WAT ZULLEN WIJ DOEN?
De rede van de apostel Petrus tot de Joden en Jodengenoten en tot allen, die te Jeruzalem tegenwoordig waren, had de menigte hard aangepakt. Deze Jezus, die gij gekruisigd hebt, heeft dit alles de menigte hard aangepakt. Deze Jezus, is door God opgewekt, Hij is verhoogd aan de rechterhand Gods. Hij is het, van wien de profeten gesproken hebben, en van wien God gezegd heeft: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, deze Jezus, dien gij gekruisigd hebt. (Verg. Hand. 2 vs. 22—36).
Toen zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart. Wat zullen wij doen ?
En dan horen zij het antwoord : Bekeert u!
. Wij gaan over dat: bekeert u!, niet theologiseren. Er wordt veel te veel getheologiseerd door theologen en door doodgewone mensen in de gemeente. De theologen zien overal problemen en zetten alle onderwerpen in de mist ener problematiek. Als iemand daaraan niet meedoet, is hij in de ogen van deze problemathieken zoiets als een onbeschaamde spelbreker.
Van de andere kant ondervindt zo'n woord als , , bekeert u" weerstand, soms heel vroom schijnende weerstand van hen, die gereed staan om op te merken, dat een mens zich zelf niet bekeren kan.
Daarvoor hebben zij ook nog een Schriftwoord gereed, Bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn. (Klaagl. 5 vs. 21). Dezulken moeten eens tellen, hoe vaak de Heere in de Schrift gebiedt, dat Israël zich bekere !
De Heere zelf weet toch wel, hoe het met de mens en met de bekering gelegen is en dat geen vlees door de werken gerechtvaardigd wordt, terwijl Petrus de mensen ook niet kon bekeren en toch beveelt hij : , , Bekeert u!" Denk eens anders over die Jezus, die gij gekruist hebt, en over de tekenen, die gij ziet.
Er werden op die dag omtrent drieduizend toegedaan, die Zijn Woord gaarne aannamen.
De mensen in Jeruzalem waren verslagen. Velen, die zondag aan zondag onder de prediking zitten, worden niet meer verslagen, en zien niet in, dat zij geen haar beter zijn dan de Joden, die Christus gekruisigd hebben. Velen worden niet verontrust bij de aanschouwing der tekenen, die tegen ons zijn.
Men kan spreken over de ontkerstening van onze dagen zonder ontsteltenis of verontrusting, over de verwereldlijking en wereldgelijkvormigheid, terwijl men vroom of niet vroom de geest des tijds inademt, zijn vruchten geniet, zonder ook maar bewogen te worden door ontrouw en afval in eigen kring en in eigen hart.
Men kan zelfs over dit alles klagen en het hoofd schudden, zonder ook maar een wijle tot zich zelf in te keren en bij de roeping van ons allerheiligst geloof bepaald te worden.
Het geldt inzonderheid van de gereformeerde gezindheid, dat er zo weinig kracht van 'haar uitgaat. Zeker, waar de gereformeerde prediking van de kansel wordt gehoord, is nog een behoorlijk kerkbezoek.
Dat is op zichzelf een zegen, maar het is niet genoeg.
Waar is de stad op de berg? Waar het licht, dat van de kandelaar schijnt ?
Het volk is verdeeld en verscheurd in kerkjes en kringen, die elkander bevechten om allerlei verschillen en leringen, waarbij de grote geestelijke belangen, die der gemeente van Christus zijn toebetrouwd, worden achtergesteld.
Zeker, wij hebben ons verheugd met dank in ons hart, dat wij, gereformeerden in de Hervormde Kerk, gemeenschappelijk mogen optrekken, maar ziet nu eens op onze bestreden plaats in de Hervormde Kerk en ziet eens op de gereformeerde gezindheid als geheel!
Wat moest van deze gezindheid niet uitgaan en hoe wordt zij tot machteloosheid gedoemd door een geest van verbrokkeling en door gebrek aan wereldoverwinnend geloof en roepingsbesef !!
