De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN EEN LEEUW TOT EEN LAM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN EEN LEEUW TOT EEN LAM

7 minuten leestijd

En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide : SanI, Saul, wat vervolgt gij Mij ? En hij zeide : Wie zijt Gij, Heere ? En de Heere zeide : Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. En hij bevende en zeer verbaasd geworden zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Handelingen 9 vs. 4—6.

Daar worden, grote en scherpe tegenstellingen tussen de kinderen der mensen gevonden. Men vraagt zich wel eens af, hoe het mogelijk is dat er zulke grote verschillen kunnen zijn. Maar wonderlijker en onverklaarbaarder is de tegenstelling en het verschil, dat in één en dezelfde persoon kan wonen. Neem als voorbeeld Saulus , die door de Heere tot Paulus gemaakt werd.

Welk een onverschrokken man was deze. Hij ontzag niemand in zijn woeden. En hoe hij woedde, lezen wij uit de woorden, die in het begin van Handelingen 9 staan opgetekend. Hij blies dreiging en moord uit tegen de discipelen des Heeren.

Wat hadden die arme schapen hem gedaan, dat hij zo boven mate tegen hen woeden moest? In dit hoofdstuk staat het erg sober verhaald. Maar later herhaalt hij hetgeen hier gebeurd is, aan koning Agrippa, en dan lezen wij, hoe hij de huizen binnendrong en mannen en vrouwen wegsleepte. Hoe hij een behagen had in hun dood. Ja, hij joeg hen zóveel angst aan, dat hij hen deed lasteren.

De vraag kan dan wel eens opkomen : Zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? Het leek wel, of de Heere geen macht had om Zijn kinderen te beschermen. Maar ook hier zien wij, dat er bij de Heere is een: tot hiertoe en niet verder. Gods weg is in het heiligdom en alle dingen zullen degenen, die Hem in onverderfelijkheid mogen liefhebben, moeten medewerken ten goede. Maar aan deze zijde van het graf wordt het vaak niet verstaan.

De vraag rijst hier onwillekeurig op, hoe het kwam, dat deze Saulus met zulk een grote vijandschap bevangen was en dat hij zich zo gevreesd maakte bij allen, die de Heere Jezus liefhadden. De Heere klaagt dit hier zelf uit in deze woorden : Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij ?

Het was geen onwetendheid, die Saulus dreef. Hij had een zeer godsdienstige opvoeding gehad. Van zijn jeugd aan was hij onderwezen in de Schriften. Ja, hij had zelfs hoger onderwijs genoten. Aan de voeten van Gamaliel had hij gezeten om onderwezen te worden. En niet alleen dit, maar hij had ook een strenge, opvoeding gehad. Daarbij had hij die opvoeding eer aangedaan door een zeer nauwgezette wandel.

En méér was hem nog ten deel gevallen. Hij had het sterven van Stefanus bijgewoond. Welk een sterven was dit geweest. Hij had het getuigenis gehoord. Nog nooit heeft zulk een sterven iemand ongeroerd gelaten. Uit de klacht des Heeren blijkt dan ook, dat hij tegen zijn consciëntie inleeft. Hij slaat de verzenen tegen de prikkels. Dit verklaard ook het boven mate woeden.

En zo leren wij hier, dat de beste opvoeding een mens niet kan zalig maken. Nu gebruike niemand deze waarheid verkeerd, alsof een, godzalige opvoeding zonder nut en waarde is. Integendeel! De apostel Paulus heeft daar later veel nut van gehad en het is hem tot groot voordeel geweest voor de arbeid, waartoe hij geroepen werd.

Maar een mens kan zeer rechtzinnig opgebracht zijn en hij kan zelfs zeer godsdienstig zijn. Ja hij kan menen Gode te behagen en in het diepst van zijn hart een vijand van God en Zijn volk zijn. De godsdienst openbaart vaak de grootste vijandschap tegen het leven, dat uit God geboren is. Dit klinkt misschien wel vreemd, maar een ieder ohderzoeke zijn eigen hart en leven. Het eerste, waar God in de weg der bekering van verlost, is van zijn godsdienst. Die het vatten kan, vatte het.

Want waarin bestaat het kenmerk van het kindschap van God en welke eigenschappen worden in hun leven gevonden ?

