De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE TIJDGEEST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE TIJDGEEST

10 minuten leestijd

Ds. Okke Jager schreef een boek onder de titel  "Interview met de tijdgeest", over welk boekje men elders in dit nummer een  en ander kan vinden.

Alzo alweer een boekje over de tijdgeest. Zeker, het draagt een eigen karakter, maar dat is meer een zaak van uitdrukkingswijze dan van inhoud.

De schrijver wijst er zelf op, dat er zóveel over de tijdgeest wordt gesproken en geschreven, dat men er moe van wordt. Men zegt altijd weer hetzelfde en men wil hetzelfde telkens weer horen, en als het er op aankomt, gaat het het éne oor in, het andere uit.

Het is waar, er is een zekere moeheid, en als ik het goed zie, meer nog onverschilligheid.

Daarom helpen ook allerlei hulpmiddelen, die men aanwendt, niets. Dat schijnt ook de mening van Okke Jager te zijn. Hij schrijft althans als volgt :

, , Maar wij komen er niet, als wij het , , eens met een nieuw maniertje gaan , , proberen, een heller kleurtje, een frisser preekje en een vlotter wijsje. Dat , , kan op zichzelf wel aardig zijn — , , maar de honger blijft knagen, de vrees , , blijft vragen : gaan wij niet, hetzij dan , , stapvoets, hetzij met zevenmijls laarzen, steeds verder achteruit? Glipt de , , geloofsmoed van de vaderen onze harten uit ?

, , Glijden de hoop en de liefde er achter aan? Wordt het leeg en kil om de preekstoel ? "

Dat kunnen wij zo hartelijk beamen. Al het zoeken naar nieuwigheden in de samenkomst der gemeente, is niet alleen vruchteloos, maar het is zo vruchteloos, omdat het door het leven der gemeente niet gedragen wordt.

Doch feit is, dat geloof, hoop en liefde wegglippen uit onze kerkelijke saamleving. Feit is óok, dat een verkoeling in het leven der christenen is ingetreden.

Wij gaan niet in op al die tijdredevoeringen, die het éne oor in, en het andere uitgaan. Wij gaan de overbekende gemeenplaatsen tot verklaring van de algemene verslapping en moeheid niet herhalen : de techniek, de ontwrichting van het moderne gezin, de veranderende maatschappij. Dat hebben wij al zóveel gehoord, gezegd en geschreven. Dat weten wij nu wel en wij lopen gevaar daarin te berusten, ja, deze wetenschap tot een duivelsoorkussen te maken, om verder in de algemene achteruitgang te delen en ten onder te gaan.

Tijd verknoeien aan plausibele verklaringen, die bovendien het euvel dragen, dat zij worden aangegrepen als gevaarvolle, ja, dodelijke slaapmiddelen. Het is nu eenmaal zo en wat zal men er aan veranderen?

Wat wij dan wél doen ?

Een beroep op onze christelijke consciëntie. Het oordeel begint bij Jeruzalem ! Neen, schudt nu niet vromelijk instemmend uw hoofd, knikt nu niet van ja, maar hoe staat het bij ons zélf? Hoe is het gesteld met ons persoonlijk geloofsleven ? Hoe gaat het toe in ons gezin ?

Wij kunnen wel beamen, dat wij zo hard achteruit gaan en dat de wereld zo goddeloos wordt, als iemand daarover klaagt, doch laat ons nu eerst eens bij ons zélf beginnen. De hand in eigen boezem! Wordt in ons hart nog die tedere vroomheid gevonden, welke een vrucht van waarachtig geloof is ? Kennen wij een kinderlijk eenvoudig gebedsleven, of is dit door de tijdgeest ook al verminderd ?

Okke Jager is naar mijn smaak veel te vlug met zijn antwoord en dikwijls te ruw, maar hij zou zeggen : de duivel zal lachen, als uw gebedsleven achteruitloopt.

Hoe is 't met uw gezinsleven? Wordt de Heilige Schrift nog gelezen, rustig en eerbiedig, zoals wij dat bij onze ouders thuis gewoon waren?

Geen tijd meer ? Alles zo gehaast ? De kinderen naar school of naar wat anders, maar altijd wat. Het moet er dikwijls bij inschieten, of het komt er in het geheel niet meer van.

Als dat nu zo is, en dat is in vele gevallen zo, wat zullen wij dan. nog klagen over zoveel afval en onverschilligheid bij anderen? Het euvel is tot in ons eigen huis en hart doorgedrongen. En wat moet er dan, menselijkerwijs gesproken, van onze kinderen worden ?

