EEN TIJD VAN HOOGCONJUNCTUUR IN HET OUDE TESTAMENT
Nog altijd kan men de mening horen verkondigen, dat de christelijke gemeente eigenlijk weinig heeft aan het Oude Testament. Wat hebben wij te maken met dat , , Jodenboek", waarin vreemde verhalen staan over een volk en een cultuur, die zo geweldig ver af staat van ons, twintigste eeuwers ?
De bedoeling van het volgende artikel is te laten zien, hoe buitengewoon actueel het O. Testament kan zijn. Evenals wij nu, heeft het volk Israël in vorige tijden een periode van hoogconjunctuur meegemaakt en het is op zijn minst interessant om na te gaan, hoe de profeten hebben gereageerd op de conclusies, die het volk uit de ondervonden voorspoed en welvaart trok. Wij hebben hierbij het oog op de voorspoedige regering van koning Jerobeam van Israël, de tweede, welke deze naam droeg. Hij regeerde van 784—744 voor Chr. Hij zag kans om tijdelijk wat meer glans te brengen over het Tienstammenrijk. Tevoren had Israël te lijden gehad van de invallen van zijn noordelijke buur Syrië, die aan de macht van het Noordrijk grote afbreuk had gedaan. In Jerobeam's tijd had Syrië echter genoeg te stellen met de snel toenemende invloed van de opkomende wereldmacht van Assyrië. Zo wist Israels koning het onder zijn voorgangers verloren gegane grondgebied van het rijk weer terug te winnen. Hij herstelde de grenzen van Israël vanaf de ingang van Hamat tot aan de Dode Zee. De omvang van het rijk was bijna weer even groot als onder de glansrijke van zijn vorsten, als onder David; Israël was machtig, zoals het na de tijd van Salomo niet meer was geweest. Dat kon door de opdringende legers van Assyrië. Het leek er op alsof Israël zijn gebied uitbreidde ten koste van de oude vijand Syrië. Het was een tijd van betrekkelijke bloei. Door handel en overwinning nam de rijkdom toe. Schitterende huizen werden gebouwd, de levenswijze werd verfijnd, kortom 'n hogere cultuur dan vorige geslachten hadden gekend, was het bezit van de toenmaals levende generatie. De voortbrengselen van landen, die tot dat ogenblik toe verre hadden geleken, waren binnen het bereik van de beter gesitueerden gekomen. Een tijd van welvaart werd beleefd, waarover slechts voor hen die verder zagen dan het ogenblik, de nevel van een naderende onweersbui lag verspreid.
Toch zouden wij te weinig in deze constellatie der Israëlietische levensomstandigheden zien, wanneer wij slechts oog hadden voor een minder of meer scherpe politieke blik bij het volk. Achter de verschillende beschouwingen, die er onder de mensen van die tijd voorkwamen, schuilen ook godsdienstige motieven. Wij hebben allereerst te maken met hen, die in uitwendige voorspoed van het ogenblik een bewijs zagen van de gunst des Heeren. Zij verwachtten, dat de toenmalige voorspoed een beginstadium was van een enorme machtsuitbreiding van Israël onder de volken. Zij verwachtten, dat de Heere, die immers Israels God was, als Hij zou verschijnen, alle volken onderwerpen zou aan de heerlijkheid van Zijn geliefde Bondsvolk. Men zou kunnen zeggen, dat de vertegenwoordigers van deze gedachte wel zeer oppervlakkig dachten, wanneer zij de innerlijke situatie van hun volk afmaten naar de toestand van het ogenblik. Er waren er in Israël, die dit ook zeiden — de profeten. En die zeiden dat waarlijk niet op grond van politieke overwegingen! Zij kenden de God van Israël, omdat Hij zich aan hen had geopenbaard ; zij kenden dientengevolge Zijn toorn tegen de zonde. Zij vermochten te zien, dat de tijdelijke voorspoed — want de welvaart zagen zij als tijdelijk ! — nog niet betekende, dat de achtergrond van Israels toekomst zo rooskleurig was, als de optimisten wel dachten. Er is een bepaalde geestelijke ontwikkeling en ervaring nodig om het onderscheid tussen de toestand van het ogenblik en de algemene toestand te kunnen, zien, zeker, wanneer beiden een tegengesteld karakter dragen. Als het heden licht is, valt het moeilijk om de algemene toestand toch als donker te herkennen ; als het heden duister is, behoeft men geloof om de algemene toestand als licht te kennen. In ons verband hebben we met het eerste geval te maken. Het heden was in Jerobeams regeringstijd schijnbaar een stralend licht, terwijl de algemene achtergrond der dingen een snel naderende ondergang voorspelde. Snel naderend, ja, want toen Jerobeams regering eindigde zou het nog maar een goede twintig jaar duren, of Israël was onder de voet gelopen.
