De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JACOB BORSTIUS I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JACOB BORSTIUS I

8 minuten leestijd

Met enige voorliefde verhalen we iets van deze man, want hij is ten onrechte weinig opgemerkt en in de schaduw blijven staan. Hij leefde van 1612 tot 1680, was predikant te Dordrecht (tussen haakjes : een waar schathuis van predikanten van ongewoon formaat, vgl. Dr. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, 2 dln.), en daarna in Rotterdam.

Als zeer populair prediker vertoont hij het type van Smytegelt, hoewel hij wetenschappelijk en letterkundig wel een heel eind boven hem uitsteekt.

Zoals Koelman, die een hele reeks Engelse stichtelijke werken vertaalde, van Guthrie, Binning, Rutherford, enz., heeft ook Borstius die puriteinse , , practizijns" op prijs gesteld. Geen wonder trouwens, want die Engelse en Schotse theologen zijn doorgaans korter, bondiger, ook praktischer dan vele van onze Nederlandse auteurs. Borstius heeft vooral Durham vertaald, wiens werk over Jesaja 53 en over het Hooglied lange tijd zeer geliefde leesstof verschaften. Daarnaast Rutherford, wiens Brieven en andere werken ten onrechte zo vergeten zijn.

Borstius is een van de kleinere piëtisten en daarom een ijveraar voor een bijbels-gereformeerde levensstijl. Dat komt sterk uit in zijn zeer vermaarde preek over het lange haar, waarmee hij deelnam aan wat men de harige oorlog noemt. We kunnen, al staan we er ver achter, de aanleiding toch nog wel verstaan. Nederland beleeft zijn gouden eeuw; het gaat goed en veel van de oude soberheid wordt afgelegd. Frankrijk gaat de mode aangeven en tot die mode behoort dan ook, dat de mannen pruiken gaan dragen.

Men heeft het graag bespottelijk gemaakt, dat de predikanten zich op de kansel bezighielden met zulke beuzelachtige onderwerpen. Maar deze opmer­king is erg goedkoop. Men voelde immers spontaan, dat hier méér in het geding was dan een modegril. Werden hier geen scheppingsordeningen omver geworpen, waar men het onderscheid tussen man en vrouw zo vervlakte ? Men voelde evengoed, dat men op een hellend vlak stond. Allerlei dingen doen zich als onschuldig voor, maar gaandeweg ondermijnen ze zede en wet.

Wanneer we dan nog opmerken, dat het piëtisme van stonde aan, ook éér er van pruiken sprake was, reeds protest aantekende tegen luxe en modieuze opschik, omdat deze uiterlijkheden de , , mens des harten" geen goed doen (Udemans, Teellinck, Voetius), dan begrijpen we, dat de fronten hier fel en scherp tegenover elkaar stonden.

Het is hier dan misschien wel de plaats om de vraag op te werpen: Was die Nadere Reformatie dan zo bang voor cultuur en wetenschap ? Dat is immers , , dopers", deze wereld maar voor niets te achten en het geestelijke altijd boven deze wereld en er tegenin te zoeken ?

We aarzelen niet, daarop neen te zeggen. Hoe sterk hebben Calvijn en zijn leerlingen het stuk van de Schepping beleden en erkend! Er is geen sprake van, dat enig ding of enig schepsel op zichzelf verkeerd of verboden zou zijn, wanneer het met dankzegging uit Gods hand ontvangen wordt. Maar als de Calvinisten zo de schepping als goede gave Gods blijmoedig erkennen en daarom cultuur en wetenschap onmogelijk op z'n dopers in de ban kunnen doen, dan zien we, dat ze evenzeer erkennen, hoe diep de zonde het mensenleven ontwricht heeft. Dat verhinderde, dat men zou kunnen zeggen, dat de zonde alleen het hart en de wil heeft aangetast, zodat cultuur- en wetenschapsbeoefening daar buiten zouden staan. En dan zag men heel goed, dat juist degenen, die de zonde minder diep opvatten, zo'n extra grote 'belangstelling voor die genoemde gebieden aan de dag legden.

We voelen toch wel, dat dat alles samen wel moest bewerken, dat men in deze zaken grote reserve toonde. We zeggen niet, dat men daarmee het laatste woord heeft gesproken. Want wanneer dan toch werkelijk wedergeboorte en bekering hun gevolg en vruchten hebben voor heel de mens, dan zal dat toch óok zelfs op die , , uiterlijke" gebieden moeten en mogen blijken. Dat men daaraan weinig aandacht heeft besteed, bewijst dat men de wedergeboorte wèl verstond als iets ingrijpends en radicaals, maar als toch in de uitwerking zeer geremd en gebroken. In de kring van de Labadisten, waar men van de wedergeborenen het meeste verwacht, heeft men deze beschouwing wel toegepast in de kerk, maar niet in wereld en cultuur. Dan begrijpen we, dat dit nog veel minder gebeurde bij die theologen, die De Labadie afwezen, omdat hij naar hun inzicht buiten de perken van Woord en belofte ging.

