DE GROTE VERBITTERING
Feuilleton
Hij probeert zijn bretels wat korter te maken. Hij moet zuinig zijn op z'n enige broek.
Het lukt hem.
Zo, nu loopt hij veel gemakkelijker.
Hij loopt kaarsrecht. Van het werken heeft hij nog niet veel geleden.
Nadat hij de soldatenrok heeft afgelegd, is hij opgehouden met werken.
Het beviel hem niet.
Hij wilde met geen baas iets te maken hebben. Vrij man zijn; leven en slapen onder Gods blauwe hemel.
'Gods blauwe hemel ?
Hij gelooft toch in geen God!
Ja, in principe gelooft hij niet in God, maar onwillekeurig doe je net alsof er wel een God is.
De rooie schooier leeft heel makkelijk, denkt luchtig over het leven.
Hij heeft één hartstocht, en dat is, zwerven! Al maar zwerven, onafhankelijk van iedereen. Hij leeft en is niemand iets schuldig. Hij: kan gaan en staan waar hij wil. Hij heeft aan niemand een hekel, want niemand kent hij bizonder. Hij kijkt tegen alle mensen en ze zijn hem allemaal precies gelijk. Nu ja, er lopen er wel tussen, die niet zo vriendelijk zijn als hij ze gaarne ziet, maar vijanden heeft hij toch niet.
Voor in de graskamp, naast de eikenwal, staat de hooischelf.
De rooie schooier trekt het jasje uit en spreidt dit er onder tegen aan.
Zo; iets in de schaduw. Ha, wat ruikt dat hooi al lekker.
Dan gaat hij languit op de grond liggen en even later snorkt hij als een os.
Zorgeloos en zonder zorgen.
De rooie schooier heeft geen slapeloze nachten. In de logementen is het altijd laat en als hij wakker wordt, rijst hij, op, zo fris gelijk een hoentje. Gisteren had hij geen zorgen, vandaag zal hij ze óok niet hebben, en morgen nog niet is.
Opeens schrikt hij wakker. Hoelang heeft hij geslapen ? Hoor ! Wat is dat ? De grond dreunt. Hij vliegt overeind. Het lijken wel hollende beesten! Vlakbij !
De rooie schooier staat opeens naast de hooischelf. Wat is alles helder licht! Hij heeft ook zo heerlijk geslapen.
Maar dan ziet hij het vreemde schouwspel.
- O, zegt hij, is het dat. Plagen ze jullie weer.
Het zijn de horzels, die het vee van Albert Poot nazitten. De koeien zijn doodsbenauwd voor die dingen.
Kijk, daar komen ze weer aan.
Alle zeven! In volle galop.
Het is net, of Karel het zoemen van de horzels hoort. Zijn het er misschien meer dan één ?
De grond dreunt. De koeien schijnen niets te zien en stormen zomaar tegen de heining aan.
Een hevig gekraak. Karel rent er op aan.
— Ho toch, beesten, roept hij.
De heining ligt met drie palen tegen de grond gesmakt.
De koeien snuiven en verspreiden zich over het hooiland.
Wild slaan ze met hun staarten en stampen met de poten. Onder de houtwal zoeken ze beschutting.
De rooie schooier kijkt eens rond. Hier mogen de koeien niet lopen. Ginds zijn de bieten en staan de akkers rogge en haver. Hij weet heel goed, dat ze daar een ravage kunnen aanrichten.
Maar wat zal hij alléén met die dieren beginnen? Daar moet hulp bij te pas komen.
De boerderij Is niet zo ver.
Misschien blijven ze wel even bij de houtwal.
5)
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's