DE TIEN GEBODEN
Elders treft men een artikel uit, , Trouw" aan van de hand van prof. R. Schippers, dat wel enig nader commentaar vraagt. Wij kunnen dat zelf niet geven, omdat wij de samenkomst, daarin genoemd, niet bijwoonden en het , , boeiend referaat" van prof. Verdam : Toepassing en bestudering van Mozaïsch recht in de loop der eeuwen, niet hebben gehoord en vanzelfsprekend ook niet de discussie.
Zoals het stuk van prof. Schippers er ligt, kan men alleen constateren, dat de auteur van De Gereformeerde zede, met de strekking van het referaat althans ten aanzien van de , , Tien Geboden" nog al ingenomen is.
Overigens wordt uit zijn artikel niet duidelijk, of de beweringeii van prof. Verdam aangaande de Tien Geboden de facto geenszins nieuwe dingen zeggen, dan wel, of zij de aandacht richten op aspecten, welke de Kerk in twintig eeuwen nog niet had opgemerkt. In dit opzicht is Karl Barth veel duidelijker, want die zegt het er bij.
Het ligt voor de hand, dat de door prof. Verdam geponeerde stelling: „De Mozaïsche wet, noch de Tien Geboden geldt voor ons als wet", bijzondere aandacht trekt.
Deze stelling schijnt zich te gronden op een andere : , , De Tien Geboden behoren tot wat met één samenvattende term aangeduidt wordt als het Mozaïsche recht".
Daart)ij komt dan nog een stelling, dat de Mozaïsche wetten voor ons niet zonder meer (cursief van mij, S.) als wet gelden.
En voorts de conclusie : Men kan de Tien Geboren daarvan niet meer afzonderen.
Deze conclusie laten wij even rusten, om de aandacht er op te vestigen, dat de voorafgaande zinsnede: dat de Mozaïsche wetten voor ons niet zonder meer als wet gelden, als traditioneel kan worden aangemerkt, althans kan worden. opgevat.
De wet bevat toch, om met Bavinck te spreken : , , in verband met de ganse heilsoeconomie, niet alleen zedelijke, maar ook burgerlijke en ceremoniële geboden". (G. D. III, blz. 129).
Als men nu de hele verzameling wetten als het Mozaïsch recht aanmerkt, dan leven wij niet meer onder dat Mozaïsch recht, inzonderheid niet wat het cultisch-gódsdienstige leven aangaat.
Immers de dienst der schaduwen is voorbij.
Het blijkt derhalve, dat in het licht der ganse heilsoeconomie, zoals Bavinck het uitdrukt, voorbijgaande elementen in de cultische godsdienst zijn, ja, ook de Nieuw-Testamentische gaat voorbij, zo waarlijk wij hier door geloof en niet door aanschouwen leven.
Overzien wij nu de wetgeving in de Schrift, te beginnen bij Exodus 20, dan staat de wet der Tien Geboden niet alleen aan het hoofd — het bedoelde artikel spreekt van het primaat der Tien Geboden — maar God spreekt voor de oren van het ganse volk Israël en het zijn deze Tien Geboden, waarvan betuigd wordt, dat God ze schreef op de tafelen des Verbonds. Het gaat om de Wet des Verbonds en de ark heet de ark der getuigenis.
Ja, zegt prof. Verdam, dat is wel zo, maar de Tien Geboden behoren bij dat geheel, dat kan worden saamgevat als het Mozaïsche recht, gij moogt die van de rest niet isoleren.
Dat is tot zijn dienst, doch nu komen wij ook met een maar, bij wijze van vraag: Wat maakt dat Mozaïsche recht zo tot één geheel ?
Toch niet, dat de naam van Mozes daaraan verbonden is. als ware hij de auteur van dat recht, maar enkel en alleen de wet der Tien Geboden, zijnde de religieus-zedelijke bepaling van de verhouding van de mens tot God en tot zijn naaste.
De bijzondere wetten zijn gebaseerd in deze grondverhouding als tijdelijke en blijvende ordeningen van het cultische en van het zedelijke leven in de maatschappelijke en politieke samenleving. Het gehele leven valt onder het Verbond. De Tien Geboden zijn de Wet des Verbonds, en reeds daarom reiken zij over de andere wetten heen.
Deze bijzondere wetten zijn naar het bestel Gods dienstbaar aan de goddelijke heilsoeconomie. De Oud-Testamentische cultus wordt een schaduw genoemd, die voorbij gaat, maar de religieus-zedelijke grondwet blijft, omdat zij 's mensen levenswet is.
Vóór alles gaat het alzo in het Mozaïsch recht om de van God gewilde religie en cultus. Het Mozaïsch recht is door en door religieus bepaald. In die religieuze bepaaldheid wordt niet alleen de Israëlietische eredienst, de dient des tabernakels etc, maar ook het maatschappelijke en politieke leven begrepen. Het valt alles binnen de sfeer van het Verbond.
