NIEUW-GUINEA EN ONZE VERANTWOORDELIJKHEID
Oproep van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk tot bezinning op de verantwoordelijkheid van het Nederlandse volk inzake de vraagstukken rondom Nieuw-Guinea *)
Inleiding.
De generale synode der Nederlandse . Hervormde Kerk ziet met toenemende bezorgdheid, hoe de ontwikkeling van de zaken rondom Nieuw-Guinea geleid I heeft tot een bedenkelijke spanning tussen het Nederlandse volk en het Indonesische. Het kan onze Kerk, die door sterke banden gebonden is met de Kerken in Indonesië en Nieuw-Guinea, niet onverschillig laten, dat er tussen Nederland en Indonesië omtrent deze aangelegenheid een diepgaand geschil bestaat, ja, zij heeft, mede wegens deze banden, de plicht over de vragen aangaande Nieuw-Guinea te denken en het recht hierover te spreken.
Als zij dit doet, zal zij ook hierin moeten zoeken naar het licht van het Woord Gods, waarvan de verkondiging aan haar is opgedragen. Zij heeft te getuigen, van de verantwoordelijkheid, die wij mensen schuldig zijn aan God, en van de verantwoordelijkheid tegenover onze naasten. Óok onze politieke verantwoordelijkheid moet gezien worden in het licht van Gods gerechtigheid.
Daarom heeft de Kerk de plicht, haar leden in deze vraagstukken voor te lichten en hen op te wekken, zich van hun '" politieke meningen voor Gods aangezicht rekenschap te geven.
Historische rechten en een ideële taak.
Op de vraag naar onze verantwoordelijkheid ten aanzien van Nieuw-Guinea wordt dikwijls in deze geest geantwoord :
, , Nieuw-Guinea behoort historisch en rechtens tot het Koninkrijk der Nederlanden ; de verantwoordelijkheid van ons als Nederlanders bestaat dus hierin, , dat wij verplicht zijn te zorgen voor een goed bestuur van Nieuw-Guinea, gericht op het stoffelijke, zedelijke en, geestelijke welzijn van de bevolking. Waar Nieuw-Guinea behoort tot de zogenaamde , , onderontwikkelde gebieden", of zoals men dat tegenwoordig liever noemt, de gebieden , , in snelle sociale ontwikkeling", hebben wij hier te maken met alle vraagstukken aangaande deze gebieden : hoe kan men de bevolking in staat stellen zo snel mogelijk de achterstand in te halen, die zij heeft in, vergelijking met de rest van de wereld, zodat zij binnenkort over haar eigen politieke toekomst kan beslissen ? Door er voor op te komen, dat de Nederlandse politiek ten aanzien van Nieuw-Guinea welbewust op dit doel gericht is, kwijten wij ons van onze verantwoordelijkheid jegens onze naasten, de bewoners van dat land, en doen wij alles wat de volkerengemeenschap met recht van ons verwachten mag."
Wij erkennen ten volle de zedelijke ernst van dit antwoord. En toch menen wij met grote klem de vraag te moeten opwerpen, of wij met dit antwoord in het huidige tijdsbestek wel uitkomen, en of het niet berust op een gevaarlijke blik-verenging, wanneer wij dit antwoord afdoende achten.
II. Een veranderende wereld heeft critiek op ons.
In de huidige wereldpolitiek wordt onze Nederlandse mening niet vanzelfsprekend geaccepteerd. Niet alleen dat Indonesië met grote felheid aan Nederland het recht ontzegt om dit gebied te besturen, en het voor zich zelf opeist, maar ook wordt in een groot deel van de wereld dit Indonesische standpunt als juist gezien. Dit is gebleken op de conferentie der Aziatische en Afrikaanse landen, in april 1955 te Bandung gehouden, waar de aldaar vertegenwoordigde landen zich eenstemmig stelden achter de eis van Indonesië, - tevens bleek tot tweemaal toe een meerderheid, van de algemene vergadering der Verenigde Naties bereid de Nieuw-Guinea-kwestie op haar agenda te plaatsen, ondanks Nederlands verzet, omdat men het als een belangrijk internationaal geschilpunt beschouwde. Hoewel de meerderheid der volkerengemeenschap 't ogenblik nog niet gekomen achtte om de zaak op de spits te drijven, deelde men niet het Nederlandse standpunt, dat bet Nederlands bestuur over Nieuw-Guinea geen internationaal probleem kan vormen. Want , , de wereld is anders geworden" in de laatste halve eeuw, en dat niet alleen door de snelle ontwikkeling van techniek, verkeer en maatschappelijke organisatie, maar niet minder door die wereldhistorische beweging, die wij het ontwaken der volkeren in Afrika en Azië noemen. Reeds heeft deze voornamelijk in Azië geleid tot het zelfstandig worden van staten, die honderden miljoenen inwoners tellen. Niet langer beschouwt de volkerengemeenschap de betrekkingen tussen bepaalde Europese landen en de Aziatische en Afrikaanse gebieden onder hun bestuur als iets, dat slechts die Europese landen aangaat. Het zijn in het bijzonder de Aziatische en Afrikaanse volken, die de ontwikkeling van deze betrekkingen met gespannen aandacht volgen en in de openbare discussie brengen.