Het inzicht, dat de profeten aan de dag leggen, ontstond uit een diep schuldbesef. Niet slechts een besef van schuld, gewekt door een bepaalde verkeerde, zondige daad van een mens, maar een besef van een nationale schuld. Het volk, dat volk des Verbonds was, had gezondigd tegen de God des Verbonds, generatie na generatie. Er was de schuld van verscheidene geslachten en de voorspoed van het ogenblik sloot niet de ogen der profeten voor deze huiveringwekkende werkelijkheid. Alle voorspoed zagen zij als begunstiging Gods, als middel, waardoor God Zijn zondige volk wilde terugroepen tot de gehoorzaamheid aan Zijn wet. Een tijd van welvaart wiste de collectieve schuld van het volk niet uit. Integendeel — juist de groeiende welvaart deed de sociale misstanden toenemen. Amos wist, dat de arme verkocht werd voor een paar schoenen. Oneerlijkheid en corruptie werden de zonden van dagen, waarin het volksinkomen toenam: kaf werd voor koren verkocht. De profeten zagen, dat men niet alleen bij zeer bepaalde toornuitbarstingen des Heeren aan Zijn misnoegen moest denken, maar dat er een voortdurend verborgen toorn Gods was over het afgeweken volk, ook al genoot dat volk thans enkele tientallen jaren van betere tijden.
Het is op dit punt, dat de geschiedenis van het Oude Israël ons tot lering kan zijn. Inmiddels mogen we niet vergeten dat bij het oude volk het verbond nationaal begrensd was, hetgeen na de Pinksterdag niet meer het geval is. Dit heeft tot gevolg, dat we niet — zoals vroeger wel geschiedde — een parallel mogen trekken tussen Nederland en Israël. Zó uiterlijk ligt de overeenkomst niet. Wat wèl een punt van overweging moet vormen is de vraag, of er uit Israels reactie op een tijd van betrekkelijke welvaart temidden van een snel zich voortzettend verval, iets te leren is voor ons. Voor ditmaal beperk ik deze vraag tot de schuldkwestie, die tevoren werd aangeroerd. En nog een restrictie moet vooraf gemaakt worden : hetgeen hier volgt, bedoeld niet te zijn een poging om zich te mengen in de birmenlandse of buitenlandse politieke verhoudingen. Aan de hand van Israels historie wil ik waarschuwen tegen een oppervlakkig optimisme in onze dagen, zoals dat aan te treffen is bij velen, o.a, bij vele arbeiders, alsof we zover vooruit gegaan zijn, dat er alle reden is zich over te geven aan een matige vreugderoes. Maar niet minder behoort waarschuwend de vinger te worden geheven tegen een schijnbaar napraten der profeten, tegen een accentueren van de schuld van ons volk, zonder de draagwijdte van deze schuld te beseffen. Over beide gedachtengangen een enkele opmerking.
Niemand kan ontkennen, dat de sociale toestanden veel zijn verbeterd sinds de laatste eeuw. Dit is een reden om zich te verheugen. Ook de arbeider deelt in de toegenomen volkswelvaart. Toch schuilt hier een gevaar, of liever een veelheid van gevaren, zowel politiek, economisch, sociaal, zedelijk als godsdienstig. Op het godsdienstige gevaar te wijzen is slechts het doel van dit artikel. Behalve vermaterialisering van ons volk, dreigt er ook een uit het oog verliezen van de werkelijkheid, dat de schuld der generaties niet wordt uitgewist door een betrekkelijke voorspoed van het heden. Zeer gemakkelijk vergeet de „moderne" mens de band met het voorgeslacht, maar daarmede is deze binding nog niet opgeheven. En intussen zet ons geslacht de zonde der vaderen in andere vormen, verfijnd, geraffineerder, voort. Wat wij noemen voortschrijdende ontkerstening komt wonderwel overeen met het verbreken van het verbond in Israël, Meer en meer weekt het volk los van de christelijke waarheid, terwijl degenen, die zich met de christennaam sieren, in verdeeldheid en broedertwisten hun kracht verteren. Zomin als de toenmaals in Israël levende profeten Amos en Hosea de naam van de overweldiger noemden, die Israels lot bezegelen zou, evenmin behoeven wij ons heden te begeven op het pad der internationale verhoudingen : slechts wordt het besef van ons gevraagd, dat de ongerechtigheid van ons en onze vaderen de goddelijke toorn over ons ophoopt, ook al beleven wij een tijd van relatieve welvaart.
Er is echter ook een tweede punt, dat onze aandacht vraagt. Met het napraten der profeten komen we geen stap verder. Sommigen weten niet beter te doen dan de zonden van land en volk te bespreken, meestal in het vage, omdat een, concrete aanduiding ook eigen fouten aan de dag zou brengen. Men roept, dat de wereld slecht is en met de dag slechter wordt, terwijl men inmiddels gaarne meegeniet van de voorspoed, die deze tijd ons biedt. Verschillenden spreken van oordelen Gods, die komen, terwijl uit de levenswijze blijkt, dat men gaarne — om het in de taal van de profeet te zeggen — woont „in elpenbenen huizen en zich niet bekommert om de verbreking van Jozef". En niet alleen, dat we de luxe en weelde van de zo scherp veroordeelde , , wereld" aanvaarden, ook in de zonde van de wereld blijven we niet achter. Wanneer dit werd gezien, zou de uitdrukking „wij en onze vaderen hebhen gezondigd", zóveel indruk op ons maken, dat wij ons als zondaren voor God gevoelden door solidariteit en niet minder door navolging van voorge
Wie in de geschiedenis van Israël deze worsteling om de schuld heeft gezien, begrijpt iets van de grote waarde, die het Oude Testament heeft ook nog voor onze tijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's