid zijn.

Buiten Christus zijn wij hard en dor ; kennen alleen tranen van wrok en spijtigheid. Mèt de vernieuwing en naarmate die toeneemt komen de echte tranen van de droefheid naar God en van de blijdschap in de Geest, In de tranen ligt het geheim der vertroosting ; ze betekenen een wondermiddel tegen alle. kwalen, Wee 4 dus de onaandoenlijke !

Moet dat dan betekenen, dat de lach, de blijdschap in het christenleven dus verboden is ? Neen, dat is heel zeker niét het geval. God gaf ons het vermogen om te lachen. Daarom kan dat op zichzelf geen kwaad ding zijn.

De genade heft onze natuurlijke aanleg niet op, maar adelt die. Ons past in de omgang met anderen vriendelijkheid en openheid, en daarbij heeft de eerlijke lach en scherts ook een plaats. Maar het is wèl zaak, daarin maat te houden. De zonde blijft en dat beneemt ons de lachlust sterk. Van de Heere Jezus Christus lezen we wel, dat Hij veel gebeden, niet dat Hij veel gelachen heeft. Hoe kan de vrucht van Zijn tranen bij ons een voortdurend lachen wekken? Vooral de predikant kenne de kracht der tranen. Preken, die de ziel roeren, worden het best geschreven met de inkt der tranen.

We gaven dit hoofdstuk nogal breed weer. Het geeft een diepe blik in het piëtistisch-gereformeerd levensgevoel. En het verklaart tevens, dat deze predikers en haar levensbeschouwing zeer weinig populair waren in Voetius' tijd en het evenmin zijn in de onze. Maar ook, dat zeker onze bedreigde, gedrukte tijd wel reden heeft om zich af te vragen, of, gezien de stand van zaken in ons en om ons, er wel een andere levenstoon verantwoord kan zijn dan de hier voorgestane ?

In verband met de nadruk op geloof en bekering draagt Voetius zijn onderzoek van het geweten voor. Zo moet de christen beproeven, welke de goede, welbehagelijke wil van God is, in allerlei concrete levensomstandigheden.

Daartoe wil het Woord van God gelezen zijn. En 't wil, in z'n prediking, aangehoord zijn. Dat vraagt z'n voorbereiding, opdat wat van de kansel ons als vermaning tegenklinkt, door ons in gebed worde omgezet. Voetius raadt sterk aan, de hoofdzaken van de preek op te tekenen, opdat het Woord niet te snel over ons heenga. En groot belang heeft, wanneer thuis de preek besproken wordt. We merken weer, hoe hier de deur naar het conventikel opengaat. Dat vindt Voetius een grote zegen en hij ziet het nog als geheel kerkelijk van structuur. Onze Heilige Doop wil nooit vergeten zijn, als teken en zegel van Gods beloften. Het Heilig Avondmaal wordt ampel besproken. De bezwaren worden breed uitgemeten en weerlegd en op het bevel van Christus gezonde nadruk gelegd. Het moet er op uitlopen dat wij, waar God er Zijn beloften aan ons verzegelde, ook wederkerig onze beloften aan Hem vernieuwen.

Deze levenshouding toont voortdurend een sterke, mystieke, ingekeerde kant. Maar die is toch niet alles. Voetius wekt juist op, om rond te zien in Gods werken in de natuur en de geschiedenis en zo Hem als in 't hart te zien. Om de dag vroom en vruchtbaar door te brengen, wil zekere regelmaat betracht zijn. De dag worde met gebed en overdenking geopend, zo vervolgd èn besloten. Daar ligt weer de huiselijke godsdienstoefening achter, die de Piëtisten in Engeland zagen en hier (vergeefs) poogden te doen inburgeren. Grote nadruk heeft de eenvoudige trouw in ons beroep, dat een goddelijk beroep is. Maar het is armoedig, wanneer we niets beters kennen. We hebben per dag heel wat te spreken : laten we ons óok in het zwijgen oefenen. Er is veel drukte om ons heen: laat de zegen der eenzaamheid ons niet ontgaan! Nee, dat wil geen kloosterpraktijken propageren of overgeestelijke overdrijving. Als men nog tegenwerpt, dat dit zo precies en zo scrupuleus lijkt, dan is het antwoord : Hebt gij dan heel geen weet van het werken van uw zaligheid met vreze en beven, om zo te kunnen ingaan door de enge poort?

