De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE GROTE VERBITTERING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE GROTE VERBITTERING

Feuilleton

4 minuten leestijd

DOOR JAC. OVEREÊM

— Weet hij dan niet, dat die mensen schelden, vloeken en tieren?

— Hij hoort dit niet meer, zucht vader Poot en gaat weer op de plaats zitten, waar hij zoëven zat.

— O, te denken, dat hij het vloeken misschien gedurfd vindt, dat moet je door alles heengaan.

Moeder weet dat ze het vader moest zeggen, maar hoe, zwaar is het. Hoe moeilijk zal het nog worden.

— Wat wil je nu ? , vraagt ze.

— Mijn plicht is het, het hem te verbieden! Ik mag dit niet toestaan. Hij zal thuis blijven.

— En wat moeten die mensen wel denken? De jongen van Albert Poot op het voetbalveld, op zondag!

— Och, de mensen die daar zijn, vinden dat toch heel gewoon. Wat ze voor zichzelf geen kwaad vinden, achten dit ook voor anderen zo.

Dan zwijgen beiden weer.

Opeens legt moeder haar hand op de knie van haar man.

— Vader, zegt ze, wat weet je dan onze jongen voor een bezigheid te geven op de zondag, want hij moet niet doelloos behoeven neer te zitten. Er is ook voor hem een vermaak te zoeken. Kunnen we hem niet wat anders geven.

Boer Poot denkt na.

— Vrouw, wat doe je daar een verstandige zet, zegt hij dankbaar. Hebben wij hem misschien onthouden, wat hij nodig heeft, om ook de zondag thuis door te brengen ?

-  Misschien wel, Albert.

— Nu, daar wil ik de eerste de beste gelegenheid met hem over praten. Het is goed dat je dit gezegd hebt. Zou hij graag een orgel willen hebben ? .

— Ik weet het niet. Ik vrees. Maar je kunt nooit weten, hé. De zon is bloedrood onder gegaan. De ijle vlammen aan de horizon steken geelachtig hun punten in de grauwe lucht.

Stil ligt de hoeve in de avond. Het schemert tussen de bossen. Nevel hangt er over de akkers.

De pauwhaan is op de nok van de schaapskooi gevlogen en laat een luide gil sidderen door het bos.

In de verte loeit een koe. Waarom doet zo'n beest dat eigenlijk ? Nu alles zo rustig is en stil! Morgen of overmorgen zal de boer er meer van weten.

Op de eenzame bosweg lopen Kees en Willy. Ze zijn op de terugweg van hun tocht naar de boswachter.

Daar is de grote vlakte.

— Zou het bos nog antwoorden ? vraagt Willy.

Er ligt een glinstering in haar oog.

Ze vindt de zomeravond zo mooi.

De bossen vol van boeiend leven, het zingen van allerhande vogels, merels, en vinken. Maar nu is alles rust. De duiven koeren niet, de koekkoek zwijgt. Kees kijkt Willy aan.

— Ik denk het wel. Jij of ik ?

— Jij maar. Kees, zegt Willy.

Dan staan ze stil.

— Hoeveel neuzen heeft ons Lèèntje ?

Ze luisteren!

— Ééntje !! klinkt het heel duidelijk.

— Het lijkt wel of 't heel achter uit het bos komt, zegt Willy, maar de roeper is er nog!

Het is nu negen uur.

Ze gaan weer vlug op huis aan.

Heel in de verte onweert 't.

Een bliksemstraal boort door de grijze lucht.

Als ze thuis komen, sluit vader het tuinhekje achter zich.

DE ROOIE SCHOOIER

Het is een ruige kerel die rooie schooier. Niemand weet waar hij vandaan komt, maar iedereen kent hem.

Met veel vrijmoedigheid vraagt hij bij deze of gene boer een muisje. *) En het is haast een vanzelfsheid dat hem dat heel spontaan gegeven wordt, alsof hij een lid van de grote familie is.

Hij is geen vreemde op , , De Olde Deelt". Van jaren her kwam hij er reeds.

Daar staat hij geleund tegen de oude noteboom. Hij heeft een lachende plooi om de grote mond. Zijn snor is rood en breed.

Herman zit op de kruiwagen en kletst er duchtig met hem op los.

— Nee, zegt de rooie schooier, ik heb nu geen boenders bij me. Ik maak er maar heel weinig. De heide is slecht van 't jaar.

— Dat is maar een foefje, plaagt Herman. De hei is best genoeg om boenders van te maken. Maar je hebt zeker niet veel zin !

De rooie schooier kijkt Herman met grote ogen aan, alsof hij heel erg verwonderd is, zoiets te moeten horen.

— Ja ja, ik meen 't, zegt Herman.

*) Een warme maaltijd.

3)

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE GROTE VERBITTERING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's