Het is niet te verwonderen, dat Indonesië bijzonder gevoelig is voor het feit, dat Nederland zijn bewind over Nieuw- Guinea aan deze discussie onttrekt en de onderhandelingen over dit geschil, die bij de souvereiniteitsoverdracht uitdrukkelijk waren toegezegd, door een eenzijdige beslissing meent te mogen beëindigen. Door deze aangelegenheid worden de gevoelens in Indonesië heftig beroerd ; zij is een bron van ergernis en haat, die het leven, met name ook het samenleven van Indonesiërs en Nederlanders, zeer bemoeilijkt, en is niet in de laatste plaats ook belemmerend voor het getuigenis van de Christelijke Kerk.
III. Onze verantwoordelijkheid.
Wanneer wij zouden kunnen volhouden in ons recht te zijn tegenover de bezwaren van de Aziatische en Afrikaanse volkeren en de aanspraken en de verontwaardiging van Indonesië, dan zouden wij dit alles naast ons kunnen neerleggen, en de taak, die wij op ons genomen hebben, rustig en met toewijding kunnen voortzetten, zoals dat ook feitelijk gebeurt en door de grote meerderheid van ons volk als vanzelfsprekend aanvaard wordt.
Maar wij menen, dat wij aan de vragen die ons gesteld zijn, niet zo gemakkelijk voorbij kunnen gaan. In de eerste plaats moeten wij beseffen, dat ook de historische aanspraken en goede bedoelingen en hoge idealen, waarmee wij ons in Nieuw-Guinea handhaven, geen voldoende rechtvaardiging zijn van onze, positie daar. Ons verleden als bewindvoerder over vreemde volkeren, met eigen belang als een belangrijke drijfveer, ligt de volkeren van Azië nog vers in het geheugen ; reeds dat alleen zou ons wat bescheiden moeten maken. Er is daarom reden ons af te vragen en ons te laten afvragen, of ook nu Nieuw- Guinea voor ons geen , , wingewest" is, maar wij integendeel veel aan het land ten koste leggen, onze motieven werkelijk van zelfzucht vrij zijn. Er kan n.l. ook een zelfzucht zijn, die niet op materieel gewin gericht is, maar zich richt op het najagen van hoge idealen, op het behouden van een rest van de glorie van het vroegere imperium, op het deelhebben aan de politieke machtsvorming in verre streken van de wereld.
In de tweede plaats is het de vraag, of onze mening, de leefbaarheid van het bestaan van de bewoners van Nieuw- Guinea te dienen door ons bestuur, werkelijk gerechtvaardigd is. Door de handhaving van ons bewind snoeren wij hen af van hun natuurlijke nabuurland Indonesië en van de gebieden van Oost- Indonesië, waarmee zij door historische banden verbonden zijn. Zo voeren wij met de bevordering van het Nederlands als voertaal een taalpolitiek, die ten gevolge zal hebben, dat zij van de literatuur en het onderwijs van het nabijgelegen Indonesië geen of weinig profijt zullen hebben, maar altijd weer op het verre en vreemde Nederland zullen zijn aangewezen. Het is onduidelijk, hoe wij op deze wijze vertrouwen kunnen wekken in onze bewering, dat wij bedoelen hen tot zelfstandigheid en zelfstandige keuze van hun toekomstige politieke status op te leiden, als wij de mogelijkheid om te kiezen voor aansluiting bij een grote nabuur door kunstmatig isolement bemoeilijken. Daarbij komt, dat de tegenwoordige politieke status van Nieuw-Guinea weinig stabiel is, daar een geringe verschuiving in de machts en meningsverhoudingen in de wereld op korte termijn ten gevolge zou kunnen hebben, dat ons bestuur niet bestendigd wordt.