Dat betekent natuurlijk een verantwoord besteden van de zondag. Vasten en waken heeft men met de komst der Hervorming als lastig en overbodig afgeschaft. Maar Voetius is mèt Van Lodenstein de mening toegedaan, dat hier het kind met het badwater is weggeworpen. Zijn we dan geen vreemdelin­gen hier en geen bedreigden, die waken en bidden heel erg nodig hebben?

Het leven is dus töt het einde een geestelijke strijd. Het komt dus op de 2 wapens aan en de oefening erin. Vele  verzoekingen zijn daarbij het deel der vromen : vlees, wereld, duivel doen, wat  ze kunnen. En ze kunnen veel! Dan kan het wel zeer benard en donker worden.

Aangrijpend is het hoofdstuk, dat  Voetius wijdt aan „de geestelijke verlatingen", dat ook apart, uit de Disputaties, is uitgegeven en in herdruk nogal eens voorkomt. De christenmens kan dan wel van alle vastheid en troost beroofd zijn, diep verlaten. Voetius wijst  aan, wat er aan ten, grondslag ligt, wat de wapenen er tegen zijn en hoe de verlating zo weer om kan slaan in hereniging en sterkte.

De kunst van het wèl sterven heeft dan de aandacht. Ons treft, hoe vele werken in Voetius' tijd zich daarmee bijzonder bezighouden. Geen wonder in een tijd, waarin de gemiddelde levensduur nog maar zo bescheiden was. Maar wèl een wonder, dat mensen in een eeuw, waarin men wat langer leeft, zó ' licht denken, dat voor hèn de oefening in de wèl-stervenskunst dus minder nodig zou zijn ! Nee, dat is ze niet! . Alleen maar : ze moet niet worden losgemaakt - van de kunst van wèl leven, want ze is de kroon daarop. Het martelaarschap is de kostbaarste kroon. Ook de zwaarste. Maar op de een of andere wijze krijgt elk christen iets te dragen van de smaadheid van Christus. Die is toch meer dan Egypte's schatten.

Voetius besluit met nóg eens te tonen, dat de hier voorgestane stijl van christelijk leven werkelijk niet een verkapte vrome zelfzucht is, een al maar in zichzelf graven en aan zichzelf genoeg hebben. Het zendingsmotief, zo sprekend juist voor de piëtistisch-gereformeerde gezindheid, ontbreekt ook hier niet, als Voetius de kerk- en christenmens zijn zendingstaak aanbindt, tegenover onwetenden, afgedwaalden, hulpbehoevenden. Iets van het schouwende leven bekoorde hem, maar hij verwierp het, waar het de eenvoudige daad van liefde en dienst aan de naaste versmaadt. En merkwaardig verbindt hij, wat wij tegenwoordig apostolaat en pastoraat noemen, dus : zorg naar binnen en zorg naar buiten, als hij zegt: dat de liefde tot de naaste, de gemeenschap der heiligen en de christelijke vriendschap onafscheidelijk moeten zijn.

Zoveel over Voetius' ideaal van een gereformeerde , , beoefeningsleer". We zetten een streep onder het woord : ideaal. Dat is het, helaas, in sterke mate gebleven. Het was te hoog gegrepen voor de doorsnee-christen, laat staan voor de doorsnee-gemeentenaar. Daar heeft Voetius ook wel op gerekend. Hij schreef dit genoemde werk in het Latijn en wilde het niet vertaald zien. Het richtte zich dus tot de voorgangers, de theologen, opdat door hun bemiddeling het hart der zaak tot de gemeente zou komen. Maar als we naar de waarneembare invloed van Voetius vragen, is het resultaat vrij pover. Enkele leerlingen begrepen hem, zo de al genoemde Hoornbeek en Essenius.

In de diepste zin heeft hij in Jodocus van Lodenstein een begrijpend leerling gevonden, die in z'n prediking, zielszorg en persoonlijk leven Voetius' ascetiek tot program koos. Wie de Beschouwing van Sion naast deze ascetiek legt, merkt aanstonds de verwantschap. Maar die merkt dat ook Van Lodenstein om deze zelfde reden, door het gros in heel onze kerk en ook door het gros der gereformeerden niet is geaccepteerd.

Lezeres, lezer : we wezen er op, dat naar de vorm Voetius' betoog ons minder bindt en boeit. We moeten er verder mee rekenen, dat hierbij ook wel met wat academische opmaak moet worden gerekend. Maar de kern der zaak wordt daardoor niet geraakt en die lijkt ons diep bijbels-gereformeerd. Sprak Voetius naar uw hart ? Hield hij u in alle geval een spiegel voor, die licht niet vleit, maar wel vermaant en leert ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GISBERTUS VOETIUS III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's