Och, ja, maar die jeugd van tegenwoordig. Zij willen er niet van horen. Dat zegt men zo grif, en voor een deel zal dat óok wel zo zijn, maar dergelijke klachten, als wij over de jeugd horen, kan men in alle tijden vernemen. Bovendien spreken wij niet over die jonge mensen, die met de naam asphaltjeugd worden bestempeld, maar over onze nog meer of minder christelijke jeugd, over onze kinderen.

En wat die onverschiligheid van tegenwoordig aangaat, laten wij niet nalaten de Heere te bidden, dat onze kinderen daarvoor bewaard mogen blijven.

Men spreekt over de vorige eeuw, over de algemeen aangebeden God der rede. Accoord. Dat was afgoderij. Die afgod is ook in ónze dagen nog niet gestorven, hoewel dat telkens weer wordt beweerd. De negentiende eeuw echter was nog zeer geïnteresseerd ten aanzien van vele vragen, welke de twintigste eeuw niet meer beroeren. Het christelijk dogma stond nog in de belangstelling. Zeker, het was een bestrijdende belangstelling, maar het traditioneel geloof zat nog diep geworteld en liet zijn invloed in brede lagen van de saamleving nog gelden. De christelijke zede gold nog allerwege als normatieve kracht. Tot in de eerste jaren van de twintigste eeuw is dit zo geweest.

Van de kinderen van die bestrijders kan men weinig anders verwachten, dan dat zij in onkunde omtrent die bestreden zaken, haar waarde niet hebben leren kennen, niet bij machte zijn er over te oordelen, geen belangstelling koesteren voor deze dingen en ook van de kennis der Heilige Schrift vervreemd zijn.

Reeds groeit alweer een generatie op, die gereed staat haar maatschappelijke taak te gaan vervullen, welke in zulk een onwetendheid is grootgebracht.

Degenen, die zich nu met dit onwetend en daarom onverschillig geslacht in de naam van een verkeerd gesteld apostolaat gaan bemoeien, zoeken naar allerlei middelen om proselieten te maken van een christendom, zoals zij zich dat voorstellen als geschikt voor de kinderen van deze eeuw. Een beetje pasklaar gemaakt, omdat men denkt, dat zij geen zin hebben in dat traditioneel geloof. , , De jeugd wil dat niet meer".

Ik geloof er niets van, als zij het maar waarneemt in zijn echtheid en kracht en als het wordt gepredikt overeenkomstig het levende Woord Gods.

Het niet willen van de jeugd, is geheel en al hetzelfde : geen lust hebben van de natuurlijke mens, maar 't Woord, dat getrouw bediend wordt, heeft altijd een bondgenoot in het geweten van de mens — en deze bondgenoot is bij jonge mensen gewoonlijk gevoeliger dan bij oude, verharde lieden en zendelingen van een eigenwillige godsdienst.

Juist, omdat ik geloof, dat de dingen zo liggen, is het temeer nodig, dat het christelijk gezin niet verachtere in vroomheid en christelijke levenshouding.

Wij moeten ons niet gewonnen geven aan de tijdgeest, alvorens zelf de strijd daartegen te hebben aangebonden. Dat is verraad aan het geloof, omdat de Heilige Geest machtiger is dan de tijdgeest en de duivel tezamen.

Dat wordt ons ook door de apostel Paulus voorgehouden, die zijn apostelschap met grote ijver en een vast geloof volbracht in een volkomen heidense wereld, welke evenzeer leed aan de ontbinding van een innerlijk verdorven cultuurleven. Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de geestelijke boosheden in de lucht.

Daarom is het zo weinig nuttig, lang te verwijlen bij de verklaringen en tijdpreken, omdat de duivelse machten en de geest der wereld, de geestelijke boosheden, die in de lucht zijn, wel gebruik maken van de , , vooruitgang" (zoals sommigen menen) van de tegenwoordige wereld, maar dezelfde tegenpartijders van God en Zijn Christus blijven.

Hetzelfde geloof, dat de oude wereld heeft overwonnen en haar regenererende kracht aan haar heeft bewezen, hetzelfde geloof is bij machte ook de tegenwoordige wereld te overwinnen en haar nieuwe kracht te schenken.

Wij moeten ons niet alles laten aanleunen wat allerlei geleerde en ongeleerde mensen beweren en Gods Woord veronachtzamen.

