De Dordtse leerregels
„Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt; sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen vermurwt en buigt om te geloven maar degenen, die niet zijn uitverkoren in hun boosheid en hardigheid laat.En hier is het, dat zich voornamelijk voor ons ontsluit die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der mensen, zijnde in evengelijke staat des verderfs, of het besluit der verkiezing of verwerping, in het Woord Gods geopenbaard".
Hoofdstuk I, artikel 6.
Het is de laatste zin van dit artikel, die dit keer voornamelijk onze aandacht vraagt. Gelijk het hele artikel wordt ook deze zin fel bestreden. Ik vraag mij telkens weer af, waarom men hier zo fel tegen is. Is dat wanbegrip of vrees, dat de verantwoordelijkheid van de mens wordt opgeheven of verzet tegen de souvereiniteit Gods. Van dit laatste zit er zeker een goed stuk bij. Het is voor iedereen moeilijk om God God te laten. Maar er komt toch meestal ook wel een hoeveelheid wanbegrip bij en evenzeer vrees. Bovendien, arglistig is het hart meer dan enig ding, wie zal het kennen. En het lijdt m.i. geen twijfel dat het verzet tegen de prediking van de uitverkiezing nog meer uit het hart dan uit het verstand der bestrijders voortkomt. Hebben wij dan een zoveel beter hart! In genen dele. Maar opvoeding en onderwijs doen veel om ons een historisch geloof in deze dingen te geven. Als het echter op het geloof des harten aankomt moeten wij allen voor de onderwerping aan het geopenbaarde Woord Gods gewonnen worden. Maar hier pleegt men een dik onderstreepte vraag te zetten. Is dit wel in Gods Woord geopenbaard, dat er een besluit van verkiezing en verwerping is ? Ik voor mij geloof niet, dat hieraan op goede gronden getwijfeld kan worden. Dat geldt in de eerste plaats van het besluit der verkiezing. In welk verband, vragen wij, wordt hiervan in de Leerregels gesproken? Daar is eerst gezegd, dat God boodschappers zendt. Men spreekt tegenwoordig graag van verkiezing als daad. Men klaagt er wel eens over, dat de Leerregels daar geen aandacht aan wijden. Wel, mij dunkt in artikel 3 krijgt het dadelijk kiezen Gods volle aandacht.
God zendt verkondigers tot wien Hij wil, en wanneer Hij wil. Deze verkondigers roepen de mensen tot bekering en geloof in Christus. Welk gevolg heeft dit. Sommigen geloven, anderen geloven niet. Vanwaar dit onderscheid? Komt dit voort uit een verschil in de mensen ? Op deze vraag geeft de Schrift een heel duidelijk antwoord. Geloven is altijd een gave Gods. Het is niet uit de mens, ook niet voor een gedeelte. Komt nu hier het verzet tegen de belijdenis openbaar ? Meestal niet. Globaal genomen zegt iedereen : gereformeerd, confessioneel, middenorthodox, (rechts) vrijzinnig, dat iedere gelovige (achteraf) erkent, dat God hem het geloof geschonken heeft. Helaas zijn er veel theologen, die er van houden om niet precies te zeggen, wat zij bedoelen. Daarom moet men zich nog al dikwijls afvragen : wat bedoelen zij daarmee. Bedoelen zij, dat God het alleen gewerkt heeft of bedoelen zij, dat God b.v. de hoofdzaak gedaan heeft, doch zij ook nog iets. Maar goed, dat het geloof een gave Gods is wordt erkend. De Bijbel leert dit trouwens ontegenzeggelijk. Maar nu zijn er anderen, die niet geloven. Heeft God hen ook met het geloof begiftigd ? Men doet het wel eens voorkomen alsof deze vraag niet gesteld mag worden. Waarom niet ? De Bijbel spreekt toch ook niet alleen over het uitverkoren Israël ? We lezen in psalm 147 : 19 : „Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet". Het geloof is een gave Gods. Dat wordt niet vaak weersproken. Prof. van Niftrik schrijft in zijn , , Kleine Dogmatiek", 2e druk, blz. 27: „Geloof is niet een menselijke prestatie. De volksmond zegt: het geloof moet je gegeven worden! Dat is ook zo. Het geloof wordt door de Heilige Geest, d.i. door God Zelf in mijn hart gewerkt (Heidelb. Catechismus, zondag 7, antwoord 21). Daarom is het geloof nieuwe schepping, wonder van God. Daarom kan het geloof niet met behulp van psychologische en ethische categoriën beschreven worden.
Is het geloof Gods wonderwerk in mij, dan kan ik mij dus ook niet op mijn geloof verhovaardigen. Dat ik geloof is vrucht van het feit, dat God mij Zijn hand heeft toegestoken —, dat God zich aan mij heeft geopenbaard, dat Christus in de wereld gekomen is, ook voor mij".