Daarom deed het ons genoegen, dat prof. Grosheide in „Belijden en Beleven" van j.l. zaterdag (1 juni) schrijft over , , Achteruitgang" bij de gereformeerden. Hij legt de vinger bij de wonde, als hij opmerkt: „Zelf anders worden. Zelf „in alle eenvoud leven, als die de Heere „vrezen. Zelf getuigen, waar slechts ge- „tuigd kan worden. Zelf in heel ons leven tonen, dat we van Christus zijn". , , Dan spreekt heel ons doen en ons „optreden in het midden van en tot het „Nederlandse volk in de huidige tijd".
Ik geloof, dat prof. Grosheide gelijk heeft.
De gehele gereformeerde gezindheid, niet alleen de Gereformeerde Kerken, moet anders worden, moet écht gereformeerd worden en getrouw aan de roeping Gods.
Dan komen zij uit de schuilhoeken van eigen gerechtigheid en verzaking, van de roeping des geloofs naar binnen en naar buiten.
Hoeveel is er, dat tot een gemeenschappelijk strijden tegen de geest dezer eeuw behoorde te nopen. Maar dat wordt verhinderd en belemmerd, omdat zij, die èèn behoorden te zijn in het geloof, gedeeld worden door zelfzucht en eigen gerechtigheid.
Daarom kan er niets tot stand komen, dat aan de eenheid van de gereformeerde gezindheid bevorderlijk is, deze zuivert en tot elkander brengt. Men gevoelt ook de behoefte en de roeping niet, althans niet in die mate, dat de rust in eigen kring wordt verstoord. Maar daarom ook geen kracht naar buiten, geen eendrachtig getuigen tegen aanranding van het goddelijk gezag des Woords en de verachting van Gods geboden in het kerkelijke en openbare leven.
Het moet dan ook tot bijzondere verheuging stemmen, dat de kerkeraad der gemeente Huizen (N. H.), de gemeente bij kanselboodschap vermaande haar christelijke roeping indachtig te zijn om op te komen voor de gehoorzaamheid aan Gods geboden en voor een christelijke orde in het openbare leven.
De kerkeraad wijst er terecht op, dat de gemeente de roeping heeft, de bevoegdheid als kiezer voor de regeringslichamen alzo te gebruiken, dat een regering in die zin worde bevorderd. Dat geschiedt door de christelijke partijen te steunen. Het is ellendig, dat wij ook hier weer in het meervoud moeten spreken en dat wij niet allen tot één partij behoren.
, , Tegen de Revolutie het Evangelie", zo riep Groen van Prinsterer. Alles wat zich aan Gods gebod niet onderwerpen wil, is revolutionair. Het geloof in de Christus der Schriften ontdekt ons aan de revolutie in ons eigen hart en leert daartegen strijden, niet alleen in eigen leven, maar ziet het ook als eis om daartegen te strijden in het volksleven.
Jammer, dat de partij van Groen ook al werd gescheurd door onderling krakeel. Als al de positieve christenen eens één christelijke partij vormden, welk een zegen zou daarvan uitgaan.
De kerkeraad van Huizen (N. H.) zou dat zeker ook wensen. En nu staat het zó : als Hervormd-gereformeerden zijn wij één, en als het bij het politieke paaltje komt, gaan zij weer uit elkander —, waarvan alleen de linkerzijde voordeel heeft, hoe men het ook bekijkt.
Huizen kiest daarin geen partij en dat is onder deze omstandigheden terecht. Huizen bepaalt zich tot de hoofdzaak, tot de christelijke roeping, die niet kan worden gediend door zijn stem te geven aan de aanhangers van liberale en socialistische staatsideeën (om van communisme maar te zwijgen).
Evenmin ligt het op onze weg onze stem te geven aan de z.g. doorbraakmensen. Doch steun de christelijke partijen !
Woorden wekken, voorbeelden trekken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's