DE LEERLINGENSCHAAL
Voor een bepaald aantal leerlingen op de lagere school (L.O., U.L.O., V.G.L.O.) is een bepaald aantal leerkrachten vereist. Deze aantallen zijn vastgelegd in de Lager Onderwijswet en vormen samen de leerlingenschaal. De toepassing daarvan wordt geregeld naar het gemiddeld aantal leerlingen in januari, mei en september van het voorafgaande jaar voor de gehele school. Er kunnen grote en kleine klassen zijn, immers is de aanneming nogal eens verschillend ; maar daarmee wordt in de regel geen rekening gehouden. Het gaat over de aantallen per school. Dan kan het klassegemiddelde nog zeer verschillen. Stel er zijn op de drie scholen 206, 218, 212 leerlingen. Gemiddeld 636 : 3 = 212. Dan zijn voor deze 212 leerlingen 6 leerkrachten verplicht, of gemiddeld per onderwijzer 351/3=36. Maar zijn de drie teldata 245, 262, 254, dan is het gemiddelde 761 : 3 = 2531/3. Over deze zijn ook 6 leerkrachten verplicht, of gemiddeld per onderwijzer 42%=43. Dat verschilt per leerkracht 7 leerlingen.
Dit is moeilijk te verhelpen, anders zou de school veel te gedifferentiëerd zijn.
Deze aantallen leerlingen acht men te hoog. En dat zijn ze ook, vooral, als men de grensgetallen naar boven gaat naderen.
Vorig jaar mei, heeft de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen, een commissie benoemd, die deze zaak eens moest bestuderen en zo mogelijk voorstellen daaromtrent moest doen.
Deze commissie bestond uit ambtenaren en uit vertegenwoordigers van de Algemeneen Nederlandse Onderwijzersfederatie (A.N.O.F.) en is in februari met haar rapport klaar gekomen, terwijl het thans voor publicatie is vrijgegeven.
Uit dit rapport blijkt, dat de commissie unaniem overtuigd was van de noodzakelijkheid tot verlaging van de leerlingenschaal. Ik zou ook kunnen zeggen; van de verhoging der onderwijzersschaal. Maar dit betekent praktisch hetzelfde en daarom houden we ons aan de uitdrukking: leerlingenschaal.
Uit het rapport stippen we enkele punten aan.
a. De commissie constateert, dat er geen wetenschappelijke basis bestaat, om vast te stellen hoe groot het aantal leerlingen per leerkracht zou moeten zijn, om het onderwijs zo vruchtbaar mogelijk te maken. Ze dringt er bij de minister op aan. om 't vraagstuk alsnog wetenschappelijk te doen onderzoeken. .
b. De commissie heeft zich daarom laten leiden door ervaringsgegevens en een zekere intuïtie.
c. De meest wenselijke klassegrootte hangt voor ëen groot deel af van de kwaliteit en de aard van de leerstof en de begaafdheid van de leerlingen. Niet minder echter zouden we er bij willen voegen : van de leerkracht. Er zijn nu eenmaal onderwijzers, die het voor een grote klas best redden, maar er zijn ook andere, die met een kleine klas geen moeite hebben, maar met een grotere wel. En er zijn nog andere, die zelfs met een kleine klas de handen al vol hebben.
d. Verbetering is alleen mogelijk wanneer het vereiste aantal leerkrachten aanwezig is. Dit aantal is er op het ogenblik en binnen korte tijd zeker niet. Dus zal de bestaande toestand nog wel enige jaren duren.
e. Hetzelfde is het geval met het aantal leslokalen. Wordt het klassegemiddelde verhoogd, dan moeten er noodwendig een groot aantal lokalen bijkomen. Gelet op de daaraan verbonden kosten en rekening houdend met het jaarlijkse bouwvolume, zullen we voor een en ander toch wel weer op enkele jaren moeten rekenen.
f. Combinatie van leerjaren moet zoveel mogelijk worden uitgesloten.
Ik vermoed, dat we wel een dikke streep onder het woord mogelijk zullen moeten zetten. Denk eens aan het grote aantal 2, 3, 4 en 5 mansscholen. Met de beste wil van de wereld, kunnen die in de regel toch niet tot een zuiver klassestelsel komen, zeker niet die met 1, 2, 3 en 4 leerkrachten. De bepaling, die ook opgenomen is, dat bij overschrijding van een bepaald grensgetal een klasse wordt gesplitst, zou in enkele bijzondere gevallen uitkomst kunnen brengen.
De schaal is thans
a. L.O. 1— 30—1 31— 75—2 76—120—3 121—165-4 166—210—5 Verder de 45-schaal. b. V.G.L.O. 1— 30—1 31— 60—2 61— 90—3 91—120—4 121—150—4 Verder de 30-schaal. c. U.L.O. 1— 30—1 31— 60—2 61— 90—3 91—120—4 Steeds de 30-schaal.
De commissie heeft voor de nieuwe schaal geen overeenstemming bereikt. De ambtenarenleden hebben een iets hogere schaal dan de onderwijzersleden. (Begrijpelijk).
a. L.O. ambt. Onderwijzers 1— 25—1 26— 60—2 61— 90—3 91—125—4 126—160—5 Verder de 35-schaal. 1— 24—1 25— 54—2 55— 84—3 85—114—4 115—144—5 Verder de 35-schaal.
b. V.G.L.O. ambt 1— 25—1 26— 50—2 51— 75—3 76—100—4 101—125—5 126—150—6 Verder de 25-schaal. Onderwijzers 1— 24 25—40 41—64 65—90 91—116 117—140 Verder de 24-schaal.
c. U.L.O. ambt. 1— 25—1 26— 50—2 51— 75—2 76—105—4 Verder de 30-schaal. Onderwijzers 1—24—1 25—40—2 41—56—3 57—86—4 Verder de 30-schaal.
Voor de 7e en 8e leerjaren, die aan de lagere scholen zijn verbonden en voor 20—36 leerhngen 1 leerkracht en voor 37—72 en verder de 36 schaal, wil de commissie de aantallen brengen op 20—30 1 leerkr, en daarna de 30 schaal.
Gezien de moeilijkheden van tekort aan leerkrachten en aan schoollokalen, wil de commissie de uitvoering van deze plannen doen geschieden in 3 etappes, n.l. 1962, 1964 en 1969. De onderwijzersleden stellen voor in 4 etappes, 1962, 1964, 1967 en 1969.
Voor deze plannen volgens de ambtenarenvoorstellen zullen 10850 onderwijzers meer nodig zijn en de kosten per jaar worden 69 miljoen hoger. Volgens de A. N. O. F.-voorstellen is per jaar 86 miljoen gulden meer nodig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's