KRONIEK
Van buiten de grenzen. — „Anglicaanse heiligen" — „Israël en de volkeren". — „Israel's stalen zenuwen". — „De vrede aan een zijden draad". — Rembrandtherdenking in de Westerkerk — „Rembrandt en de Kerk".
Het internationale is gemeenlijk niet het terrein van de gegevens voor onze kroniek. Natuurlijk is in deze rubriek meermalen gewag gemaakt van gebeurtenissen en stromingen uit — om een woord uit het hedendaags spraakgebruik te bezigen — de , , oecumene". Van dat gebied is thans ook wel iets te geven. De Anglicaanse Kerk, de Church of England, wil nog verder het pad van de R.K. Kerk op dan ze tot nu toe deed. Men leze maar onderstaand bericht, dat de N.R. Crt. d.d. 17 juli j.l. gaf:
Plan voor heiligverklaring in Anglicaanse Kerk.
Aan de Britse Anglicaanse bisschoppen zijn dit weekeind bijzonderheden toegezonden van een plan om heiligverklaring door de Church of England in te voeren. Het plan is afkomstig van ds. Desmond Morse-Boycott, uit Beaconsfield bij Londen.
Bij het plan is een lijst gevoegd met namen van 44 personen, die voor heiligverklaring door de Anglicaanse Kerk in aanmerking zouden moeten komen. Op deze lijst staan o.m. John Wesley, de stichter van het methodisme, John Henry Newman, de van anglicaan later rooms-katholiek geworden kardinaal en dr. Cyril Garbett, de vorig jaar overleden aartsbisschop van York.
Het is nogal geen kleine lijst: 44 in het geheel. En als de 41 niet genoemden evenveel heterogeniteit vertonen als de drie, ons hier vermeld, zouden ze, als ze nog in leven zijnde van dit voornemen hadden kunnen kennis nemen, wel een ervaring hebben gehad, die de Fransen uitdrukken met het bekende : bien etonnés de nous trouver ensembles, zeer verwonderd ons in één gezelschap (samen) te vinden. Maar gelukkig, het is nog maar een plan, en plannen worden wel meermalen verijdeld. Als de oud-Engelse mentaliteit van , , bij ons is het altijd zo geweest en zo moet het blijven", nog werkt, zal dit plan wel niet uitgevoerd worden. Hetgeen wij hopen.
Evenwel, met ons begin, hadden wij niet direkt het oog op het hiervóór vermelde. Ons oog was gericht op de huidige positie van de Staat Israël. En al zijn we niet van mening, dat in het bestaan van Israël verschillende O. Testamentische profetieën, in de zin van voorzeggingen, vervulling ontvingen — dit gevoelen, door meerderen in deze tijd voorgestaan, lijkt , , chiliastisch", terwijl bovendien de vestiging van de Staat Israël meer vervulling van politieke dan religieuze-verlangens schijnt te zijn — er is nog immer het probleem : , , Israël en de volkeren", gelijk naar ik meen mr. I. Da Costa het stelde. Hoe dit ook zij, wat daar in Palestina gebeurt, hoe gecompliceerd het ook zij en hoe intriguant het er veelal naar toegaat, verdient onze aandacht. Vooral, wanneer een kenner van de verwikkelingen op internationaal terrein als de heer J. H. Huizinga, ons wil oriënteren.
Hij begint zijn artikel over , , Israel's stalen zenuwen" — Ie onderdeel van een reeks , , in het Arabisch stormcentrum (N.R. Crt. d.d. 11 juli j.l.) — met "het verhaal, dat hij de eerste nacht van zijn verblijf in Israël werd opgeschrikt door een achttal felle schoten, dat hem de vraag door zijn hoofd deed flitsen „of dit misschien het begin was". Niemand echter, die die nacht, noch de volgende morgen enige aandacht aan die , , schietpartij" wijdde : , , Men was aan iets dergelijks gewend; die incidenten hoorden immers reeds zolang tot de normale orde van de dag. Tussen mei 1952 en december 1954 was het op de Jordaanse grens tot 1265 schietpartijen gekomen, waarbij 587 Israëliërs gedood of gewond werden".