Op zichzelf zijn deze woorden toch duidelijk genoeg. Als iemand gelooft, heeft God dat hem gegeven, in hem gewerkt. En als iemand niet gelooft! Heeft God dan het geloof ook in hem gewerkt, maar heeft de ongelovige dat geloof er weer uitgewerkt ? Of maakt God onderscheid? Volgens psalm 147 wel. Volgens Handelingen 14:16 ook. Daar lezen wij van God: , , Welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen". Het geloof, zegt prof. van Niftrik is vrucht van openbaring. Ik ben het helemaal met hem eens hierin. Volgens de twee bovengenoemde teksten kregen de heidenen vele geslachten lang deze openbaring niet, ook niet als prediking. Mag ik hieruit lezen, dat God onderscheid maakt ? Dit is het grote stuk waar het op aankomt en wat bestreden wordt. Maakt God het onderscheid of maakt de mens het. Van de verantwoordelijkheid van de mens gaat hierbij niets af. Tot de mens komt de prediking van het evangelie. Deze wordt afgewezen. Maar nu maakt God onderscheid door de een met het geloof te begiftigen en de ander niet. Als het geloof een gave Gods is, en het geloof niet aller is, moet men toch wel zeggen, dat dit de leer der Schrift is, dat God onderscheid maakt. Trouwens dat volgt niet minder uit Openb. 13 : 8 en 17 : 8. Daar vormen zij wier namen niet staan geschreven in het boek des levens des Lams een onderscheiden klasse.
Dat onderscheid nu maakt de Almachtige niet willekeurig, ook niet naar de werken der mensen Hij begiftigt met geloof uit genade volgens redenen, die Hij uit zichzelf nam. Hij nam daartoe een. besluit. Dat besluit nam Hij vóór de grondlegging der wereld. Van deze onderscheiding onder de mensen, die in een evengelijke staat des verderfs zijn, zegt artikel 6, dat zij diep is. Het gaat om een eeuwige onderscheiding. De ene mens zal zijn in de hemel der heerlijkheid. De ander in een hel van ellende. Dit is door ons niet te begrijpen. Men zou geneigd zijn om te zeggen, dat het gemakkelijker te begrijpen is als niet God, maar de mens in de diepste grond het grote onderscheid maakte. En dat doet de mens ook, vergeet dat niet. Ieder mens kiest van nature tegen God. Nooit zou er een zalig worden als God niet het geloof onwederstandelijk werkte. Maar hier ligt dan ook het onderscheid onder de richtingen in de kerk. Alle richtingen spreken van genade. Doch de een bedoelt: helpende genade en de ander spreekt van onwederstandelijke genade. Ieder mens kiest van nature tegen God. Als de bestrijders van de gereformeerde leer gelijk hadden, werd er niet één zalig. En waar nu God de almachtige is moeten zij maar verklaren, waarom de Heere zoveel mensen verloren laat gaan. Hij zou hen toch kunnen behouden. Hij zou hen onwederstandelijk kunnen bearbeiden door Zijn Geest. Waarom laat Hij toe, dat de mens de doorslag geeft, terwijl Hij toch wist, dat die mens niet zou geloven ? De gereformeerde leer laat God God en laat in Zijn handen het bestuur van heel de wereld. Maar wij zeggen niet, dat wij God begrijpen kunnen. Daar is deze onderscheiding te diep voor. Zij is ook barmhartig.
Daar is niets dat God bewegen kan zich te ontfermen. Ieder mens is een vreselijk wezen tegenover de Schepper. Hij is een hater van God. Hij onderwerpt zich der wet Gods niet. Wat een onbegrijpelijke zaak, dat de heilige en rechtvaardige God zich nochtans erbarmt. Ieder mens is het zo waard om voor eeuwig verstoten te worden en in de hel geworpen. Daar is niemand, die rechtvaardig is, daar is niemand, die God zoekt. Daar is er niet tot één toe. Tezamen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden. En toch kiest de Heere er velen uit om ze het eeuwige leven te schenken en te maken tot Zijn kinderen. Wie kan dat verklaren ? Dat is vrije genade. Het wonderlijke is niet, dat er velen verloren gaan. Het onbegrijpelijke in God is, dat er nog één behouden wordt. Hoe heeft de Heere er lust in om van zulke boze ellendige. Blinde, vijandige, goddeloze mannen en vrouwen er nog één te behouden ? Wat heeft God bewogen ? Het is een diepe, barmhartige onderscheiding. De Heere had alleen rechtvaardig in de ellende kunnen laten, waarin zij zichzelf hebben gebracht. Doet dan God geen onrecht ? Neen, zegt artikel 6. Het is ook een rechtvaardige onderscheiding. Rechtvaardig met het oog op de zonde der uitverkorenen, want Christus heeft hun straf gedragen. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Daar is ook aan Zijn gerechtigheid genoeg geschied. Maar deze onderscheiding is ook rechtvaardig tegenover de ongelovigen. God is niet de oorzaak van hun ongeloof. De Heere heeft hen ook zeer veel barmhartigheid bewezen. Doch daar is niets geen verplichting aan 's Heeren kant om hun vijandschap te breken, hun harde hart te vermurwen en hun wil over te buigen. Zij wenden zich moed- en vrijwillig van God af en het is niet onrechtvaardig als de Heere hen laat wandelen in hun eigen wegen. Zij hebben geen recht op de genade Gods. Wie zegt dat wij mensen er wel recht op hebben ? Maar is het niet ontzettend om verloren te gaan ? Dat is zo ontzettend, dat geen pen het kan beschrijven. Maar het hoeft niet. De Heere roept elke ongelovige tot bekering en doet iedere ongelovige een welgemeend aanbod. Ook dit is een diepe zaak, die wij ten volle ernstig moeten nemen. God vraagt geen begrijpen, maar geloven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's