We moeten bekennen, dat wij in onze kring na eeuwen, niet werkelijk verder zijn gekomen. Is dat kleingeloof of geestelijke bangheid of traagheid? Of zou het de aanduiding zijn van het feit, dat hier een grens ligt, die niet licht zonder schade wordt overschreden ? Het gelukt ons stellig nooit, om tijd en eeuwigheid zó innerlijk te verbinden, dat ze werkelijk elkaar doordringen. Er blijft altijd weerstand en verwarring. Zomin iemand van ons ooit voldaan van de kansel afkomt, als hij Wet en Evangelie beide hun recht poogde te geven, zo blijft ook in dit punt het ideaal ver en hoog. De wijze, waarop Kuyper c.s. het cultuurprobleem hebben aangevat, door middel van de z.g. algemene genade, heeft juist in de kring van de vrienden der Nadere Reformatie zeer weinig instemming gevonden. Zo wordt inderdaad het cultuurleven wel behartigd, maar de mystiek, het geestelijke leven, verkwijnt en verdort.

Wanneer men dus zich boos maakt op die wat achterdochtige piëtisten, die niet zó spoedig juichen over culturele verworvenheden, en die liever een wereld verliezen dan aan hun ziel schade te lijden, dan moet men tenminste erkennen, dat hier een levensstijl wordt gevonden, die toch wel heel erg bijbels is. En wil men dan gebreken aanwijzen en nieuwe wegen inslaan: uitstekend. Als men echter hun levensbeschouwing deelt, zal men wel heel spoedig toegeven, dat ze beter, dieper zagen, dan juist de critici; dat de kritiek gemakkelijk, maar de kunst moeilijk iis.

Hiermee beëindigen we het uitstapje, waartoe Borstius ons aanleiding gaf. We zien het bovenstaande merkwaardig bewaarheid in het feit, dat de onculturele Borstius zijn kracht liever zocht in de geloofs- en eeuwigheidsvragen, dan in die hoge en ijlere sferen. Getuige het boekje dat hij schreef, getiteld: Bedenkingen over het Heilig Avondmaal. Een uitgave uit de vorige eeuw heeft als titel: Het Heilig Avondmaal onzes Heren Jezus Christus voor Zijn zuchtende bruid.

Deze titel is wel heel sprekend. Reeds Udemans en Voetius gingen in op bezwaren aangaande het Heilig Avondmaal. Maar als de tijd voortgaat en de scheiding tussen wereld en vromen, buiten de kerk en er in, al dieper gaat, zien we de bezwaren tegen het H. Avondmaal toenemen. Het aantal boekjes op dit gebied is legio en ten overvloede vertaalde men ook nog werkjes uit het frans en engels (M. Henry), die deze zaak al evenzeer als probleem waren gaan zien.

Op z'n tijd hopen we De Labadie en Lodenstein besprekende, er op te wijzen, dat bij hen deze zaak tot een crisis leidde. Het bracht De Labadie tot afscheiding en doleantie, tot het stichten van een gezuiverde kerk. Weinigen van de mannen der Nadere Reformatie zijn hem gevolgd. Waren ze bang of traag ? Neen, maar ze vreesden de gevolgen van geestelijke hoogmoed, gevolgen, die dan ook niet zijn uitgebleven. Ze hielden veel meer dan De Labadie vast aan het genadeverbond en vonden, als ze de toestand donker en verward zagen, meer troost in wachten en bidden, dan in het maken van kortsluiting. Juist daarin zijn deze vaderen ons voorbeeldig en lief.

Dit boekje van Borstius geeft in z'n titel al weer, hoeveel geduld en sympathie hij heeft voor , , de rokende vlaswiek" en „het gekrookte riet". Het ontgaat ons niet, dat hierin iets heel bedenkelijks kan liggen. Als men blijvende bekommering wel eens verklaart tot teken van hoogste geestelijke gezondheid ; wanneer men systematisch de zekerheid des geloofs, dat oer-gereformeerd erfgoed, ondermijnt en wantrouwt, en zo meer, dan bewijst men Gods kerk een zeer kwade dienst.

Maar zo doen Borstius en de zijnen niet. Ze pleiten voor een groeiend, geworteld en bevestigd geloof, dat steunt op Gods genadige beloften in Christus en z'n groeikracht niet uit eigen bodem, maar uit de Heilige Geest heeft. Daartoe wekt hij op en roept hij op niet in iets anders te berusten. Maar hij weet te goed, dat juist de gezonde gelovige geen kind Enaks, geen geestelijke reus wordt. Het Luctor et Emergo, ik worstel en ontkom (die beide!) zou men met goed recht de levensregel en grondwet van de Nadere Reformatie kunnen noemen. En daarom juist had men sympathie voor de worstelaar en de bestredene en sprak met de moede een woord op z'n tijd.

We hopen volgend maal iets mee te delen uit dat Avondmaalsboekje van Borstius. De toestanden ten deze in onze gemeenten zullen ook zijn vermaan vinden. Daarna hopen we over te gaan tot de zo markante, maar ook wel moeilijke figuur van Jodocus van Lodenstein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JACOB BORSTIUS I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's