Deze mentaliteit — , , gehard" noemt de schrijver haar — waarbij men met kalme, opgewekte onverschrokkenheid doorgaat zijn werk te doen, bewondert Huizinga ten zeerste : hij meldt verder, dat dit volk eigenlijk volkomen omsingeld is, „zijn inwoners staan in de nauwe kuststrook, die hun tot vaderland moet dienen, in de letterlijke zin des woords met de rug tegen de muur van de zeewering ; hun vrouwen en kinderen kunnen nergens naar toe, als , , der Tag" eenmaal aanbreekt en Egypte's Russische bommenwerpers dood en verderf over Tel-Aviv of Haifa uitstorten". En als hij verhaald heeft, dat ondanks die permanente dreiging 't leven voortgaat zonder „angstpsychose", onbezorgd, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, besluit hij : , , Maar zo is Israël nu eenmaal, uit een wonder geboren en vertrouwend, dat ditzelfde wonder de onverzettelijke levenswil, die dit volk in staat stelde zijn identiteit te bewaren, het over al zijn belagers zal doen zegevieren".
Inderdaad, Israël is uit een wonder geboren en zijn leven en bestaan nu moge een wonder zijn, leeft het daadwerkelijk uit de God van Wien een zijner oude psalmen zingt: , , Gij zijt die God, die wonder doet; Gij hebt Uwe sterkte bekend gemaakt onder de volken" ? (Ps. 77 VS. 15).
In een tweede artikel: , , De vrede aan een zijden draad", verhaalt Huizinga van een onderhoud met de leider van de , Heroet", de partij die met oorlogshandelingen niet wil wachten tot de Arabische macht. Welker leider Egypte is, tot de aanval overgaat, doch van een offensieve instelling is, en de vijand op een gunstig moment wil aanvallen. Deze , , Heroet" is echter ver in de minderheid. In het vervolg schetst de schrijver de situatie aldus, dat Nasser, de dictator van Egypte, de leider van. de Arabische machten, die Israël gram zijn — is hier iets van de oude haat van Ismaël jegens Izaak ? — niet eer de „tweede ronde" zal wagen, dan wanneer hij zulk een superioriteit heeft, dat een aanval op Israël niet meer een „uitermate riskante zaak" voor hem betekent. Het artikel besluit als volgt:
, , En aangezien de leiders in die andere Arabische Staten en in het bijzonder in Syrië en Jordanië zelf op hun beurt te kampen hebben met een publieke opinie, of beter gezegd, met emoties van het volk, die hen geenszins vrij spel laten, blijft de vrede dus aan een zijden draad hangen, die elk ogenblik door het een of andere voorval, dat de lawine in niet meer te stuiten beweging brengt, kan worden verbroken.
Het is een sombere gedachte ; geen der verantwoordelijke staatslieden aan Israels grenzen wil werkelijk de oorlog, geen van hen, die niet beseft dat Israels aanwezigheid in hun midden aanvaard moet worden. Maar geen van hen ook, die sterk genoeg staat om zijn volk dit inzicht op te dwingen, geen van hen die durft hen daar geleidelijk aan in op te voeden, geen van hen, die de olie der rede op de golven der emotie tracht te werpen".
Zal, waar zo de situatie is, de Staat Israël als Staat blijven? Israël is een raadsel in de volkerenwereld. God alleen heeft de oplossing van dit raadsel. „Uit een wonder geboren". Maar ook Israël zal, evenals wij allen, moeten leven uit de Ene, Wiens verschijning het grote wonder Gods is. Wie leven kent uit het wonder der wederbarende daad Gods, leert Hem noemen Immanuël. Iemand zeide eens : „Op het voorhoofd van elke Israëliet staat: „Och, dat Mijn volk naar Mij géhoord had, dat Israël in Mijne wegen gewandeld had". (Psalm 51 VS. 12).