In de 3de plaats moeten wij de vraag stellen of de christelijke vrijheid van de bewoners van Nieuw-Guinea, die voor het geloof in Christus gewonnen worden, wel gediend is door de nauwe band welke onvermijdelijk in hun ogen — niet geheel ten onrechte — bestaat tussen de dienaren der zending en het buitenlandse bewind; of de ervaring dienaangaande in het voormalig Nederlands-Indië opgedaan, en thans in Nieuw Guinea voortgaande, in dit opzicht ons geen ernstige lessen te leren heeft.
JV. Een appèl van de Kerk.
Het is niet de taak van de Kerk een oplossing voor deze kwestie aan te wijzen. Maar in het licht van het tot dusver gezegde, mag en moet de Kerk wel uitspreken, dat een oplossing niet kan bestaan in een voortzetting van de bestaande aanvechtbare en onzekere situatie. Nederland zal bereid moeten zijn, zijn aanspraken om alleen op eigen gezag Nieuw-Guinea te besturen, te laten vallen, en toe te stemmen in een regeling van dit bestuur in een zodanige overeenstemming met de volkerengemeenschap, dat zowel de beste behartiging der bevolkingsbelangen als de grootst mogelijke staatkundige stabiliteit redelijkerwijs gewaarborgd is. In een tijd waarin het dringend nodig is, dat de zogenaamde westerse wereld tracht het diepe wantrouwen, dat in Azië en Afrika tegen zijn bedoelingen bestaat, te overwinnen — en dit kan niet door woorden, maar slechts door daden geschieden — in zulk een tijd is het zeer bedenkelijk, dat de kwestie Nieuw-Guinea aan dit wantrouwen telkens nieuw voedsel geeft. Het is de roeping van Nederland, dat door deze kwestie zo diep in de internationale problematiek verwikkeld is geraakt, mede te helpen zoeken naar een uitweg, waarlangs de belangen van de bevolking van Nieuw-Guinea gediend worden. Dat houdt ook in, dat aan de andere factoren van het probleem, dus de verhouding van Nieuw-Guinea tot Indonesië en de andere omliggende lan den, en in het grote wereldgeheel, de verhouding tussen wat we de westerse- en de niet-westerse wereld genoemd wordt, ten volle recht wordt gedaan.
Slot.
Wij doen een beroep op de leden van de Hervormde Kerk, maar ook op het gehele Nederlandse volk, om zich los te maken van geliefkoosde denkbeelden en van vaste, vertrouwde, maar gevaarlijke schema's. Het is goed, dat we bereid zijn in de wereld te dienen, ook de bewoners van Nieuw-Guinea te dienen, maar die dienst zal eerst dan een werkelijk goede en christelijke dienst zijn, wanneer wij hem niet bewijzen door op zelfgekozen paden te gaan en hardnekkig volgehouden eigen plannen ten uitvoer te brengen. Wij herinneren aan het Woord des Heren, dat ook hier geldt, dat wie zijn leven — dat is dus ook zijn idealen en plannen — zal willen verliezen, zijn leven op andere wijze terug zal vinden. Ook als wij onze taak als ónze taak loslaten, zullen wij een nieuwe roeping, of misschien ook onze oude roeping op een andere manier terugvinden.
Wij roepen de Kerk en haar leden op, deze dingen ernstig te overwegen en te bidden, dat de Vader van onze Heer Jezus Christus ons volk wil leren, inzake Nieuw-Guinea en ook in de verhouding tot Indonesië en tot de gemeenschap der volkeren, de weg van Zijn gerechtigheid te vinden. Wanneer zij heeft leren verstaan wat de wil des Heren is, dan zal zij ook geroepen zijn om daarvan in de wereld te getuigen en zo dienend werkzaam te zijn in eigen volk en in de volkerenwereld.
Namens de Generale Synode,
G. de Ru, Praeses.
E. Emmen, Scriba.
*) Onder Nieuw-Guinea wordt in dit schrijven uitsluitend verstaan T> Jederlands Nieuw- Guinea. Een uitvoerige uiteenzetting van het probleem Nieuw-Guinea en zijn geschiedenis gedurende de laatste tien jaren, vindt men in het onlangs verschenen rapport van de Commissie voor internationale zaken van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland : „Nieuw-Guinea als probleem van het Nederlandse volk". Voor een beschrijving van de feiten en omstandigheden, waarover deze verklaring handelt, verwijzen wij dus naar dit geschrift.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's