Maar, sprak iemand daar straks niet van honger ? De honger blijft ?

Is er dan toch nog begeerte naar God en de goddelijke dingen ?

Er zijn er, die zo iets beweren, en waarheid bevat het altijd, want het betreft de mens, die nu eenmaal geschapen is om in gemeenschap met Zijn Maker te leven en zijn bestemming te bereiken. De gebroken gemeenschap, de zonde, de dreiging des doods, de angst, ziedaar wat een gemis, dat de mens een soort hongergevoel geeft naar vrede, rust en geluk. Dat is algemeen zo bij de gevallen mens en hij zoekt dit gevoel op allerlei wijze te ontlopen.

Als het , , apostolaat" zijn net over dezulken wil uitwerpen, om hen te helpen, wordt hun allereerst tegenzin bij gebracht tegen de orthodoxie, dogma's, Gods geboden, als ware dat alles dood en voorbijgegaan Christendom.

En als men dan zegt, dat zij stenen voor brood geven, worden zij boos. Christus predikt een geloof, dat de wereld overwint. Dat is een strijd-positie. Christus zegt: Ik bid niet voor de wereld.

De nieuwe koers echter predikt solidariteit met de wereld, een evangelie naar de mens en blijkt geen acht te geven op het woord van de Christus tot Nicodemus : tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. {Joh. 3 : 3).

Op de bodem ener algemene religiositeit, roering en gevoeligheid waarnemen, zelfs in de hedendaagse wijsbegeerte, maar voor zover men daarbij nog van Christendom spreekt of zelfs de Bijbel noemt, wordt het al spoedig duidelijk, dat de Christelijke religie door een wijde zeef is gehaald, zodat er weinig meer dan een volkomen vrijblijvende schijn van Christen-zijn overblijft.

Men is van oordeel, dat het Schriftuurlijk geloof niet meer past op onze moderne wereld en zet alzo de zaken op de kop.

Op die wijze wordt noch de zaak van het Christendom, noch de kerk, noch ook de moderne mens gediend. Wanneer hij aan deze tijdgeest geloof schenkt en die aanhangt, misleidt hij zich zelf, en velen worden misleid.

In al zulke nieuwigheden kan voor de moderne wereld geen verwachting zijn, maar daarin, dat men het Evangelie preke als een kracht tot zaligheid.

De afkeer tegen het traditioneel geloof is bij velen een hinderpaal geworden om te luisteren. Wij moeten een levend Christendom hebben, zo zegt men. Traditioneel geloof, orthodoxie, is als dood geloof gebrandverfd en dus moet men dat zeker niet hebben.

Zonder twijfel staat de orthodoxie, zoals die voor velen naar buiten verschijnt, mede schuldig aan zulk een oordeel. Er is een dode orthodoxie, die aanleiding geeft tot zulk een afwijzend oordeel. Dat zij toegegeven, Jesaja. wijst daar ook op. (Vgl. hfdst. 58).

Maar het is ook zó, dat velen zo redeneren, omdat zij vreemd zijn aan het waarachtig- orthodox geloof — en daarom tot oordelen onbevoegd.

Ook is het waar, dat eerbied voor Gods Woord en gebod, die zich aftekent in een puriteinse levensstijl, anderen voorkomt als dode vormendienst.

Dat kan wel eens zo zijn, maar het kan ook echt zijn, zodat degeen, die zulks voor dode vormendienst houdt, zich zelf veroordeelt.

Zo is het ook met de dominé's die altijd gereed zijn om kritiek te oefenen op z.g. , , dode dogma's" en „dorre orthodoxie". Zij openbaren daarin een gebrek aan levende kennis, zodat men zich verbazen moet, dat dezulken praten over een levend Christendom! Dat komt dan zowat overeen met het Christen-zijn van het bekende Herderlijk Schrijven.

Wij vrezen dan ook, dat het , , levende" Christendom, dat zij op het oog hebben, even afkerig is van het leven der Kerk, zoals dat zich b.v. openbaart in de psalmen, als van de versmade orthodoxie. Zij geven daartoe althans aanleiding, wijl zij veelal blijk geven de psalmen niet te kunnen waarderen en achter te stellen bij de liturgische experimenten van hun zelf en hun geestverwanten.

Wij geloven, dat de getrouwe Schriftuurlijke preek het voor jong en oud nog altijd doet en alleen doet, omdat deze het bevel van de Koning der Kerk achter zich heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE TIJDGEEST

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's