Van de Staat Israël naar de Rembrandt-herdenking is een grote overgang. Misschien is de enige overeenkomst de internationale verering van deze echt Hollandse, men kan ook zeggen, echt Amsterdamse schilder. Er is ter gelegenheid van de herdenking zijner 350-jarige geboortedatum veel gezegd, dat doet denken aan de titel van Carlyle's boek : „Van helden en heldenverering". Heeft men bij de plechtige herdenking maandag 15 juli j.l. in de Westerkerk te Amsterdam — hij ligt daar begraven volgens het begrafenisboek, en die kerk was dus wel de geeigende plaats voor deze samenkomst — het diepste geheim gepeild van Rembrandt's ongeëvenaard genie ? Een der sprekers legde de nadruk op de hoogste boodschap, welke Rembrandt heeft gebracht, die van de mensenliefde en de broederliefde". (N.R. Crt. d.d. 17 juli j.l.). Dat klinkt vroom humanistisch, doch ondanks de vroomheid is het in en in humanistisch. Bij-deze visie is het begrijpelijk, dat bij de Rembrandtherdenking te Moskou de grote meester herdacht werd , , als een wijs, tolerant, onafhankelijk genie, dat zijn eigen vrije weg koos voor zijn bijdrage aan de menselijke cultuur". (N.R.Crt. d.d. 17 juli j.l.)
Gans anders is wat H. A. V. in „de Hervormde Kerk" van zaterdag 14 juli j.l. schrijft over : , , Rembrandt en de Kerk". Het vangt aan :
„Deynsdag, 8 October 1669, Rembrandt van Rijn, schilder, op de Roosegraft, teghenover het Doolhof. Laat na 2 kijnders.
't Grafboek van de Westerkerk zegt 't. Er staat nog bij, dat hij gelegd werd onder steen 153. Vijftig jaar geleden wilde men zijn gebeente opgraven om het een eervoller plaats te geven, maar men vond er niets dan „zuiver, wit zand". Hoe komt dat?
Heeft het graf oorspronkelijk buiten de kerk gelegen ? Is zijn stoffelijk overschot in later dagen opgeruimd? We weten het niet. In ieder geval kon het plan van 1906 : een trots gedenkteken voor Nederlands grootste schilder, op te richten, zoals reeds kort na zijn dood geschiedde voor onze zeeheld de Ruyter, geen doorgang vinden.
't Is ook niet nodig. Michiel de Ruyter leeft nog vagelijk in de herinnering van ons volk voort, dank zij zijn pompeuze grafteken in de Nieuwe Kerk, Rembrandt spreekt nog steeds, lang na zijn dood. En telkens weer zeg je: spreekt of preekt hij ? De afwezigheid van zijn lichaam lijkt een protest tegen elke vorm van mensenverering. Hij leeft immers nog altijd onder ons, hij getuigt, hij wijst heen naar zijn Heer, Die de doden levend maakt".
Dan vervolgt het stuk met iets te verhalen over , , Kerkelijke conflicten", waaruit wij overnemen :
, , De vier kinderen van Rembrandt en Saskia werden bij hun doop zonder meer in de boeken ingeschreven. Maar de doop van Cornelia, 't kind dat Hendrickje Stoffels Rembrandt schonk, leverde stof voor de notulen. In 1654 werd er door de kerkeraad vastgesteld, dat Hendrickje in een ongeoorloofde verhouding met Rembrandt leefde. In Saskia's testament stond n.l. een zinsnede, die het Rembrandt financieel eenvoudig onmogelijk maakte een tweede huwelijk aan te gaan. Toen Cornelia geboren werd en de ouders het kind wilden laten dopen, kwamen de moeilijkheden. Beiden werden voor de kerkeraad gedaagd. Toen geen van hen verscheen, kreeg Hendrickje huisbezoek. Tenslotte verschijnt ze voor de kerkeraad, die haar „ernstelyck" vermaant, tot , , boetvaerdighheit" oproept en besluit dat zij voorlopig „van den tafel des Heeren wierd afgehouden".