Daarin vindt het zijn éénheid en gedeeldheid, maar daarom is het ook alleen van uit het Verbond te verstaan in zijn goddelijke zin en betekenis.
Zo omspannen de Tien Geboden heel dat Mozaïsche recht. Zij zijn er de ziel van.
Dat grijpt onwillekeurig al iets dieper dan wat het primaat bedoelt. Het is niet alleen primaat, maar kastnerf, kern, grondslag en fundament van het Mozaïsche recht, waardoor de relatie van Israël tot de levende God in de verschillende levensverbanden wordt bepaald.
Daarin is ook het universele en blijvende, het algemeen geldende van de Wet der Tien Geboden.
Nu de , , eigen woorden" van prof. Verdam, volgens mededeling van prof. dr. Schippers : , , Niet een uit het geheel gelicht onderdeel der Mozaïsche bepalingen, maar alleen Gods Woord als geheel kan onder leiding van Gods Geest ons richtsnoer zijn".
Toen wij over het blijvende en het voorbijgaande spraken, over de dienst der schaduwen en de goddelijke heilsoeconomie, zou men een moment gemeend kunnen hebben, dat prof. Verdam precies hetzelfde bedoelt. Het Mozaïsch recht wordt in zijn aard en betekenis eerst verstaan in het licht van Gods Woord als geheel. Deze uitdrukking : Gods Woord als geheel, zal, naar wij aannemen, overeenkomen met Gods Woord, zoals het in de Heilige Schrift voor ons ligt.
Dan zou het bovendien niets nieuws beduiden, en dat is ook niet nodig om de belangstelling te verhogen.
Wij zouden nog daarin overeenkomen dat ook in de gegeven beschouwing, waarin wij de Tien Geboden niet slechts een primaat toekennen, maar als grondleggende kern, dus als het merg, van de Mozaïsche wet zien, de Tien Geboden niet als een deel uit het geheel kunnen worden gelicht. Het centrale laat zich nimmer zo behandelen. Maar het centrale blijft ook op en voor zich zelf het centrale, het beheersende.
Aangezien de Tien Geboden over de verhouding van de mens tot God en tot zijn naaste gaan, en die verhouding bepalen, blijven zij van centrale betekenis in heel de heilsoeconomie en derhalve ook in de openbaring.
Niet de cultus, maar gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid is beter dan offerande. (1 Samuel 15 : 22).
Waimeer wij dan ook de wetgeving in Exodus verder nagaan, zien wij, dat de volgende wetten gaan over de in de Tien Geboden gestelde handelingen en verhoudingen.
Heel de ceremoniële wet raakt de uitwendige godsdienst en slaat terug on de eerste Tafel, en men zie ook hoe de bijzondere wetten telkens weer betrekking hebben op diefstal, doodslag, valse getuigenis, geoorloofde en vooral ongeoorloofde huwelijksverhoudingen, enz.
Van een uitlichten der Tien Geboden als een stuk van het geheel der Mozaïsche wet, kan dus geen sprake zijn en daarom moeten deze dingen in de voorstelling van prof. Verdam anders liggen. Dat is misschien, uit juridisch oogpunt bekeken, maar wij komen hier met kracht op voor het primaat der theologie om over de betekenis der Tien Geboden, zowel ten aanzien van het Mozaïsch recht — als iemand dat zo stellen wil — als in het verband van de ganse Schrift te oordelen.
Prof. Verdam wil niets van een isolement van de Tien Geboden weten. Dat is nu weer zo'n punt. Voor zover uit het genoemde artikel blijkt, bedoelt prof. Verdam daarmede, dat de Tien Geboden niet uit de Mozaïsche wetgeving kunnen worden uitgelicht en apart gezet. Ons bezwaar gaat nog eens tegen de voorstelling, alsof de decaloog een wet onder de andere wetten, en dus een stuk in het geheel van de Mozaïsche wetgeving zou zijn en door dit geheel mede bepaald zou worden. De verhouding is juist andersom. De gehele Mozaïsche wetgeving wordt door de Tien Geboden bepaald, en niet alleen zelfs de Mozaïsche wetgeving, maar de religie van de levende God.
De profeten gaan daarvan uit en komen daarop altijd terug. Israël heeft het kennelijk zo verstaan, want hoe anders kan de ganse Schrift onder de naam Wet worden saamgevat?
En wat het isolement betreft, God zelf heeft de Tien Geboden buitengewoon onderscheiden en een betekenisvolle plaats gegeven, daar Hij wel de Tien Geboden, maar niet de ganse veelheid Mozaïsche wetten en voorschriften met eigen hand op de tafelen heeft geschreven en Christus erkent deze onderscheiding zonder beding, zoals blijkt o.a. uit het gesprek met de rijke jongeling. (Lukas 18 VS. 18), uit de bergrede en andere plaatsen.
Ik meen dan ook, dat ten onrechte van isolement wordt gesproken, en dat de reformatorische waardering van de decaloog recht wil doen aan de fundamentele betekenis voor het religieuszedelijke leven, welke daaraan juist in het licht van Gods Woord toekomt.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's