Nu doen wij goed bij het beantwoorden van deze vraag niet te veel overhoop te gaan halen. De eigenschappen van het kindschap kunnen we heel kort uitdrukken met de woorden van de profeet: Maar op dezen zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft. Zij worden dus gekend aan een zeer geringe dunk van zichzelf en een grote eerbied voor de Heere en Zijn Woord. Daarom leren zij acht geven op wat de Heere tot hen te zeggen heeft.

Want ziet nu naar deze Saulus. Met de lastbrieven van de overpriesters op zak, nadert hij Damascus. Al wat de Heere in waarheid vrees't in die stad, siddert en beeft. Zij piepen als een zwaluw en kirren als een duif in doodsnood en angst.

Maar deze Saulus nadert onverschrokken en onbevreesd. Hij weet, wat hij wil en hij kent zijn doel. Hij heeft geen medelijden, want uitgeroeid moeten worden, die in de zalige opstanding van de Heere Jezus geloven en die de kracht daarvan in eigen ziel en leven kennen. Hij versmoort daartoe ook de stem van zijn consciëntie en het is alsof hij daardoor nog vuriger en woedender wordt. Hij is zó zelfverzekerd en daarom overtuigd van zijn gelijk, dat hij er de Heere niet meer naar behoeft te vragen.

Maar dan is het in een ogenblik geschied. Wat daar precies gebeurd is, valt moeilijk te verklaren. Daar kunnen we alleen naar gissen. Het feit echter staat voor ons opgetekend. Saulus is ter aarde geworpen. De Heere heeft hem in het hart gegrepen. Zijn zelfverzekerdheid is hem ontnomen. Z'n onverschrokkenheid is verdwenen. Klein en verslagen ligt hij daar.

Welk een wonderlijke kracht en ook werking heeft genade in en op de mens. Wat niets en niemand ooit vermag, dat vermag die genade Gods, die de ogen opent en de ziel onderwijst. Eigenlijk zoudt ge hier kunnen opmerken, dat het juist andersom; is. Van ziende wordt Saulus blind. Daar ligt een rijke onderwijzing in.

De Heere Jezus sprak eenmaal tot enigen uit dé farizeërs : Ik ben tot een oordeel in de wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. Met een zekere ontstemming vroegen zij toen : Zijn wij dan óok blind?

Hier ontvangt Saulus het teken zijner blindheid en hier leert de Heere hem verstaan, hoe geheel verkeerd hij alles te voren heeft gezien. De vraag is opgeworpen, of de bekering van Paulus hier op de weg naar Damascus geschied is. Die vraag kan met ja en neen beantwoord worden. Te voren meende hij te zien, maar nu weet hij hoe blind hij is. Tevoren ging hij voorop en gaf hij de weg aan. Nu komt hij achteraan en moet bij de hand geleid worden. Tevoren schreef hij God de weg voor en nu moet hij vragen: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ?

Maar nu moet hij van een blinde nog een ziende worden. En al ontving hij rijke beloften, de vervulling daarvan moest nog komen. De weg der bekering is dan ook een voortgaande daad Gods, waarop zowel het een als het ander niet gemist kan worden.

En dit is nu het onderwijzende van deze geschiedenis. De Heere leert afzien van mensen en ook van zichzelf en leert naar Zijn wil vragen. Hij maakt arm, om alzo de rijkdom der genade in onze zielen te kunnen vervullen. Hij maakt blind om alzo werkelijk ziende te kunnen maken. En in die weg wordt de worsteling geboren. Hier heeft Paulus eerst xecht leren bidden.

Hij neemt het harde hart weg om een vlesen hart te geven, waarin Hij wonen en werken kan met Zijn Woord en met Zijn Geest. En alzo wordt aan hen in de voortgaande weg, die de Heere met hen houdt en waarin Hij op Zijn tijd in hun hart hun vragen opklaart en hun duisternissen wegneemt, de belofte vervuld : Ik zal de blinden leiden door de weg, welke zij niet geweten hebben. Ik zal de duisternis voor hun aangezicht tot licht maken en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik doen en Ik zal hen niet verlaten.

En daarom blijift voor ons allen deze vraag : Of we van ziende wel eens blind geworden zijn. En daarna deze vraag: Of we van deze blindheid wel eens genezen zijn en nu mogen weten, dat wij werkelijk zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN EEN LEEUW TOT EEN LAM

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's