Hierna verhaalt de schrijver over , , De grote kentering", die valt in een tijd, waarin een faillissement onafwendbaar schijnt, zijn leven vergald wordt door een onmogelijke huishoudster, en de schilder, wat zijn uiterlijke omstandigheden betreft, in een dieptepunt komt. Het artikel gaat dan voort:
„Maar juist in die dagen gaat een ander licht hoe langer hoe feller stralen. Hij schildert de Emmaüsgangers, twee schilderijen en acht tekeningen van de barmhartige Samaritaan en acht afbeeldingen van Christus, zien 't licht.
In tegenstelling tot vroeger, toen hij in overeenstemming met zijn tijdgenoten de uiterlijke majesteit van Christus trachtte af te beelden, zien we nu een Heiland zonder gedaante of heerlijkheid.
Wanneer de prachtigste kunstverzameling van die dagen bij Rembrandt's faillissement verkocht wordt, vermeldt de catalogus slechts twee boeken : Flavins Josephus' „Joodse historie" en een oude bijbel".
Het slot luidt:
, , Is het te verwonderen, dat wij in de catalogus van zijn nalatenschap nog maar één boek aantreffen : de bijbel. Ook Flavius Josephus' Joodse historiën hoefden Rembrandt niet meer te inspireren. Nog aangrijpender is het, dat na zijn dood op de schildersezel in zijn atelier een nog onvoltooid schilderij werd aangetroffen : een afbeelding van Simeon in de tempel, die zegt.... Nu laat Gij, Heer, Uw dienstknecht gaan in vrede want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.
Rembrandt's leven was een weg, die door licht en donker heen leidde naar een steeds helderder aanschouwen van Gods heil".
Dit artikel is sympathieker dan wat ik in het verslag van de grootse herdenking in de Westerkerk las. Alleen, ik meen er in te proeven, dat de schrijver de houding van de Amsterdamse kerkeraad niet bijzonder kan waarderen. Indien ik hierin niet mis tast, zou ik willen vragen: kon de kerkeraad anders handelen, gegeven , , de ongeoorloofde verhouding" ? Misschien is de kerkeraad niet heel gelukkig geweest in de vorm, waarin hij zijn tuchtoefening uitvoerde. Maar genoeg. In dit artikel wordt in het licht gesteld, dat Rembrandt's levenswerk niet is te verklaren, indien verklaring mogelijk is, zonder de Bijbel, het enige boek, dat niet onder de hamer kwam.
Wijlen dr. H. Bavinck zegt van Rembrandt en Bilderdijk : , , Ze vingen (het licht) in de eerste plaats op uit de openbaring Gods in Zijn Woord ; Rembrandt en Bilderdijk waren beiden, elk op zijn wijze, leerlingen des Bijbels en vertolkers van voorstellingen en gedachten der Schrift. En daarna zagen zij het rondom zich heen, in Gods wijde schepping ; somber, donker, vol schaduwen was het leven, maar het licht viel er in van omhoog, overtoog het met een glans van heerlijkheid ; en uit de donkerte trad onder sterke belichting het beeld naar voren, dat hunne en onze ziel bekoort en juichen doet in zalige harmonie". Die woorden zijn anders dan humanistische mensverheerlijking. Roert er niets iets doorheen van Gal. 1 vs. 24 : , , En zij verheerlijkten God in mij" ?
Zo willen wij Rembrandt herdenken. Maar ook De Ruyter, wiens herinnering bij een ieder, die zelfs nog maar , , vagelijk" de historie van zijn volk kent, leeft, niet slechts door , , zijn pompeuze grafteken in de Nieuwe Kerk", maar door wat hij in Gods kracht gedaan heeft op de plaats, waar hij gesteld was, voor de redding en het bestaan van het , , gemeenebest" en voor de zaak van de , , excercitie" van de religie Gods. Dat was in H. A. V.'s artikel naar mijn gevoelen vergeten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's